17 september 2017
Vierentwintigste zondag door het jaa
r

Lezingen: Sir. 27,30–28,7; Ps. 103; Rom. 14,7-9; Mat. 18,21-35 (A-jaar)

 

Inleiding

In de jaren dertig van de tweede eeuw vóór de huidige jaartelling besloot een vrome Jood een boek van zijn grootvader, Jezus Sirach genaamd, te vertalen van het Hebreeuws naar het Grieks. Hij leidt zijn werk aldus in: ‘Door de Wet en de Profeten en door de anderen die na hen zijn gekomen, zijn ons vele en grote gaven geschonken… Mijn grootvader, Jezus, die zich diepgaand had beziggehouden met het lezen van de Wet, de Profeten en de andere boeken van onze vaderen…, is er zo toe gekomen ook zelf iets te schrijven dat wijsheid en lering kon verschaffen. Hij hoopte dat de belangstellenden ook van dit geschrift kennis zouden nemen en steeds meer vorderingen zouden maken in het leven volgens de Wet.’

Dit boek van Jezus Sirach, dat niet behoort tot de canon van de Hebreeuwse Bijbel, komt wel voor in de Griekse Septuagint. Via deze weg is het ook in de christelijke traditie binnengekomen, waar het ook bekend werd als Ecclesiasticus, wat vrij vertaald ‘kerkboek’ betekent. 
De tekst uit Sirach en de perikoop van Matteüs van deze zondag lijken een soort tweelinglezingen te zijn. In beide gaat het over de omgang met onrecht, schuld en vergeving. Sirach nodigt op het eind van zijn boek de onwetenden of onervaren mensen uit om bij hem in de leer te komen. De evangelist ontwikkelt het thema van schuld en vergeving in de vorm van een parabel, volgens de evangelisten eveneens een type onderricht bestemd voor onwetenden.

Sirach 27,30–28,7
Als een echte wijsheidsleraar begint Sirach in deze tekst met een stelling: wrok, rancune en wraak zijn iets afschuwelijks, kenmerken van de zondaar die niet handelt volgens de voorschriften van de Schrift. Immers, de Thora vraagt geen wraak te nemen op een volksgenoot en geen wrok tegen hem te koesteren (vgl. Lev. 19,18), want alleen aan God komen de wraak en de vergelding toe (Deut. 32,35). Zij die uit zijn op vergelding zullen zelf de goddelijke wraak en gerechtigheid aan den lijve ervaren zoals de twee eerste verzen aangeven.
Maar God is niet alleen een God van vergelding; hij is ook een God van genade, van genezing, heil, vergeving en verzoening zoals de schrijver zegt in de volgende verzen. Wie Gods genade zoekt moet weten dat dit tegelijkertijd een eis is om zijn medemens te vergeven. Sirach zegt dat niet in de vorm van een bevel maar door middel van enkele retorische vragen in de verzen 3 tot 5. Het antwoord op al deze vragen is ondubbelzinnig negatief. 
Maar als een ware leraar zet Sirach zijn lezers ook nog op andere wijze aan tot nadenken en probeert hij hen tot het onderhouden van de geboden van de Thora aan te zetten. Hij doet dat op twee manieren. De eerste kan tamelijk negatief of angstaanjagend over komen: denk aan het einde, aan de ondergang en de dood (v. 6). De tweede manier lijkt positiever: denk aan de geboden en aan het verbond met de Allerhoogste (v. 7). Hier zien we hoe hij dood en leven tegenover elkaar zet om zijn lezers aan te moedigen geen rancune tegen de medemens te koesteren. Een oppervlakkige lezing van deze perikoop zou kunnen leiden tot de conclusie dat de auteur zich op moralistische wijze tot zijn lezers richt. Juist daarom is het laatste vers van deze perikoop belangrijk. Het gaat hem vóór alles om het leven volgens het Verbond. Daarin schuilt volgens Sirach de ware wijsheid. Zijn oproep om aan de ondergang en de dood te denken is geen bangmakerij maar uitdrukking van de ‘vreze des Heren’, die het begin is van alle wijsheid (Sir. 1,14). Deze wijsheid komt van de Heer en is bij hem tot in eeuwigheid (Sir. 1,1). Hier komt een overtuiging naar voren die de goddelijke wijsheid identificeert met Gods geest waardoor alles geschapen is.

Romeinen 14,7-9
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 18,21-35
Bij de parabel in deze perikoop moeten we in het oog houden dat we te doen hebben met een vertelling die streng verweven is met de wijsheidsliteratuur. Bijna zou je kunnen zeggen dat het een soort enscenering van wijsheidsuitspraken is. Deze idee komt zeker naar voren als we deze evangelietekst naast die van Sirach leggen. In beide teksten komen als het ware drie acteurs voor: de heer, de eerste medemens of dienaar en de tweede medemens of dienaar. En juist door deze enscenering kan de parabel soms behoorlijk provoceren en de toehoorder of lezer aan het denken zetten. Dat zien we al wanneer we horen dat de koning zo’n tienduizend talenten uitgeleend had aan zijn dienaar. Het gaat daar om een astronomisch bedrag dat die man nooit van zijn leven op zal kunnen brengen. En dat is misschien nog tot daar aan toe, maar dat die koning dat helemaal kwijt schonk is iets wat alle verwachtingen te boven gaat. Zulk soort dingen gebeurt niet. De houding van die dienaar ten opzichte van zijn collega is normaler. Zoiets zien we regelmatig gebeuren: mensen raken door de meest verschillende oorzaken in de schulden en komen daar niet meer uit. En dan beginnen de afpersing en de chantage.

Het is belangrijk op te merken dat Jezus het Godsrijk tekent als een totale kwijtschelding, een vrij zijn van de drukkende last van schuld en/of zonde, bevrijding van afpersing en chantage. Voor de toehoorders van Jezus moet dat een hart onder de riem zijn geweest. Het leven van de arme Galileeërs werd aan alle kanten door schulden beheerst: bij burgerlijke en religieuze autoriteiten, bij werkgevers, tollenaars en ander soort afpersers. Het is niet voor niets dat volgens Matteüs Jezus in het Onze Vader zijn leerlingen leert bidden om vergeving van schulden (Mat. 6,9-13). In het eerste deel van dat gebed wordt de Vader gevraagd dat zijn koninkrijk kome en zijn wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Hier staat de hemel model voor een situatie die op aarde gerealiseerd moet worden. Bij de bede ‘Vergeef ons onze schulden zoals ook wij hebben vergeven wie schulden bij ons heeft,’ staat de aarde model voor de hemel.          
Waar schulden niet vergeven worden hebben we te maken met een tegen-rijk. Ook dit laat Jezus op plastische wijze zien in de parabel door te verhalen van de dienaar aan wie al zijn enorme schulden werden kwijt gescholden maar die niet bereid was zijn collega een klein bedrag kwijt te schelden. Het eigene van parabels is juist dat ze aandacht vragen voor het ongewone, soms zelfs absurde en op die manier de toehoorder of lezer uitdagen om over het vertelde na te denken en zich een beeld te vormen van het Godsrijk of van situaties die het tegenovergestelde van dat Godsrijk zijn.
De evangelist en zijn gemeente(n) zijn zich daar terdege van bewust geweest toen ze deze parabel geplaatst hebben in de context van een gesprek tussen Jezus en Petrus over de noodzaak van vergeving. De vraag van Petrus of die vergeving tot zevenmaal gedaan moest worden is geen kwestie van een minimum waar Jezus dan het juiste aantal tegenover zet. Het heilige getal zeven komt in het Matteüsevangelie verscheidene malen voor. En evenals de koning uit de parabel het onmetelijke bedrag kwijt scheldt, gaat het in het antwoord van Jezus om het onmetelijk aantal keren dat vergeving nodig is om een uitdrukking te zijn van de aanwezigheid van het Godsrijk.
Het feit dat de koning of de hemelse Vader op het eind geen vergeving schenkt en zijn dienaar overlevert aan de beulen kan op het eerste gezicht in tegenspraak zijn met het begin van de vertelling. Het is echter veeleer een bevestiging van het tegen-rijk dat ontstaat door de houding van harteloze mensen. Immers, volgens de joodse traditie wordt wel de menselijke schuld ten opzichte van God vergeven door de Grote Verzoendag, maar de schulden tussen mens en mens worden niet door de Grote Verzoendag vergeven, tenzij de mensen tevoren elkaar hun schulden hebben kwijt gescholden.

 

Preekvoorbeeld

Onderlinge relaties gaan vaak niet over rozen. Dat geldt zowel voor relaties binnenshuis als buitenshuis: in het gezin of de familie, maar ook met de vrienden, in de buurt of op het werk. Het geldt voor betrekkingen in de politiek, tussen werkgevers en werknemers, tussen landen. Ook waar mensen uit vrije keuze samenzijn of samenwerken, ontstaan er vaak spanningen en conflicten. Soms moeten de verhoudingen weer worden vlotgetrokken, omdat ze zijn vastgelopen. Een relatietherapeut kan dan helpen, een bemiddelaar, en op het politieke niveau een onderhandelaar of een diplomaat. Er kan een omgangsregeling afgesproken worden of een akkoord getekend. Maar nooit kan een vastgelopen relatie weer op goed spoor komen als er niet iets verandert in de twee personen of in de twee partijen die met elkaar in conflict zijn. De lezingen van vandaag gaan over die binnenkant van mensen en van relaties.

Zowel de lezing uit Jezus Sirach als die uit het evangelie van Matteüs brengen vergeving ter sprake. Vergeving is iets anders dan een omgangsregeling of een akkoord. Bij een akkoord zeg je: ‘Als jij je aan de afspraak houdt, zal ik dat ook doen. Zo niet, dan zijn we weer terug bij af.’ Bij vergeving is er iets veranderd in je gemoed. Je voelt: ondanks wat er gebeurd is, accepteer ik je zoals je bent. En dan kan alles weer gezegd worden.
Vergeving is niet te organiseren of af te spreken, hoe graag we het ook willen. Soms moeten we domweg wachten tot we zover zijn dat we kunnen vergeven of dat de ander zover is dat we vergeven kunnen worden. Dat wachten is niet gemakkelijk. Het is als gaan door de woestijn. Relaties gaan niet over rozen.

‘Hoe vaak moet ik mijn broeder of zuster vergeven’, vraagt Petrus, ‘tot zevenmaal toe?’ Zeven is het getal van de volmaaktheid, dus Petrus is bijzonder ruimhartig in zijn aanbod. Maar misschien zoekt hij het toch nog te veel in een afspraak, een regeling. Het antwoord van Jezus maakt duidelijk dat het daarover niet gaat bij vergeving. Zeventigmaal zeven wil zeggen dat de vraag: ‘Hoe vaak?’ niet relevant is bij vergeving. Vergeving moet je overal en altijd zoeken, ook al kan het soms niet, kun je er niet eens over praten, alleen maar in stilte op hopen.

Vergeving is een zaak van God, legt Jezus met de parabel over de koning en de schuldenaar uit. De koning, dat is natuurlijk God. Die schenkt de dienaar tienduizend talenten kwijt. Dat is een astronomisch hoog bedrag, zoiets als tweehonderduizend jaarsalarissen. Dat kan niemand kwijtgescholden krijgen en er is zeker niemand bereid dat kwijt te schelden. Maar God doet het. Bij God bestaan geen grenzen als het om vergeving gaat. In zijn koninkrijk is alles mogelijk. Onze wereld kan in vlammen opgaan, we kunnen muurvast komen te zitten met onze klimaatproblemen, met de vluchtelingenstromen, met onrecht, oorlog en geweld. We kunnen op het persoonlijke vlak helemaal in de vernieling raken, verlaten worden door wie ons het liefst zijn, ten onder gaan aan spanning en zorg. Maar, zegt Jezus met de parabel, bij God is altijd ruimte. De meest uitzichtloze situaties kunnen weer in beweging komen, de toekomst kan zich opnieuw openen. Ik kan vergeving krijgen en ik kan de ruimte geschonken krijgen om een ander te vergeven.

Vergeven heeft met wachten te maken, en tijdens dat wachten trekt er een stoet van gevoelens door ons heen. De lezing uit Jezus Sirach helpt ons er enkele te onderscheiden: wrok, woede, onbarmhartigheid. Als anderen ons onrecht doen, kunnen we hen van alles willen aandoen. ‘Zie die gevoelens onder ogen’, zegt Jezus Sirach, ‘en neem er afstand van, want ze wijzen je de verkeerde weg.’
Daarmee zien we dat vergeving geen kwestie van passief wachten is. Het is om te beginnen al afzien van revanche en wraak. Maar er is nog meer dat we kunnen, nee, moeten doen. Zowel Jezus Sirach als Jezus van Nazaret sporen ons namelijk ferm aan om te vergeven. Maar dat kan toch niet zomaar, zeiden we net, moeten we niet vaak wachten op vergeving? Voor het koninkrijk van God, zegt Jezus, is zeventigmaal zeven, een onmetelijk aantal keren vergeving nodig. We moeten er alles aan doen om daaraan te kunnen bijdragen. En dat kan al bij de meest alledaagse zaken, zoals de dienaar uit de parabel van het evangelie had kunnen doen met de collega die hij tegenkwam en met wie hij een akkefietje had. In het alledaagse kunnen we al in de praktijk brengen waar we bij ingewikkelde en pijnlijke kwesties nog op moeten wachten.
Die praktijk is urgent. Wat we in het dagelijks leven doen, is van beslissende betekenis, zeggen de beide Jezussen. Dat kunnen we niet laten schieten, ook al is ons hart bezwaard door grotere zaken. Het leven is niet oneindig, de wereld schreeuwt om vergeving. Wij moeten bijdragen aan die zeventigmaal zeven keer vergeving waar Jezus over spreekt. Wij zijn nodig voor dat koninkrijk van God.

De tweede lezing van vandaag, uit de brief aan de Romeinen, spreekt heel mooi over wie en hoe wij zijn: niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Als het ons gegeven wordt, mogen wij vergeven en vergeven worden, en kan ik er zijn voor de ander. We leven en sterven voor God onze Heer. Aan hem, aan die Ander, behoren we toe.

 

inleiding Gerard van Buul ofm
preekvoorbeeld drs. Marc van der Post

webdesign: Artis