17 december 2017
Derde zondag van de Advent

Lezingen: Jes. 61,1-2a.10-11; Luc. 1,46-50.53-54; 1 Tess. 5,16-24; Joh. 1,6-8.19-28 (B-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 61
?Jesaja verhaalt de roeping en zending van de profeet Gods. Pro = namens (Pro-Deo), en ‘feet’ komt van ‘spreken’ (a-fasie): namens jhwh spreken.
Hij opent met: ‘De Geest van mijn Heer jhwh (is) op mij’ om te benadrukken dat hij niet zelf aan het woord is en eigen ideeën verkondigt. Hij is door jhwh gezalfd – het Hebreeuwse woord ‘Messias’ is afgeleid van het werkwoord masjach = zalven, zoals het Griekse ‘Christos’ van chrioo = zalven – hij spreekt en doet als Gods gezant, in zijn naam. In Johannes 1,33 wordt dit ‘is op mij’ geëxpliciteerd tot: ‘bleef op hem rusten’. Jezus wordt blijvend door deze geest Gods gekarakteriseerd.

De hoop, de verwachting van de Messias, van een Godsgezant, die uit de profetie van Jesaja 61 spreekt, is niet tot dit ene moment beperkt. Het lijkt een constante in het leven van Israël.
Jesaja zegt: Jhwh’s Geest is op hem en zendt hem om... kort gezegd: om de nieuwe toekomst van Godswege, een genadejaar van de Heer, in woord en daad aan te kondigen. Een wereld die niet alleen wereld, maar schepping Gods is; waar gerechtigheid, barmhartigheid vergeving, waar Licht!! (v. 1) zal heersen. Waar mensen gezien en gehoord en geaccepteerd worden, mensen die voorheen in de kelders van de mensheid, aan de periferie van de samenleving leefden.
Zoals ik hierboven al zei, is deze hoop tegen de achtergrond van de dagelijkse realiteit een constante binnen Israël. Je vindt haar bijvoorbeeld ook in Jesaja 29.18-19, in Leviticus 25, in Maria’s Magnificat en Jezus’ verkondiging van de nabijheid van het Rijk Gods (Mar. 1,14 en het programmatische Lucas 4,17-19. IJdele hoop? Komt het toch niet? Jesaja 10–11 zegt het tegendeel: het komt. Zo zeker als de natuur telkens weer ontkiemt. Maar inderdaad: Ontkiemen! Je zou er Jesaja 43,19 achteraan moeten lezen: ‘Het is al aan het kiemen; hebt u dat niet door?’ Jezus spreekt van het Rijk Gods dat ‘nabij’ is. Het is er niet in volle glorie, komt niet alles en iedereen meesleurend en overweldigend. Maar het is nabij, het kán, als, maar dat is een ander thema, men zich omkeert, anders gaat denken en doen (vgl. Mar. 1,14).
De profeet – en zijn stem valt soms samen met die van ‘het volk’ – zal driedubbel ‘jubelen, juichen, verheugen’ om deze wending ten goede. Hij ervaart Gods redding al (nota bene het Hebreeuwse woord voor ‘redden’ is jasja waar ook ‘Jezus’ op teruggaat – Jes. v. 10).

1 Tessalonicenzen 5?
De lezing van de Tessalonicenzenbrief sluit bij die ‘Vreugde’ aan. Het is waarschijnlijk Paulus’ eerste brief (rond 50 nChr.), heel hartelijk en pastoraal.
Paulus beraadt en bemoedigt zijn Tessalonicenzen voor de tijd totdat ‘onze Heer Jezus Christus’ definitief komt. Vaak wordt de Pauluslezing overgeslagen. Maar u zou dit oudste document van de eerste christelijke gemeenten eens in zijn geheel moeten lezen (het zijn maar 5 hoofdstukjes!). Het is een brief van vóór alle juridische kerkorganisatie. Ik zei ‘hartelijk en pastoraal’ – dat hoor je ook in de zin direct na onze lezing: Broeders en zusters, bid ook voor ons (5,25), dezelfde zin die Paus Franciscus sprak voor hij zijn eerste pauselijke zegen gaf! Hartelijk en pastoraal. ?Zie: Th.A.F.M. van Adrichem ofm en M. den Dulk: ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-30

Johannes 1
Het evangelie van Johannes laat ons twee verzen uit de proloog lezen, waarin Johannes de Doper als Gods gezant en als getuige van het Licht wordt aangekondigd . Getuige – een term uit de rechtspraak: waar je getuigt wat je zelf gezien, meegemaakt hebt. Ons woord ‘martelaar’ gaat hierop terug: met je leven voor je getuigenis instaan.
In de proloog wordt Johannes alleen aangekondigd: het verhaal over Johannes, het verhaal over hoe hij dat doet, volgt straks. En de voorzichtige formulering: ‘getuigen van het licht dat hijzelf niet is’ roepen de woorden van Leonard Cohen op, dat het licht altijd wel een kier vindt om doorheen te breken: There is a crack in everything, that’s how the light comes in.
Vanaf vers 19 wordt over Johannes’ getuigenis verteld. Jeruzalem – het religieuze centrum – komt met vragen over de Messiaskwestie – zoals gezegd: een constante. Vinnige vragen waar Johannes zich tegen verdedigt: Ik ben niet de Messias – niet: het Licht. Hij identificeert zich met een stem die de weg voor de Heer effent! Hij doet voorwerk; maar het gaat niet om hem. Maar ze vragen door – nu bij monde van zwaarder geschut: de Farizeeën. Zijn doop – die een nieuwe, ‘schone’ leefwijze ritualiseert – roept vragen op waardoor ze hem aan Christus (= de Gezalfde), of aan Elia (Mal. 3.23) of een andere profeet (Deut. 18) linken.
Johannes ontkent. Relativeert zijn doop met water tot ‘voorwerk’, tot ‘wegbereiding’ . De weg bouwrijp maken voor hem die nog onbekend in hun midden is, die hem zal opvolgen, en waar hij bij in het niet valt. In de nadruk waarmee hij ontkent, hoor je dat men al snel dacht aan (lang verwachte) messiassen en teruggekeerde profeten.
De zin: ‘Iemand in uw midden (hoor je Deut. 18,15 meeklinken? Met andere woorden: Hoor je hoe Johannes argumenteert met de Schrift in de hand?) die jullie niet kennen’, benadrukt dat die iemand niet aan het menselijk brein ontspruit, en leidt ook naar het volgende waarin Johannes Jezus als ‘Lam Gods’ aanwijst, en de evangelist doorgaat met de weg van dat Lam.

 

??Preekvoorbeeld

Wij leven tegenwoordig in een selfiecultuur. Wij staan graag in het centrum. In ieder van ons zit die geldingsdrang vanuit onze diepe nood aan eigenwaarde. In de aanloop naar Kerstmis ontmoeten we vandaag de figuur van Johannes de Doper. Hij heeft als zending de komende Messias aan te kondigen, die volgens de profeten licht en toekomst zal brengen aan een volk dat uitkijkt naar betere tijden. Als godsdienstige leiders hem komen polsen naar zijn identiteit, blijft hij heel bescheiden: ‘Ik doop met water.’ Hij kent zijn plaats en zijn zending: Hij is enkel een getuige. Hij moet verwijzen naar iemand anders. En van die ander verklaart hij: ‘Midden onder u staat hij die gij niet kent.’ Hij maakt mensen ervan bewust dat ze alert moeten zijn en uitkijken. Hij wekt verlangen. En dat is in deze adventstijd voor ons een uitnodiging om ons voor te bereiden op het komende feest. Want hij komt: de Messias!

In de eerste lezing van Jesaja luisterden we naar een tekst, geschreven rond de vijfde eeuw voor Christus: een tekst die Jezus bewust op zichzelf betrekt als hij in zijn eigen vaderstad wordt gevraagd om in hun synagoge de Schrift te lezen. Compleet onverwacht horen mensen hem zeggen: ‘De Geest van de Heer God rust op mij; hij heeft mij gezalfd om aan armen de blijde boodschap te brengen.’ En als commentaar voegt hij er dadelijk aan toe: ‘Heden is dit Schriftwoord vervuld’. Mensen wisten niet wat ze hoorden. Wat een zelfbewustzijn! Het is niet moeilijk voor te stellen hoe de toehoorders reageerden toen ze deze woorden hoorden van een man met wie ze al jaren samenleefden. Wie is deze man eigenlijk? Wat is hij van plan? Wat gaan we nu meemaken?!
Maar ook Jezus is zich blijkbaar diep bewust van zijn zending als Messias. Zijn programma is uitgeschreven in de profetie van Jesaja, die we hoorden in de eerste lezing: aandacht voor armen en zieken, mensen vrijheid geven, gevangenen bevrijden, gerechtigheid brengen. Geen programma waar je als politicus zomaar mee kunt uitpakken om veel stemmen te halen. Maar uit het verdere verloop zien we hoe die Jezus trouw blijft aan zijn programma, of beter gezegd: trouw blijft aan mensen, die hij als goede herder in zijn hart draagt.

Als wij vandaag deze boodschap horen, dan is het omdat de Kerk twintig eeuwen lang heeft getracht met veel vallen en opstaan deze zending door te geven, niet alleen mondeling, maar vooral door ze met velen, wereldwijd, in vlees en bloed gestalte te geven. Nog altijd geldt de zin van Johannes de Doper voor vandaag: ‘Midden onder u staat hij die gij niet kent’. Als christenen zijn wij al vele jaren het monopolie kwijt in Europa. Je kan het betreuren, maar het geeft ons ook nieuwe kansen. Zonder veel machtsvertoon en praal kunnen we ons bewegen in een maatschappij die nog altijd op zoek is naar vredig samenleven zonder terreur of angst, naar welzijn voor elke mens, naar een veilig dak en huis voor miljoenen vluchtelingen. Hoe zouden wij een echt kerstfeest kunnen vieren, zolang we weten dat miljoenen mensen, waaronder zoveel kinderen, met Kerstmis honger lijden, in wanhoop leven en niet meer durven hopen, terwijl wij aan een feestelijke tafel zitten met alles erop en eraan.

Jezus heeft met zijn leven en met zijn boodschap mensen hoop willen geven, gedreven door zijn geloof dat God vader is voor álle mensen, ongeacht hun kleur, afkomst of godsdienst. Dit geloven (een werkwoord!) kan een hefboom worden om zeker in deze aanloop naar Kerstmis wakker te worden en in actie te schieten.
Het gevaar waar Paulus in de tweede lezing op wijst, is dat wij de Geest van vreugde (Gaudete!) in ons kunnen doven. ‘Blus de Geest niet uit’, zegt hij. Vanuit onze verzwakte positie als gelovigen kan de bekoring in ons hart sluipen: wat haalt het allemaal uit? Wat kan ik daaraan nog beginnen? Ik heb al zo dikwijls geprobeerd… Soms blussen wij het vuur ook uit bij anderen: ‘Waar jij nog in gelooft! Waar jij je tijd nog in steekt… Dat is dodelijk!
Als je er alleen voor staat of die indruk hebt, kan de huidige tijd ons ontmoedigen. Je botst dikwijls op onverschilligheid. Je kruipt dan terug in je schulp. Maar als we echt willen, staan we niet alleen. ‘Niemand kan in zijn eentje christen zijn’. Dat was al de ervaring van Tertullianus in de jaren 200. Wij hebben elkaar broodnodig. Mekaar durven aanspreken, ook thuis of bij vrienden… Het hoeven geen wereldschokkende dingen te zijn, maar kleine, actieve groepen die creatief durven handelen, elkaar dragen en aanmoedigen. Zo naar Kerstmis toe groeien is de beste garantie voor een zalig Kerstfeest.

 

inleiding dr. Henk Bloem
preekvoorbeeld Bob van Laer ofm

webdesign: Artis