18 april 2019
Witte Donderdag

Lezingen: Ex. 12,1-8.11-14; Ps. 116; 1 Kor. 11,23-26; Joh. 13,1-15 (C-jaar)

 

Inleiding

 

Exodus 12,1-14
Het pesachmaal van de Hebreeuwse slaven in Egypte moet gezien worden als onderdeel van een door Mozes – op instigatie van God – in gang gezet bevrijdingsproces. Hierbij werden, onder andere, rituelen gebruikt afkomstig uit de godsdienstige praktijken van herders die Mozes, mogelijkerwijze, had leren kennen tijdens zijn verblijf bij zijn schoonvader Jetro in de woestijn van Midjan. Door die rituelen zochten de herders bescherming te verkrijgen van de godheden en zekerheid voor zichzelf, hun families en hun kuddes. Het is daarom niet verwonderlijk dat Mozes op gelijksoortige praktijken terug valt wanneer de situatie van de Hebreeën in Egypte het absolute tegengestelde van geluk, vrijheid en zekerheid is. In de bijbelse traditie is dat pesachmaal in Egypte het begin geworden van het ontstaan van Israël als volk, niettegenstaande het feit dat het in werkelijkheid een generatielang proces is geweest. Het ritueel van dat pesachmaal is voor Israël van de ene kant een bede om Gods aanwezigheid, garantie van geluk en vrijheid, en van de andere kant de uitdrukking van het geloof dat de Heer zijn volk uit situaties van slavernij, onvrijheid en ongeluk bevrijdt.
Enkele elementen in de vertelling van Exodus verdienen de aandacht.

De families moeten een lam slachten als erkenning van Gods redding en als teken van onderlinge solidariteit door gezamenlijk van het vlees te eten. Een oude traditie zegt zelfs dat iedereen minstens een stuk van het lamsvlees ter grootte van een vijg moet eten; dus veel meer een symbolische handeling dan het deelnemen aan een maaltijd. Later in de geschiedenis werd het pesachlam gezien als een offer aan JHWH, en het moest dan ook ritueel geslacht worden in de tempel van Jeruzalem. Na de vernietiging van dat heiligdom wordt het pesachlam niet meer gegeten tijdens de sedermaaltijd. Alleen de kleine Samaritaanse gemeenschap op de berg Gerizim houdt vast aan het slachten van het pesachlam aangezien zij de tempel van Jeruzalem niet erkennen.
            Het bloed van het lam moet op de deurposten gesmeerd worden. In de oude herdersrite werd het bloed van offerdieren op de tenten gestreken om kwade invloeden te bezweren, of zoals in het Akkadisch Pasen (pasahu) betekent ‘de godheid gunstig stemmen’. Exodus brengt deze bloedritus in verband met de doodsengel die de Egyptenaren zal gaan treffen, maar de huizen van de Hebreeën voorbijgaat (pesach), waardoor Gods goedgunstigheid voelbaar wordt. Zo wordt het bloed een zichtbaar teken van leven zoals dat ook later op verschillende wijzen in de joodse rituelen en op symbolische wijze in de christelijke Eucharistie worden toegepast.                           
            Gedurende zeven dagen moet men zich onthouden van gezuurd of gedesemd brood en ongezuurd brood eten. Bij de bereiding van het brooddeeg werd telkens een kleine hoeveelheid apart gehouden, die dan later bij een nieuwe aanmaak van het deeg gebruikt werd om het brood te laten rijzen. Oud, en in zekere zin verlopen, deeg als gistingsproduct. Het nieuwe leven in vrijheid werd uitgedrukt door het eten van brood waarin dat oude zuurdeeg niet verwerkt was. Het zuurdeeg wordt daarom in de Bijbel vaak voorgesteld als verderfelijk, eventueel de verderfelijke kant van iemand (vgl. zuurdeeg van Herodes of van de Farizeeën).
            Verder moet het pesachmaal gegeten worden in de ‘eerste maand van het jaar’ (lente), de tijd waarop in de natuur het nieuwe leven inzet, omdat de bevrijding uit de slavernij voor de Hebreeën eveneens het begin van nieuw leven betekende.

1 Korintiërs 11,23-26
In deze tekst hebben we de oudste bijbelse vermelding van het Laatste Avondmaal. Paulus schrijft hier dat hij deze gegevens direct van de Heer overgeleverd had gekregen. Het is niet duidelijk hoe we dit precies moeten verstaan. Meer dan waarschijnlijk gaat het hier om een overlevering in christelijke kringen die teruggaat op de leerlingen die aanwezig geweest waren bij die laatste maaltijd van Jezus. Onder bepaalde groepen christenen was een praktijk ontstaan van brood breken, en waarschijnlijk eveneens van het drinken uit de beker, al of niet tijdens een gezamenlijke maaltijd. Ook in Korinte was dat het geval. Daar was echter een probleem ontstaan doordat de rijken zich weinig gelegen lieten liggen aan de armen in de gemeenschap. Met deze situatie voor ogen bekritiseert Paulus het gedrag van de Korintische gemeente (vv. 17-22). Binnen deze context haalt Paulus nu de overlevering aan met betrekking tot de oorsprong en ware betekenis van de gezamenlijke broodbreking.
            In tegenstelling tot de evangelisten Matteüs en Marcus heeft Jezus, volgens Paulus, tijdens het Laatste Avondmaal zijn leerlingen gevraagd zijn handeling te herhalen om hem te gedenken. Ook Lucas vermeldt dit verzoek van Jezus. Dus ook wat betreft dit element hebben we hier te doen met een traditie in, tenminste bepaalde, christengemeenten, door Paulus gekwalificeerd als een ‘overlevering ontvangen van de Heer’.
            Onder de vele soorten van interpretaties van de woorden van Jezus hier door Paulus weergegeven, verdient die gedachtenis een bijzondere aandacht. Dat het niet gaat om het simpele denken aan iets dat in een ver verleden gebeurd of gezegd is leert ons ook de praktijk tijdens de joodse sedermaaltijd. Volgens de hagadische traditie moet op een bepaald moment de jongste zoon vragen waarom de familie eigenlijk die maaltijd viert. Daarop moet de vader antwoorden ‘wij waren slaven in Egypte, maar jhwh heeft ons naar de vrijheid geleid’. Markant is dat die huisvader, ofschoon hij en zijn gezin meer dan waarschijnlijk nooit van hun leven in Egypte zijn geweest, zegt ‘wij’ waren slaven in Egypte, en niet alleen maar onze verre voorouders. De Joden brengen op deze wijze de geschiedenis in de actualiteit, en dat zullen ze blijven doen zolang de sedermaaltijd gevierd wordt. In de Eucharistie is het eten van het brood en het drinken uit de beker eveneens het nabij brengen of present stellen van Jezus’ geste tijdens het Laatste Avondmaal. In het delen, het eten en drinken van brood en wijn, drukt de christengemeente uit dat Jezus onder haar aanwezig is, zoals hij aanwezig wilde blijven onder zijn leerlingen.
            Wanneer, volgens Paulus, de gemeente dat delen en samen eten en drinken niet voor ogen houdt, is de Heer niet aanwezig en vervormt zij de ritus tot een dode handeling, het tegenovergestelde van de levende aanwezigheid van de Heer onder hen.

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Johannes 13,1-15
Vijf hele hoofdstukken besteedt Johannes aan hetgeen Jezus gezegd en gedaan heeft tijdens het Laatste Avondmaal. In de vertelling van Johannes staan we voor de prelude van de apotheose van het evangelie: de uiteindelijke en totale verheerlijking van de Zoon door de Vader. Echter, in deze vertelling ontbreekt dat wat bij de andere evangelisten het centrale moment was en waarover ook Paulus schrijft in zijn brief aan de Korintiërs, namelijk dat Jezus brood en wijn aan zijn leerlingen geeft terwijl hij zegt ‘zo ben ik voor jullie’, of ‘zo moeten jullie mij gedenken’. De meest markante geste van Jezus tijdens die laatste maaltijd was volgens Johannes het feit dat hij de voeten van zijn leerlingen waste. Jezus, de Meester, de Zoon van God, de belangrijkste, maakt zich onbelangrijk zoals een slaaf die de voeten wast van voorname gasten. Maar Jezus wast de voeten van onbelangrijke vissers en handwerkslieden uit Galilea die hij op deze manier belangrijk maakt. Jezus zet hier de wereld op zijn kop. In zijn brief aan de christengemeente van Filippi schrijf Paulus:
            ‘Christus die bestond in de gestalte van God, heeft er zich niet aan willen vastklampen gelijk aan God te zijn. Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen’ (Fil. 2,7).
            Natuurlijk was zo’n voetwassing een kwestie van hygiëne. Tijdens feestmaaltijden lagen de gasten op een soort divans of eenvoudigweg op matten, waarbij de voeten van de een soms dicht in de buurt van de neus van een ander terecht kwamen. Maar de Schriftgeleerden interpreteerden die wassing ook op een religieuze wijze, en Jezus doet dat eveneens: tegelijk met de voeten werd er een algehele reiniging voltrokken, of zoals Jezus tegen Petrus zegt: ‘wie gebaad heeft, hoeft alleen nog maar zijn voeten te wassen; hij is al helemaal rein.’ Tijdens het Laatste Avondmaal zegt Jezus, volgens Paulus, bij brood en wijn: ‘Doe dit ook zo en herinner je mij’ en volgens Johannes bij de voetwassing: ‘Doe net zoals ik nu gedaan heb’, en dat betekent in beide gevallen: ‘Deel je leven met elkaar en dien elkaar zoals ik dat ten opzichte van jullie heb gedaan’.

 

Preekvoorbeeld

De icoon van de voetwassing toont Jezus in een grote zaal, de mouwen opgestroopt, wachtend tot hij zijn leerlingen de voeten kan wassen. Eentje begint voorzichtig zijn schoen los te maken. Ze aarzelen duidelijk.
Zijn wij vanavond bereid ons de voeten te laten wassen? Het is een bijzonder gebeuren op een bijzondere avond!

De voetwassing gebeurt op de pesachavond, als de lammeren in tempel worden geslacht. Dat is een bijzonder moment, want jaarlijks vieren Joden hun bevrijding door ritueel een lam te eten, men moest minstens een stuk vlees eten ter grootte van een vijg! Later zag men in het pesachlam ook een offer aan God, daarom slachtte men de lammeren in de tempel, daar kon geofferd worden. Na de verwoesting van de tempel is het slachten gestopt en staat er op de tafel van het Joodse pesachmaal naast de wijn alleen een schotel gevuld met matzes, bittere kruiden, een ei en een bijna kaal botje. Dat zijn de ingrediënten om het verhaal van bevrijding te kunnen vertellen. Dat verhaal hoorden we net, het vertelt over het bloed van het lam dat aan de binnenzijde van de deurposten gesmeerd moest worden, u hoort het goed, aan de binnenzijde!, want het was een teken voor de bewoners en niet voor anderen. Teken dat God werkelijk zal bevrijden!

Elders in het evangelie zegt Johannes dat Jezus het lam Gods is, dat geslacht moet worden tot redding van alle mensen. Wij zeggen voordat we de communie ontvangen ‘Zie het lam Gods’.
Vandaag vertelt het evangelie wat Jezus doet voordat hij als een lam aan het kruis geofferd wordt. Hij wast zijn leerlingen de voeten!
Normaal wassen slaven of knechten de voeten van de hoge gasten. Jezus hun meester zet hier de wereld op zijn kop. Zoals hierna de wereld op zijn kop wordt gezet als de Messias aan een kruis geslagen wordt.
De eerste zin van het evangelie vandaag zegt: Jezus wist dat zijn tijd gekomen was, dat hij zou terugkeren naar de Vader, door de weg te gaan door de dood heen, door zijn liefde te geven tot het uiterste.
Dus deze weg overkomt Jezus niet, overvalt hem niet – hij weet het en hij kiest voor deze weg! Hij hoopt dat het een weg ten leven is voor alle mensen.
            Jezus’ keuze vieren we vandaag. Door de eucharistie en door voeten te wassen.
Deze voetwassing is dus niet alleen een nette wijze van gasten ontvangen, maar is een ritueel dat heel ons leven aangaat. Het gebeurt ‘tijdens’ de maaltijd. Raar is dat hè! Dat Jezus midden onder het eten opstaat. Hij doet een schort voor! Nu heeft hij ‘dienst’.
De voetwassing is als het ware het hoofdgerecht voor de leerlingen.
Daarna gaat hij weer zitten. De maaltijd gaat verder, maar ánders :
‘Ik heb jullie het voorbeeld gegeven; je moet doen wat ik voor jullie heb gedaan.’
Het voorbeeld houdt in dat hij de Heer is, juist door hun dienaar te zijn! De wereld op zijn kop! Voortaan zullen zijn leerlingen niet heren en meesters, maar dienaren van elkaar zijn.
‘Als je elkaar niet dient, dan hoor je niet bij mij’, staat er. In deze wereld op zijn kop worden we uitgenodigd om als Jezus dienaar van elkaar te zijn! Dat is de kern van ons geloof.
We zijn uitgenodigd om door de knieën te gaan en de minste te worden.
            Lukt ons dat? In onze dagelijkse relaties? In deze kring van mensen? We proberen hier een gastvrije parochie zijn. Zijn we gastvrij? Als je hier komt heb je dan het gevoel welkom te zijn? Merk je dat je gezien wordt, dat er oprechte aandacht is? Zie je dat gebaar, kom erbij, blij dat je er bent?
Gastvrijheid? Kun je dat leren? Dat mag je toch hopen. Als kerkgemeenschap, maar ook als mens. Maar het is ermee als met zoveel dingen in het leven. Je kunt het pas leren als je het eerst zelf ervaren hebt. Je kunt pas iets doorgeven als je het zelf ontvangen hebt. Daarom is de beste leerschool voor gastvrouwen of heren dat ze eerst zelf op een vreemde plek leren om gast te zijn. Dat helpt voorkomen dat je jezelf boven die ander stelt.

Wie hier eucharistie viert verplicht zich dus om dienaar te worden, om door de knieën te gaan.
Wie hier dit uur zijn hand ophoudt en het brood van Jezus deelt, die zegt daarmee dat hij zich de voeten wil laten wassen door de Messias, dat jij jezelf wilt laten aanraken door de mens die aan je deur klopt, dat je wilt delen totdat er genoeg voedsel is voor alle mensen.
Jezus is dienstbaar geworden als een lam tot op het kruis. Dat bleek een weg ten leven!
Betekent dat ook leven voor jou op jouw weg? Als verdriet, ziekte of onheil op jouw weg komen, dan mag je toelaten dat anderen jou helpen en steunen, en tegelijk kun je door de knieën gaan en zien hoe je anderen van dienst kan zijn. Zo doende zullen ook wij een weg ten leven vinden. Daar waar liefde is, daar is God!

 

inleiding Gerard van Buul ofm
preekvoorbeeld drs. Paulus van Mansfeld

webdesign: Artis