17 maart 2019
Tweede zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Gen. 15,5-12.17-18; Ps. 27; Fil. 3,17(20)-4,1; Luc. 9,28b-36 (C-jaar)

 

Inleiding

Genesis 15,5-12.17-18: Het visioen van een vragende Abram
Voor een goed begrip van de eerste lezing uit Genesis is het aan te raden om hoofdstuk 15 in zijn geheel er bij te betrekken. Vers 1 vormt als het ware het motto van dit kapittel en maakt duidelijk dat het hier over een visioen gaat dat Abram ten deel valt en waarin de Eeuwige – in de tekst wordt de godsnaam JHWH gebruikt – met Abram spreekt. Hier is Abram nog gewoon Abram, pas vanaf 17,5 wordt Abram Abraham. Dat God met hem spreekt is op zichzelf niet nieuw. Vanaf 12,1, waar Abram het bevel krijgt uit zijn geboorteland weg te trekken, is dat het geval. Nieuw is dat Abram voor het eerst nu ook JHWH aanspreekt en meteen maar met een vraag. Tot dan toe had hij tegenover hem zijn mond gehouden. Maar nadat JHWH hem gezegd heeft dat hij hem zal beschermen en belonen, reageert Abram met (v. 2): ‘Wat zult u me geven terwijl ik kinderloos door het leven ga?’ God lijkt zich in zwijgen te hullen en Abram trekt nogmaals aan de bel (v. 3): ‘U hebt me geen zaad gegeven en iemand anders zal mijn erfgenaam worden’. ‘Nee,’ antwoordt de Eeuwige daarop, ‘zo zal het niet gaan. Degene die uit jouw lendenen komt, zal jouw erfgenaam zijn’.
            Aansluitend volgt dan het begin van de eerste lezing. In het visioen wordt Abram ‘uitgeleid’. Dat is meer dan even uit zijn tent gelokt! Uitleiden is hier een woord vol betekenis, dat resoneert in vers 7 waar God zich zelf openbaart als ‘JHWH, die jou uit Ur in Chaldea heeft geleid om jou dit land te geven om het te beërven’. Vanaf Exodus 20, bij het begin van de Tien Woorden, is het ‘uitleiden uit het land van Egypte’ definitief tot het dna van deze God gaan behoren.
            De ontelbare sterren aan de nachtelijke hemel spiegelen Abrams zaad. Ze vormen de pendant van het stof der aarde (13,16) waarmee de nakomelingen van Abram eerder werden vergeleken. Zo horen aarde en hemel bij elkaar. De zin die daarop volgt (v. 6) heeft door de midrasj van Paulus (vgl. Rom. 4,3 en Gal. 3,6) voor veel discussie gezorgd tussen protestanten en katholieken over de ‘rechtvaardiging door het geloof alleen’. Maar daarover gaat het hier niet. Er staat, dat Abram na zijn aanvankelijke vragen zijn vertrouwen op JHWH stelde en dat deze dit hem als een weldaad of rechtvaardige daad (op zijn jiddisch: een tsedoke) aanrekende.

Het verbond tussen de helften
Na de toezegging van nakomelingen volgt een tweede scène in het visioen: de landbelofte, al aangekondigd in vers 7, met opnieuw een vragende Abram. Want wat is een erfgenaam zonder erfenis? Daarop volgt een vreemde ceremonie (v. 9-11). Die doet op het eerste gezicht denken aan een offer met verschillende gehalveerde dieren plus twee duiven, maar een offer is het niet. Altaar en tempel zijn ver weg. Het blijkt de opmaat voor een rituele verbondssluiting (v. 18), letterlijk het snijden van een verbond (Hebr. karat berit), waarbij de tekst zelfs zo gelezen kan worden dat niet Abram, maar God in eigen persoon de dieren doormidden snijdt en de helften tegenover elkaar legt. Zo vertaalt Pieter Oussoren in de Naardense Bijbel, vermoedelijk geïnspireerd door een vraag van Franz Rosenzweig: Sollte hier nicht der andere Partner Subjekt sein?

            Hij neemt voor hem die alle,
            deelt ze middendoor
            en geeft elk deel zijn plaats
            als ‘man ontmoet makker’;
            de vogels heeft hij niet gedeeld.

Aan Abram is het om de aasgieren (vijanden van het verbond?) te verdrijven tot de zon ondergaat. Dan valt Abram in een diepe slaap, hetzelfde woord als bij Adam in Genesis 2,21. De Septuagint vertaalt dit met ‘extase’ (geestvervoering), wat goed past bij een visioen. Ondanks het ‘vrees niet’ van vers 1 keert nu de angst terug en benauwt hem het grote duister. Wat daarin plaats vindt (v. 13-16) valt buiten de lezing van het missaal: JHWH licht Abram in over het lot van zijn nakomelingen als vreemdelingen (in Egypte) en de exodus daaruit.          
            Intussen is de zon helemaal ondergegaan en is het pikdonker geworden. Dan trekt een rokende oven en een fakkelvuur – vergelijk de wolk en vuurkolom uit Exodus 13,22 – tussen de in stukken verdeelde dieren door (v. 17). God zelf garandeert zo dat hij en Abrams zaad in goede en slechte dagen, in onderdrukking en uittocht, bij elkaar horen, als twee helften, als ‘man ontmoet makker’.

Filippenzen 3,17(20)–4,1
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95.

Lucas 9,28b-36: Jezus’ exodus
In het c-jaar is het verhaal van de verheerlijking op de berg vanzelfsprekend aan het evangelie van Lucas ontleend (vgl. Mat. 17,1-8 en Mar. 9,2-8). Vanaf 9,51 is bij Lucas de reis van Jezus en zijn leerlingen naar Jeruzalem begonnen: ‘En het geschiedde, toen de dagen van zijn opneming vervuld waren, hij zijn aangezicht resoluut op Jeruzalem richtte om daar naar toe te gaan’. Het woord ‘opneming’ (Gr. analempsis, Lat. assumptio) doelt op Jezus’ dood, opstanding en hemelvaart ineen en bevat in a nutshell het hele paasmysterie. Tijdens deze tocht naar Jeruzalem gaat Jezus de berg op om te bidden, samen met drie van zijn leerlingen: Petrus, Jakobus en Johannes. Daar verschijnen twee mannen die met Jezus spreken. Het blijken de grote oudtestamentische getuigen Mozes en Elia te zijn, in heerlijkheid verschenen, zegt Lucas erbij. Zij vertegenwoordigen Wet en Profeten. Na zijn opstanding zal Jezus aan de Emmaüsgangers expliciet naar Mozes en al de profeten verwijzen om uit te leggen dat hij door lijden zijn heerlijkheid moest binnengaan (24,25-27). Lucas weet, anders dan Matteüs en Marcus, dan ook te vertellen waarover Mozes en Elia met Jezus spraken: zijn heengaan dat hij in Jeruzalem zou volbrengen. In de Griekse tekst staat hier het woord exodus. Dat is niet voor niets. Lucas verbindt lijden en opstanding van Jezus met de heilsgeschiedenis van Israël zoals die met Abram (zie de eerste lezing) een aanvang nam. Bijzonder is verder dat Lucas benadrukt dat het om een gebedservaring van Jezus gaat, hij zegt het zelfs twee keer (v. 28 en 29).
            Intussen hebben Petrus en zijn twee medeleerlingen niets gemerkt van de conversatie tussen Jezus en de twee grote figuren uit het Oude Testament, want zij waren in slaap gevallen. De beschrijving doet denken aan het gebeuren op de Olijfberg (Luc. 22,39-46). Ook daar vielen ze in slaap, alleen, dan is Jezus in doodsangst (agonie), en niet Mozes en Elia, maar een engel uit de hemel komt hem sterken.
            Wanneer de leerlingen ontwaken, zien ze Jezus’ heerlijkheid en de twee mannen die op het punt van vertrek staan. Petrus probeert met zijn ‘laten we voor hen drie tenten maken’ de hemelse glorie vast te houden als een soort eind- of hoogtepunt, maar, aldus Lucas, hij weet niet wat hij zegt. Vlak ervoor had Jezus immers nog aangekondigd: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen en iedere dag zijn kruis opnemen en mij volgen’ (9,23). ‘Geen sneeuwwitte eeuwigheid, waar ge geen vat op hebt. Geen Mont Blanc van goddelijke heiligheid en majesteit, maar Mozes en Elia en Jezus over het lijden sprekende’ (Noordmans). Wel verschijnt er een wolk die zich als een schaduw(tent) over hen heen spant en waaruit een stem klinkt die hen oproept te luisteren naar Jezus als de uitverkoren zoon, een verwijzing naar Jesaja 42,1, het begin van het eerste lied van de lijdende knecht. God spreekt niet in het licht maar in het duister. Het paasmysterie voltrekt zich niet op de berg, maar wacht ons in Jeruzalem.

 

Preekvoorbeeld

De liturgie van de Veertigdagentijd, als voorbereiding op Pasen, maakt op haar eigen wijze heel duidelijk dat Pasen geen triomfalistisch feest is: ‘Jezus is verrezen, de dood is overwonnen en wie voor ons kiest komt dus wel goed terecht.’ De evangelielezingen die voor deze zes zondagen gekozen zijn, wijzen in een andere richting en bestrijken elke keer een ander deel van de noodzakelijke voorbereiding. Het evangelie van vandaag, ondersteund door de twee lezingen, gaat nadrukkelijk in op dat element van triomfalisme, dat ons mensen niet vreemd is en ook ons christelijk geloof niet.

Op het eerste gehoor klinkt het allemaal te mooi om waar te zijn wat er gebeurde op die berg waar Jezus ging bidden. Jezus raakt in een trance, zijn uiterlijk en zijn kleren gaan ervan stralen. En dan heeft hij een ontmoeting met de twee grootsten uit de geschiedenis van zijn volk: Mozes, die de Wet heeft gegeven en Elia, de belangrijkste profeet. En ten slotte klinkt er een stem uit de wolk die zegt: ‘Dit is mijn uitverkoren Zoon, luister naar hem.’
            Hiermee is alles wel gezegd, wij hoeven het alleen nog maar na te lezen en te geloven. Maar we weten tegelijkertijd al dat het zo simpel niet is. Misschien wordt dat in het verhaal nog het beste geïllustreerd door de drie leerlingen die Jezus vergezellen. Ze zijn bij hem, maar, staat er, ze waren overmand door slaap. Het belangrijkste gedeelte van wat er gebeurde, hebben ze misschien wel gemist. Dat geldt ook voor ons: als we ons blindstaren op de uiterlijke aspecten die ik net noemde: de glanzende gestalte van Jezus, zijn gesprekspartners, de stem uit de hemel, dan missen we wellicht waar het verhaal om draait.
            Laten we daarom goed kijken wat er gebeurt terwijl de leerlingen slapen: precies dan zijn Jezus, Mozes en Elia in gesprek, en ze hebben het over Jezus’ heengaan en de voleinding van zijn leven in Jeruzalem. Ze hebben het over het komende lijden van Jezus, en over zijn dood. Dat was de leerlingen dus ontgaan! Dat heeft Lucas knap verteld, want daarmee raakt hij dus heel precies aan een thema waar mensen van alle tijden en culturen vaak de mist mee ingaan. We spiegelen ons gemakkelijk aan wat goed gaat, succes oplevert, straalt en glanst, aan grote namen en belangrijke personen en denken dat het dan wel goed komt. En dat is dus niet zo.
            Om te beginnen miskennen we dan onze eigen situatie. Wat bij ons niet goed zit, in onszelf niet, in onze relaties, in de manier waarop we moeten leven en werken, dat lijkt dan niet mee te hoeven tellen. We kunnen een andere kant op kijken: het succes wijst ons immers de weg!
            In de tweede plaats, en net zo belangrijk, miskennen we alle anderen die geen succes hebben, of geen succes lijken te hebben, de mensen die verliezen. Zij raken uit het oog, hebben niets wezenlijks bij te dragen aan ons streven naar een beter leven. Hoogstens offeren we wat tijd en geld om hun noden te lenigen.

Jezus, Mozes en Elia denken daar dus anders over. Ze hebben het namelijk niet over het succes van Jezus, maar juist over zijn heengaan. Alles wat hij tot dan toe gedaan en gezegd had, loopt uit op lijden, dood en verrijzenis
            Nu moeten we kijken naar dat woordje ‘heengaan’. Ze spraken over het heengaan van Jezus. Eigenlijk staat er exodus. Bij het woord ‘exodus’ denken we aan de uittocht van het volk uit Egypte, hun heengaan uit Egypte. Dat was het grote moment van bevrijding uit de onderdrukking. God ging zijn volk voor door de zee en door de woestijn, overdag als een rookkolom en 's nachts als een vuurzuil. Die exodus, dat heengaan, begint in de narigheid, de onderdrukking, de ellende. God maakt daarin een uitweg vrij naar een ander leven. Jezus gaat zo’n zelfde exodus meemaken, wordt duidelijk in het gesprek met de twee die het weten kunnen, want zij vertegenwoordigen immers de Wet en de Profeten, dat wil zeggen de hele heilige Schrift. Hij gaat op de weg waarlangs wij allemaal zitten, als lammen en blinden, als gevangenen in onze eigen onmacht en onder de macht van anderen, hij vraagt ons op te staan om met hem mee te gaan: ‘Volg mij!’ De weg is niet gemakkelijk, dat is ook nooit beloofd – een alleen maar gemakkelijk leven is een onecht leven. Op die weg ontmoeten we tallozen die net zo hinken als wij, sommigen zouden we liever ontlopen, anderen inspireren ons. Met elkaar moeten we het opknappen. Waar gaan we precies heen? Als er maar recht is voor iedereen! De weg loopt overduidelijk de berg af het dagelijks leven in.

Abram was een onaanzienlijk mannetje zonder kinderen en zonder land. Zijn situatie zag er zorgelijk uit, zoals die van talloos velen toen en nu. Maar God vond hem aan de kant van de weg en zei: ‘Volg Mij!’ En hij ging Abram voor tussen de brokken vlees in de gestalte van een wolkkolom en een vuurzuil en sloot zo een verbond met hem: ‘Geloof erin, ook voor jou zal er recht zijn!’
            Het verhaal van de verheerlijking op de berg is dus voor mensen die in een diep dal zitten en voor iedereen die zich bij hen willen voegen. Dan gaan we al die weg waarop ons zonder twijfel die ene opzoekt die ons zegt: ‘Kom, geliefde zoon of dochter, ga je met Me mee?’

inleiding dr. Piet Hoogeveen
preekvoorbeeld drs. Marc van der Post

webdesign: Artis