18 maart 2018
Vijfde zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Jer. 31,31-34; Ps. 51; Heb. 5,7-9; Joh. 12,20-33 (B-jaar)

 

Inleiding

Eerste lezing: Jeremia 31,31-34
Jeremia behoorde tot de groep van priesters uit Anatot, een dorp niet ver van Jeruzalem. Uitgesloten van de priesterlijke bediening wegens hun kritiek op de hogere clerus en de Jeruzalemse koningen waren zij de tempel uit gezet en juist daarom bijzonder gevoelig voor misstanden in het heiligdom en in de staat.
De perikoop van deze zondag maakt deel uit van het zogenaamde Troostboek (Jer. 30–31), dat we ook een boek van stimulans en van hoop en misschien zelfs van hernieuwde zekerheid zouden kunnen noemen. Alleen hier al komen we vier maal de uitdrukking ‘godsspraak van de Heer’ tegen ten teken dat het niet zo maar om vage hoop of valse stimulans gaat.
Deze godsspraken beginnen met een woord dat gericht is tot Israël en Juda. Aangezien ‘en Juda’ niet in alle handschriften voorkomt, betreft het, volgens sommigen, oorspronkelijk een profetie gericht tot het Noordrijk Israël, die later uitgebreid zou zijn tot het Zuidrijk Juda. Het is echter niet uitgesloten dat het hier om een godsspraak van na de ballingschap gaat; een droom over het herstel van het Joodse volk als geheel, dus Israël en Juda samen.                       

Na ingelijfd te zijn door Assyrië had Israël opgehouden te bestaan als zelfstandige natie. Het zuiden ging door, en ten tijde van koning Josias had er zelfs een religieuze en politieke opleving plaats die echter ten gronde ging met de dood van de koning in Megiddo in 609 vChr. Alles uit het verleden lijkt verloren, niet alleen de politieke onafhankelijkheid en de godsdienstige traditie, zelfs God lijkt zijn volk de rug toegekeerd en zijn verbond ingetrokken te hebben, aangezien het er zich niet aan gehouden heeft.
Tegen die teleurstelling verkondigt de profeet nu een boodschap van hoop: er komt een nieuw verbond. Het gaat echter niet om iets geheel anders dan het verbond op de Sinaï dat Israël verbroken had, hoewel God hun meester was.
Bij de uitdrukking ‘nieuw verbond’ moeten we op de eerste plaats denken aan herstel, vernieuwing of hernemen van dat eenmaal gesloten verbond. Gods wet zal geschreven staan in de ingewanden en in de harten van het volk. Bij de ingewanden gaat het om het bijbelse kerev als de plaats waar gevoelens, emoties, sentimenten, kennis gelokaliseerd werden. Om die reden zullen de mensen de Heer en zijn Wet kennen zonder de noodzaak aangaande hem onderricht te worden. De vermelding van die kennis is belangrijk omdat die in de Schrift vaak de uitdrukking is van een intiem, zelfs seksueel, contact tussen gelieven (vgl. Luc. 1,34).
Bovendien: waar God in het verleden de zonden strafte zal hij die nu door de vingers zien. De godsspraak ‘Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn’ moeten we verstaan als de intensivering van dat onverbreekbaar ‘oude’ verbond. En zoals het verbond op de Sinaï vooraf gegaan werd door de uittocht uit Egypte en bezegeld door de inname van het Beloofde Land, zo zal het hernieuwde verbond ingeleid worden door de terugkeer uit de ballingschap, de wederopbouw van Jeruzalem en het bezit van het land, aangeduid met de koop van de akker in Anatot, landstreek waar Jeremia vandaan kwam. We moeten hier dus denken aan een volledige en blijvende vernieuwing van het volk van Israël.
Hier geldt echter een waarschuwing. De verleiding kan groot zijn om de eigen groep als dat vernieuwde Israël aan te merken. De Essenen van Qumran, bijvoorbeeld, beschouwden zichzelf als de gemeenschap van het nieuwe verbond, het nieuwe Israël. Een zelfde waarschuwing geldt ook voor de christenen die, gewend aan de consecratiewoorden in de eucharistie over het ‘nieuwe en altijddurende verbond’, op grond daarvan de kerk als het nieuwe Israël zouden kunnen zien. Het gaat hier geenszins om een verbond dat alleen voor christenen geldt omdat het oude joodse verbond als afgedaan beschouwd zou kunnen worden. Ook hier gaat het om het ene en enige verbond dat wederom een nieuwe impuls krijgt, dit keer door Jezus. De gezaghebbende auteur van de Hebreeënbrief heeft christenen misschien wel enigszins op dat verraderlijke pad gezet, aangezien hij na de perikoop van Jeremia van deze zondag te hebben geciteerd daaraan toevoegt ‘Door te spreken van een nieuw verbond heeft Hij het eerste voor verouderd verklaard, en alles wat oud en bejaard wordt, staat op het punt te verdwijnen’ (Heb. 8,13).

Tweede lezing: Hebreeën 5,7-9
Het ziet ernaar uit dat de organisatoren van het lectionarium deze tekst gekozen hebben omwille van de vermelding dat Jezus onder luid geroep en tranen om uit de dood gered te worden, door God verhoord werd en zo oorzaak van redding voor allen is geworden. In deze zin combineert deze lezing behoorlijk goed met de evangelieperikoop. In de context van de Hebreeënbrief staan deze weinige verzen echter in verband met een vergelijking die de auteur maakt tussen Jezus en Aäron, door God geroepen tot de hogepriesterlijke dienst (5,4). Alleen werd Aäron slechts indirect door God geroepen (vgl. Ex. 28,1).
Aangezien het niet om een tijdelijke functie van Jezus gaat, vergelijkt de auteur hem ook nog met de mythische figuur van Melchisédek. In Genesis 14 wordt verteld hoe Abraham tienden betaalde aan Melchisédek de koning-priester van Salem. De traditie concludeert daaruit dat Melchisédek belangrijker is dan Abraham en dus ook dan Aäron, een nakomeling van Abraham. Dan is er nog maar weinig voor nodig om van Melchisédek de volmaakte hogepriester te maken, wel anders dan de onvolmaakte Aäron, die zich liet verleiden om voor de Hebreeën een godsbeeld te maken in de vorm van een gouden kalf (vgl. Ex. 32,2-4).
En van volmaakte priester wordt Melchisédek later in de gemeenschap van Qumran voorgesteld als een hemelse figuur, een messias en een rechter naast God. Vandaar dat de auteur van de Hebreeënbrief de woorden van Psalm 110 kon citeren en op Jezus toepassen: ‘Jij bent priester voor eeuwig, op de wijze van Melchisédek’. Dit eeuwig leven van Jezus ziet de auteur van Hebreeën ook bevestigd in Psalm 2 waar sprake is van de eeuwige zoon van God: ‘Mijn zoon ben jij, Ik heb je vandaag verwekt’. De auteur van Hebreeën stelt deze eeuwige hogepriester en zoon van God ten voorbeeld voor allen die gehoorzamen en zo evenals Jezus Gods redding ontvangen.

Evangelie: Johannes 12,20-33
De scène met de Grieken die Jezus willen zien is exclusief van Johannes. De andere evangelies vermelden die niet. Nu is de stijl van het vierde evangelie misschien wel de meest Griekse onder de evangelies, en dus is het niet zo verwonderlijk dat er juist Grieken komen om Jezus te zien. Dat wil niet zeggen dat het hier om heidense bezoekers van Jeruzalem gaat die nieuwsgierig zijn om wat ze over Jezus gehoord hebben. De evangelist Lucas schrijft in de Handelingen van de Apostelen over een bonte verzameling van Joodse gelovigen die zich tijdens het Sjavuotfeest in Jeruzalem bevonden (Hand. 2,9vv) en later vertelt hij nog dat er in Jeruzalem moeilijkheden waren tussen de gelovigen van Hebreeuwse en die van Griekse oorsprong. Die Grieken kunnen zeker mensen uit Griekenland geweest zijn, maar evenzeer uit de steden van de Dekapolis of andere streken van de diaspora. Eveneens is het mogelijk hier te denken aan Joodse, Grieks sprekende, gelovigen, proselieten of Godvrezenden die, hetzij in Jeruzalem woonden, hetzij daar waren ter gelegenheid van het aanstaande Pesachfeest (vgl. 12,1.20).               

Een pittoreske noot in de tekst is dat die Grieken zich eerst tot Filippus wendden, die op zijn beurt de hulp van Andreas inroept en hoe zij samen de zaak aan Jezus gingen voorleggen. Waarom die Grieken naar die ‘paardenliefhebber’ gingen, want dat betekent de naam Filippus, is niet duidelijk. Mogelijk omdat zijn Griekse naam de indruk wekte dat de apostel een Griek was met wie zij Grieks konden spreken. Het is curieus dat de evangelist niet vertelt of die Grieken ook werkelijk door Jezus ontvangen werden. Direct na de boodschap die Filippus en Andreas overbrachten richt Jezus zich tot die twee leerlingen met een soort toespraak die, zoals later blijkt, ook door andere omstanders werd gehoord.
Met deze toespraak is eindelijk het hoge woord er uit: ‘het uur is gekomen’. Verscheidene malen heeft Jezus in het Johannesevangelie gezegd dat zijn uur nog niet gekomen was (vgl. 2,4; 7,30; 8,20) en nu is dat dan eindelijk zover: het uur van de verheerlijking van de Mensenzoon. Hier gebruikt Jezus volgens Johannes de dubbelzinnige term ‘Mensenzoon’ die eenvoudigweg ‘ik’ kan betekenen, maar eveneens een verwijzing kan zijn naar de mysterieuze apocalyptische figuur uit het boek Daniël met wie Jezus zich, volgens de evangelist, identificeerde. Die verheerlijking is niet iets wat je direct zou verwachten want het blijkt een proces te zijn dat getekend is door ondergang: een stervende graankorrel, verlies van het leven voor wie zich daar aan vast klampt; dienen in plaats van zelfbeschikking. De verheerlijking gaat met pijn gepaard en het is daarom niet te verwonderen dat Jezus ontsteld is en de Vader om redding smeekt, iets wat hij volgens Johannes niet doet in de Hof van Olijven, zoals de synoptici vermelden.

Maar dan komt de bevestiging van die verheerlijking. Een stem uit de hemel verklaart: ‘Die heb ik al verheerlijkt en ook nu zal ik hem verheerlijken’. De originele Griekse versie heeft het over een fonè, dat ongetwijfeld ‘stem’ kan betekenen, maar algemener en ook vager is de betekenis ‘geluid’. Dat Griekse woord wordt ook gebruikt als vertaling van het Hebreeuwse kol, dat ook zoiets als ‘donder’ of ‘tumult’ kan betekenen. We horen dat terug in de reactie van de mensen die dat geluid interpreteren als donder of engelenspraak. Evenals God zich in de donder laat horen, zo ook zijn boodschappers de engelen. Johannes geeft hier een hemelse bevestiging over Jezus aan met dezelfde uitdrukking die de synoptici gebruiken in hun vertellingen over de doop van Jezus in de Jordaan (vgl. Mat. 3,17; Mar. 1,11; Luc. 3,22), maar vooral ook bij de verheerlijking op de berg in de aanwezigheid van Mozes en Elia (vgl. Mat. 17,5; Mar. 9,7; Luc. 9,35). Voor de omstanders was het niet zo duidelijk waar het om ging. De gebeurtenis behoeft dan ook een aanvulling en een vertaling die Jezus zelf geeft: ‘Niet voor mij heeft die stem geklonken, maar voor u’. De verheerlijking bestaat daarin dat de vorst van de wereld onttroond wordt, dat Jezus zelf verheven zal worden en allen naar zich toe zal halen, maar, nogmaals, dat zal gebeuren langs de weg van de dood.

 

Preekvoorbeeld

In de lezingen van vandaag wordt er een nieuwe richting aangegeven over wat echt en authentiek geloven zoal inhoudt. In de eerste lezing weerklinkt een boodschap van hoop. Israël bevindt zich immers op een dieptepunt in zijn bestaan. Het Rijk heeft opgehouden te bestaan als zelfstandige natie. En niet alleen de politieke onafhankelijkheid maar ook de religieuze tradities staan op barsten. Het oude Verbond dat God sloot met zijn volk lijkt niet meer te bestaan. Het is verworden tot een louter formeel ritueel. Het geloof wordt louter afgemeten aan de mate waarmee mensen de rituele verplichtingen naleven.

Jeremia echter kondigt aan dat het Verbond zal worden vernieuwd. En belangrijk, het zal worden gegrift in de harten van de mensen. Hier wordt het Hebreeuwse woord kerev gebruikt. In de Hebreeuwse mensvisie is dat de plaats waar zich de gevoelens, emoties, sentimenten en kennis worden gelokaliseerd. Het verbond en de Wet worden in de harten van de mensen neergeschreven.

En ook in de evangelielezing wordt een richtsnoer meegegeven van wat echt geloven inhoudt. Een groep Griekse pelgrims uit Betsaïda, een plaats waar Grieks werd gesproken, vragen aan Filippus om hen naar Jezus te brengen. Het is niet zonder betekenis dat er hier expliciet sprake is van Grieken. Het evangelie werd immers geschreven rond 100 na Christus. De evangelieschrijver wil hier blijkbaar een antwoord geven op de vragen die Grieken aan hem stelden tijdens deze periode.
Er lijken dus voor het eerst Grieken geïnteresseerd te zijn in Jezus en diens verhaal. En Johannes geeft hun antwoorden die in hun leefwereld niet gemakkelijk zijn om te aanvaarden.

Je zal sterven als een graankorrel, pas dan kan je leven vruchtbaar zijn. Dit was een heel moeilijke boodschap binnen de Griekse leefwereld. Vele Grieken vonden deze houding eerder verwerpelijk. De mens moest een zekere ethische grandeur hebben, verheven leven boven de woelingen van de wereld. De mens mocht niet slaafs onderworpen zijn, maar over zichzelf beschikken en zichzelf verheffen naar een hoger niveau.

De gedachte die in deze lezing naar voor wordt gebracht geeft echter een heel andere wijsheid mee. Wanneer je je krampachtig vasthoudt aan jezelf, leef je niet ten volle. Pas als je je leven met anderen deelt leef je dubbel. ‘Sterven als een graankorrel’ betekent dat je consequent, vanuit je aard, leeft voor anderen. Je leeft ten volle voor anderen. En op deze wijze kan je als individu stappen zetten naar een vruchtbare wereld. Een wereld waarin iedereen in het leven kan delen.

De gelovigen waarvoor Johannes dit evangelie schreef wisten dat Jezus gestorven was als een graankorrel. Ze waren er echter tevens van overtuigd dat dit sterven niet had geleid tot zijn definitieve dood. Het was een lijden geweest dat geleid had tot nieuw leven, tot een nieuwe gemeenschap, tot nieuwe hoop en tot een nieuw verbond.
Laat deze nieuwe hoop, dit nieuw verbond ook voor ons een richtsnoer zijn binnen ons eigen geloofsleven. Laten ook wij ons leven delen met anderen. Laten we leven als een graankorrel die sterft en zo nieuw leven geeft. Laat dat het verbond zijn dat we samen met God als een nieuwe wet in ons hart neerschrijven.

 

inleiding Gerard van Buul ofm
preekvoorbeeld drs. Eric Joris

 

webdesign: Artis