19 april 2019
Goede Vrijdag

Lezingen: Jes. 52,13-53,12; Ps. 31; Heb. 4,14-16; 5,7-9; Joh. 18,1-19,42 (C-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 52,13-53,12
Dit tekstgedeelte is een onderdeel van de tekstuele eenheid Deutero-Jesaja. In Jesaja 40-55 verwoordt de profeet een dramatische wending in de geschiedenis. Op Gods initiatief komt er een einde aan de Babylonische Ballingschap. In de reactie van Israël zit een beweging van verzet naar overgave. Eerst wil men vasthouden aan het bekende en pas langzamerhand wordt Gods toekomst begrepen en gaat men mee op weg.
            Dit lied van hoop voor een geslagen volk is opgebouwd uit drie delen. Er is sprake van wisseling van spreker:

  • 52,12-15         JHWH spreekt en presenteert zijn knecht;
  • 53,1-11a         Een ‘wij’-figuur is aan het woord;
  • 53,11b-12       JHWH spreekt en presenteert zijn knecht.

De identiteit van de ‘wij’-figuur is niet eenvoudig vast te stellen. Ik wil deze ‘wij’ verbinden met de ‘zij’-figuur uit Jesaja 52,15b: ‘Wie niets verteld was, zien; wie niets gehoord hadden, begrijpen’. Deze ‘zij’ zijn Israël op een bijzonder moment. Zij staan op de drempel vol ‘verzet’ maar op weg naar ‘overgave’. Zij hebben iets gezien en gehoord. Zij hebben een onverwachte ervaring gehad, waarvan zij in 53,1-11a getuigen.
            Jes. 53,1-11a behoort tot de meest aangrijpende gedeelten van het Oude Testament. Hier wordt beschreven, wat de ‘wij’-figuur heeft gezien. De tekst is een getuigenis van Gods bemoeienis met de donkerste diepten van het mens-zijn. De tekst bestaat uit een aantal elementen:

  • Jes. 53,1          Oproep tot erkenning
  • Jes. 53,2-11a   Het ‘verhaal’ over de ‘knecht’:
    1. 2-6                  de ziekte van de knecht
    2. 7-8a                de vervolging van de knecht
    3. 8b                   het sterven van de knecht
    4. 9-10a              de knecht wordt vergeten
    5. 10b-11a          de begunstiging van de knecht.

Centraal in dit alles staat datgene wat er met de ‘knecht’ gebeurt. Zijn lijden wordt stapsgewijs getekend. De eerste vier stappen zijn algemeen menselijk: de gehele mensengeschiedenis door worden schuldeloze mensen geknecht, gemarteld en geslagen, moeten mensen hoon dragen en raken zij in vergetelheid. Jes. 53,2-11a heeft een uniek element:

  • Er wordt een verbinding gelegd tussen het lijden van de ‘knecht’ enerzijds en de schuld, het verdriet en de komende voorspoed van de ‘wij’-figuur.
  • De ‘knecht’ kent een onverwachte toekomst: hij blijft niet in de vergetelheid.

Er zit in het verhaal over de knecht een erkenning van menselijk falen en verdriet. Het falen van de mens wordt in beelden en samenvattende begrippen aangeduid: ‘onze daden van trouweloosheid’(5a), ‘wij allen dwaalden als schapen’ (6a). Hetzelfde geldt voor de beschrijving van het menselijk verdriet: ‘onze smarten heeft hij gedragen’ (4a). In deze wijze van aanduiding zit een aanwijzing dat het niet zozeer gaat om concrete, aanwijsbare misstappen en direct waarneembaar menselijk lijden, maar dat de staat van de mens bedoeld is. De mens te midden van de gebrokenheid van de schepping. In Jesaja is die gebrokenheid een beeld voor Israël in ballingschap.

Het unieke van Jesaja 53 is gelegen in het feit, dat hier beleden wordt dat de gang van de knecht door de diepte heen een opheffing van schuld en verdriet betekent: ‘door zijn striemen is er genezing voor ons’. Hierover kan alleen in grote verwondering gesproken worden. Elk ander spreken systematiseert de diepten van Gods intenties weg.
            Het tweede unieke element van Jesaja 53 is het gegeven, dat de weg van de knecht niet eindigt in vergetelheid. Het graf is niet het einde van de weg van deze geslagene. Jesaja 53,10b-11a spreekt niet expliciet over het thema opstanding. Sleutelwoord in 10b-11a is het werkwoord ‘zien’: ‘Hij zal nageslacht zien’(10b); ‘Na de ellende van zijn bestaan zal hij zien’ (11a). Het werkwoord ‘zien’ duidt in deze context op het gegeven, dat ook de knecht ‘met eigen ogen’ zal aanschouwen dat het door God ingezette drama een voltooiing zal krijgen. Het gebruik van het zelfstandig naamwoord ‘nageslacht’ bevat een verwijzing naar de verhalen over de aartsvaders in het Boek Genesis en onderstreept de ernst van Gods belofte.
            Wie die knecht is, blijft binnen Deutero-Jesaja een onopgelost raadsel.

Psalm 31
Op het eerste gezicht lijkt deze psalm een lappendeken. Allerlei typen teksten wisselen elkaar af. Klachten tot God en uitingen van vertrouwen lijken kriskras door elkaar te staan. Deze compositionele chaos lijkt mij echter opzettelijk. De lappendeken drukt de chaos uit in het bestaan van de dichter die heen en weer geslingerd wordt tussen angst en hoop.
            Beide kanten worden in krachtige beelden neergezet. De dichter zit in de benauwdheid. ‘Van verdriet kwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn ingewand’ (v. 10). Buren blijken niet betrouwbaar. De dichter ziet zichzelf wegglijden in de vergetelheid. ‘Vaatwerk in verval’ (v. 13). Vanuit die existentiële nood klinkt een vertwijfelde klacht: ‘Gij hebt mij toch niet prijsgegeven aan de hand van mijn vijand?’ (v. 9).
            Ondanks alles is er bij de dichter vertrouwen op God. Hij weet zich opgenomen in de goddelijke bescherming: ‘Mijn tijden zijn in uw hand’ (v. 16). Dat vertrouwen verhindert echter niet de gedachte ook door God buitengesloten te zijn. Maar die gedachte zet de dichter opzij met een oproep tot lof: ‘Hebt de Heer lief al zijn getrouwen’ (v. 24).
            In dit heen en weer zit een beweging die parallel gaat aan de beweging van verzet naar overgave.

Johannes 18,1–19,42: Jezus’ ontlediging
Ook het Evangelie naar de beschrijving van Johannes kent een lijdensgeschiedenis. Een exegetische bespreking van dit tekstgedeelte gaat het bestek van deze inleiding verre te boven. Men zou Johannes 18–19 kunnen herlezen vanuit een positie die verwant is aan de ‘wij’-figuur in Jesaja 53: ik ben met mijn schuld en mijn verdriet betrokken bij de gang van Jezus naar de diepte. Ook hier past een verwonderd zwijgen. Het meest indringend vind ik de scène in Getsemane (Joh. 18,1-11). Merkwaardigerwijs noemt Johannes de ‘olijfgaard’ niet met de naam die uit de andere evangeliën bekend is. Johannes gebruikt het Griekse woord, kèpos, ‘ommuurde tuin’, dat – hoewel niet hetzelfde woord als in Genesis 2,8 – toch terugverwijst naar de ommuurde tuin in Eden.

Literatuur
R.E. Brown, The Death of the Messiah: from Gethsemane to the Grave: A Commentary on the Passion Narratives in the Four Gospels (two volumes), New York 1994
J. Blenkinsopp, ‘The Sacrificial Life and Death of the Servant (Isaiah 52:13-53:12)’, Vetus Testamentum 66.1 (2016), 1-14
M. Elizabeth Lewis Hall, ‘Suffering in God's Presence: The Role of Lament in Transformation.’ Journal of Spiritual Formation and Soul Care 9.2 (2016): 219-232
J.A. Henriksen, and K.O. Sandnes, ‘The Vulnerable Human and the Absent God: The Stories about Gethsemane as a Possible Source for Theological Anthropology’, Kerygma und Dogma 64.3 (2018), 163-177

 

Preekvoorbeeld

Syrië, Jemen, Afghanistan, Getsemane… Wat een verschrikkelijke plaatsen. Plaatsen waar het kwade lijkt te zegevieren. Plaatsen waar de mensen in de hel leven. Waar men zich vervreemd voelt van troost, van geborgenheid, van God. Waar onschuldige mensen vermalen worden door de kaken van het conflict.
            Dat lijkt ook zo te zijn bij Jezus in Getsemane. Hij is onschuldig. Hij heeft niemand kwaad berokkend. Zijn enige overtuiging die richting gaf aan zijn leven en handelen was de liefde voor God en de anderen. En net hij zal een wreed lot ondergaan.
            Dat brengt hem in vertwijfeling. Nu voelt hij immers dat de consequenties van zijn liefde voor zijn medemensen en voor God onomkeerbaar zijn. Jezus voelt zich angstig en bedroefd. Maar toch blijft hij kracht putten uit zijn verbondenheid met God die hij blijft aanspreken met de woorden ‘mijn Vader’.
            Hoe verschrikkelijk moet het zijn om te weten dat je gaat sterven en dat niemand echt solidair met je is. De leerlingen laten Jezus in de steek. Ze delen zijn lijden niet. Ze verdwijnen. En natuurlijk begrijpen wij hun menselijke reactie. Hoe zouden we zelf reageren wanneer we ons bedreigd voelen, wanneer we dreigen meegesleurd te worden in de afgrond van het lijden en de dood? Hoeveel eenvoudiger is het om onze ogen te sluiten voor het kruis waarop op ontelbare plaatsen in de wereld mensen lichamelijk of mentaal ter dood worden gebracht.

Toch is het lijdensverhaal van Jezus een oproep aan ons, christenen. Hij roept ons op om vol te houden. Om consequent je geloof, je engagement, je liefde voor elke mens in de samenleving en zeker de mensen die het meest gekwetst en geschopt worden, vol te houden.
            En dat is soms heel moeilijk. De duisternis en de wanhoop voelen soms te overweldigend aan. Het licht lijkt soms ver weg. Maar zelfs op een dag als deze, op een dag waarin lijden centraal staat, spreken we van een ‘goede’ Vrijdag. Het is een goede Vrijdag omdat achter het leed, achter het kruis, achter de martelingen, het licht van Pasen reeds gloort. Het kwaad zal niet het laatste woord hebben. De dood, het lijden van mensen is niet het eindpunt. Er is een nieuw begin mogelijk. Na zijn dood zal Jezus zich weer ontfermen over zijn leerlingen. Hij zal hen sterken en de moed opnieuw laten opnemen om toch door te gaan en de boodschap van solidariteit en liefde te verspreiden. In de moeilijkste momenten van zijn leven werd Jezus door de leerlingen in de steek gelaten. Maar later nam Jezus de draad van hun gemeenschappelijke verhaal weer op.
            Dat is een troostende gedachte. Want heel vaak zullen we ook boos en vertwijfeld van Jezus, van God en van hun boodschap weglopen. We voelen vaak terecht alleen woede, pijn en vertwijfeling.
Maar weet dat Jezus en God nooit iemand definitief laten vallen. Onze namen staan geschreven in de palm van Gods hand. En die hand blijft altijd naar ons uitgestoken. Laat dat op deze goede Vrijdag een boodschap voor ons zijn: dat we onze ogen nooit sluiten voor hen die in de hel leven: daklozen, vluchtelingen, alle mensen die gekwetst en vermalen worden in onze samenleving. En mogen we dankzij ons geloof de kracht vinden om consequent de boodschap van liefde en solidariteit te beleven en te belijden.

 

inleiding prof. dr. Bob Becking
preekvoorbeeld drs. Eric Joris

webdesign: Artis