18 november 2018
Drieëndertigste zondag door het jaar

Lezingen: Dan. 12,1-3; Ps. 16; Heb. 10,11-14.18; Mar. 13,24-32 (B-jaar)

 

Inleiding

Bedoeld als bemoediging

Weerbarstige en moeilijk te doorgronden teksten zijn het die de kerkgangers tegen het einde van het kerkelijk jaar voorgehouden worden. Of misschien is weerbarstig ook weer niet het goede woord en zijn het eerder teksten die ons de adem benemen of die als verontrustend over kunnen komen. Wég uit onze ‘comfort zone’! Apocalypse Now! We vragen ons misschien in gemoede af: wat moeten we hier nu mee? Het kan toch niet zo zijn dat we bang gemaakt moeten worden opdat wij ons met een bang en angstig hart tot God zouden wenden? Ook in deze teksten, geloof het maar, komt het Woord van God tot ons als bemoediging en troost! Het is zoeken naar aanknopingspunten en herkenningstekens. Waar raken deze woorden aan ons bestaan? En hoe benauwend zijn die teksten nu wérkelijk? Laten we ook deze teksten maar bevragen op hun zeggingskracht in het hier en heden.

Daniël 12,1-3 – Opstandingsgeloof
Vrij algemeen is de opvatting dat het boek Daniël – geschreven omstreeks het midden van de tweede eeuw vóór het begin van de jaartelling ten tijde van de Makkabeese opstand – bestaat uit twee gedeelten van elk zes hoofdstukken. In het eerste deel (Dan. 1-6) lezen we het min of meer historische relaas over het verblijf van het tweestammenrijk in Babel. In 586 vóór het begin van de jaartelling werden de stammen Juda en Benjamin in ballingschap weggevoerd. Koning Nebukadnessar deporteerde het volk van Juda naar het verre en vreemde Babel. De profeet Jeremia heeft ze zien wegvoeren. In lange, onafzienbare rijen trokken ze in oostelijke richting. Nebukadnessar had ook enkele aanzienlijke jonge mannen meegevoerd, namelijk Daniël en zijn drie vrienden, Hananja, Misaël en Azarja. In dit eerste deel worden verder ook verschillende gebeurtenissen verhaald over het volk in ballingschap.
           
De eerste lezing is genomen uit tweede gedeelte van het boek (Dan. 7–12), het gedeelte dat een sterk apocalyptisch karakter draagt met profetieën over de eindtijd. In de vorm van een visioen getuigt de profeet over beslissende gebeurtenissen die weldra zullen plaatsvinden. In dat verband komt de vraag aan de orde wat het uiteindelijk lot is van allen die in de strijd tegen de onderdrukking gedood werden of die aan de martelingen bezweken waren. Is er nog een toekomst voor hen? In dit verband is er dan sprake van een geloof in de opstanding uit de dood.
            Er zijn niet zoveel plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel waar het opstandingsgeloof zó expliciet en uitgesproken onder woorden gebracht wordt. Het is ook algemeen bekend dat het opstandingsgeloof in de Bijbel van relatief jonge datum is. Er is wel eens naar voren gebracht dat de metafoor van de opstanding deel uitmaakte van de Baäl-mythologie en dat er daarom in Israël een langdurig verzet heeft bestaan tegen het geloof in leven na de dood. In ieder geval was het nooit een uitgemaakte zaak.
            In 2 Makkabeeën 7 lezen we het verhaal over een moeder die ook in de periode van de Makkabeese opstand zeven zonen ter dood ziet brengen. Zij houdt hen voor dat de opstanding der doden de beloning voor het martelaarschap zal zijn. Uiteindelijk stierf ook zijzelf de marteldood. De lezing uit Daniël 12 met het getuigenis over een leven na de dood heeft eveneens betrekking op de strijd van de Makkabeeën tegen de onderdrukking en de terreur.

Psalm 16
Kenmerkend voor het genre van de apocalyptiek is de hoop op leven na de dood en de uiteindelijke verhoging van de rechtvaardigen tot heldere sterren. De laatste verzen van Psalm 16 sluiten naadloos aan bij precies deze gedachte. In het boek Handelingen komt deze psalm ter sprake in het kader van een beschouwing van Jezus’ opstanding uit de dood, met name in Petrus’ toespraak op de dag van Pinksteren (2,14-40).

Marcus 13,24-32 – Begrijp me goed...
Het gedeelte uit Marcus 13 maakt deel uit van de zogeheten ‘apocalyptische rede’ als het antwoord van Jezus op de vraag van de vier intimi (13,3v): Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we herkennen dat het zover is? In apocalyptische teksten wordt gerefereerd aan situaties van dreiging en uitzichtloosheid, zoals ook in de eerste lezing. Bijna altijd wordt er een zekere spanning tot uitdrukking gebracht: hoe zal dit alles aflopen, waar draait dit allemaal op uit? Die spanning is voelbaar in de toonzetting en in de beelden die gebruikt worden.
            We lezen in 13,24 allereerst over het verduisterd worden van de zon, de maan en de sterren. Er zal verwarring zijn en ongerustheid – allemaal angstaanjagende tekenen. Maar opgelet! Je staat op het verkeerde been wanneer je dit allemaal letterlijk opvat. Zoals profetie niets te maken heeft met toekomstvoorspelling of met een glazen bol, zo geldt dat ook voor apocalyptische teksten. Het gaat hier niet om een feitelijke beschrijving van toekomstige gebeurtenissen, het gaat veel meer om de duiding van wat er gaande is. Teksten als deze vertellen over de situatie van mensen die in een adembenemende en spannende tijd leven, in een tijd van ‘erop of eronder’.
            Hoe vreemd het misschien ook klinkt, maar er steekt een troostrijke bedoeling achter. De woorden beogen mensen die vervolgd en onderdrukt worden te bemoedigen door het naderend einde aan te kondigen van alle gruwelijkheden. Het zal allemaal voorbij gaan: geweld, onderdrukking, vervolging. Er komt hoe dan ook een einde aan. Die overtuiging wordt hier feitelijk onder woorden gebracht. En die tijd wordt ingeluid door de komst van de Mensenzoon op de wolken, een beeld dat onmiskenbaar verwijst naar Daniël 7,13 als een verbindende schakel! Apocalyptiek gaat uit van deze gedachte: God zelf zal door actief in te grijpen een einde maken aan de verwording en de ontaarding van deze wereld. Hij zal ópkomen voor de verdrukten die zó geen leven hebben, voor allen die gebukt gaan onder het geweld en de terreur van deze wereld. Heer en meester van de geschiedenis is God zelf. Hij zal niet toelaten dat geweld en onderdrukking het laatste woord hebben. En zijn trouw reikt over de grens van de dood heen, want er zál een toekomst zijn voor alle slachtoffers van de geschiedenis.

Kwestie van uithouden
Jezus spreekt zich in deze rede uit over alles wat te gebeuren staat en over de wederkomst van de Mensenzoon. De tekst zoals die nu in het evangelie gevonden wordt, is als bekend gekleurd door de historische gebeurtenissen rond het jaar 70, de verwoesting van Jeruzalem en de tweede tempel door de Romeinse legers en mogelijk ook nog door de christenvervolgingen elders in het Romeinse Rijk. Dat waren angstaanjagende gebeurtenissen in een benauwende tijd.
            De jonge kerk, en daarbinnen Marcus als evangelieschrijver, heeft deze voorvallen in verband gebracht met de woorden van Jezus over het einde van alles. Met die woorden had Jezus zonder twijfel de bedoeling om zijn toehoorders moed in te spreken, zeker niet om hen angst aan te jagen over wat er ging gebeuren. Hij wilde hen immers bevrijden van angst en moedeloosheid door hen te bemoedigen. Wat er ook gebeurt, hoe groot de verschrikkingen ook zullen zijn, weet wél dat er een einde aan komt en dat het niet blijft duren... Besef het goed: niet de bedrijvers van het onrecht zijn heer en meester van de geschiedenis, niet zij die geweld en onderdrukking veroorzaken hebben het laatste woord. Voor allen die het nog uit moeten houden in deze wereld die zo ver verwijderd is van God bedoelingen, voor hen geldt dit woord van troost en bemoediging, maar óók van aansporing en vermaning: leef in gerechtigheid, laat je blazoen niet bezoedeld raken door het welig tierende onrecht in de wereld om je heen. Waakzaamheid is voor alles geboden, denk aan de les van de vijgenboom! Het is zaak om de tekenen van de tijd te herkennen. Blijf in alles gericht op het goede, op wat God met je voorheeft in deze wereld. Laat je niet verleiden door de zuigkracht van de boze en laat je ook niet meesleuren in de neerwaartse spiraal van kwaad tot erger.

 

Preekvoorbeeld

We naderen weer het einde van het liturgisch jaar. Volgende week de laatste zondag van dit kerkelijk jaar, het feest van Christus Koning. Vandaag gaat het in het Evangelie over de dingen van de laatste dagen, waaraan de evangelist Marcus zijn hele dertiende hoofdstuk wijdt. Jezus komt de tempel uit waar hij de loftrompet heeft gestoken over een arme weduwe die al waar ze van leven moest in de offerkist had geworpen. Nu gaat Jezus met zijn leerlingen in de richting van de Olijfberg. Van daaruit had je een werkelijk schitterend uitzicht over het tempelcomplex. De leerlingen zijn iedere keer weer getroffen door die ongelofelijke constructie en één van hen zegt: Meester, kijk eens wat een stenen en wat een gebouwen! (Mar. 13,1)
           Wíj zullen dat nooit meer met eigen ogen kunnen zien omdat de tempel door de Romeinen compleet verwoest is op één muur na, de westelijke muur, ook wel de Klaagmuur genoemd, omdat dit dé plaats is waar de joden de ondergang van de tempel betreuren. Wíj zullen nooit meer kennis kunnen nemen van een staaltje architectuur dat in de geschiedenis nauwelijks overtroffen is. In de Talmoed (een joods geschrift) staat: Wie het heiligdom in al zijn pracht nooit heeft gezien, weet niet wat de weelderigheid van een gebouw kan zijn.

Jezus onderbreekt de gedachten van zijn leerlingen op een haast ruwe manier door hen te vertellen dat er van deze prachtige tempel geen steen op de andere zal blijven staan. De leerlingen kunnen zich dat met de beste wil van de wereld niet voorstellen. Wanneer Jezus en zijn naaste vrienden bij elkaar zijn, vragen ze hem wannéér dat dan te gebeuren staat. En dan begint Jezus over de verschrikkingen van de laatste dagen. Wij vallen vandaag midden in dat gesprek. Nadat Jezus het gehad heeft over de verschrikkingen die Jeruzalem zullen treffen, schildert hij kosmische gebeurtenissen: De zon zal verduisteren en de maan zal geen licht meer geven; de sterren zullen van de hemel vallen en de hemelse heerscharen zullen in verwarring raken. En hij voegt er aan toe: Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken met grote macht en heerlijkheid (Mar. 13,24vv). Een apocalyptisch beeld dat herinneringen oproept aan de films over de Vietnamoorlog zoals Apocalypse now. Jezus gebruikt in zijn verhaal de typische taal van de apocalyptische traditie in het jodendom en spreekt over een kosmische ondergang, de vernietiging van het planetaire stelsel.

Een ander voorbeeld uit deze traditie is de profeet Daniël die wíj voornamelijk kennen van de leeuwenkuil waarin hij de nacht moest doorbrengen. Hij zegt in de eerste lezing van vandaag: Het zal dan een tijd van nood zijn zoals er eerder nog géén is geweest sinds er volken zijn. Maar al degenen van uw volk die in het boek staan opgetekend zullen in die tijd worden gered (Dan. 12,1). Toch wil de heilige Schrift geen beeld schetsen waarbij de aarde eerst totaal vernietigd moet worden vóórdat God komt die alles ten goede keert. Nee, God komt niet pas te voorschijn wanneer alles kapot is, hij neemt geen afstand van zijn eigen schepping. In het boek Apokalyps (ook wel genoemd het boek Openbaring van Johannes) lezen we: Gij hebt het heelal geschapen: door uw wil ontstond het en werd het geschapen (Apok. 4,11). In de Bijbel gaat het veel meer om een níeuwe schepping en een nieuwe stad zoals die op de laatste bladzijden van het boek Apokalyps wordt beschreven: En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en de zee bestond niet meer. En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, van God uit de hemel neerdalen, gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid (Apok. 21,1v).

Jezus heeft het over de laatste dagen, maar zegt ook dat déze generatie het allemaal nog zal meemaken. Een raadselachtige uitspraak, die de hele geschiedenis door voor verwarring heeft gezorgd. Ook een heilige als Bonifatius meende weinig tijd te hebben om mensen tot het christendom te bekeren: het einde was immers nabij! Jezus gebruikte in zijn prediking woorden die dat op zijn minst suggereerden: Weet dat het einde nabij is, ja voor de deur staat (Mar. 13,29).
            Het is een manier van zeggen die we vaker tegenkomen in de Bijbel en die maar één doel heeft: God ként ons mensen maar al te goed. Hij weet dat we eeuwig geneigd zijn tot uitstel van wat heel erg nodig is. Ik heb zelf een bijbels motto: Laat de zon niet ondergaan over je boosheid (Ef. 4,26b). Helaas moet ik toegeven dat ik me daar soms niet aan houd, maar dat voelt dan absoluut niet goed. Leven alsof het einde voor de deur staat, zoals mensen doen die van hun artsen het doodvonnis hebben gekregen en nog maar kort te leven hebben. Dat houdt in dat je het goed maakt met de mensen om je heen, dat je eerlijk kijkt naar jouw relatie met God ook. Het einde staat immers voor de deur. Het is de Heer die bij ons aanklopt en vraagt om te worden binnengelaten. Niet ooit een keer, later, maar nú: zó mogen we leven!
           Het einde van de wereld mag elke dag komen. Elke dag mogen we een eind maken aan een stukje van de boze wereld. Niet de schepping van God maar door de mensen gecreëerd, nog altijd! We worden uitgenodigd om de goede toekomst voor ogen te houden. Het einde van de wereld is geen grote ramp, maar de komst van de heilige stad die uit de hemel neerdaalt, het begin van een nieuw paradijs. Terug naar wat van meet af de bedoeling was: naar die plaats waar mens en dier in vrede leven met hun God. Geen schrikbeeld dus, maar een visioen waaraan we elke dag opnieuw mogen werken! Wíj, zélf!

 

inleiding drs. Harry Tacken
preekvoorbeeld Paul Verheijen

webdesign: Artis