17 juni 2018
Elfde zondag door het jaar

Lezingen: Ezech. 17,22-24; Ps. 92; 2 Kor. 5,6-10; Mar. 4,26-34 (B-jaar)


Inleiding

Het groen van het liturgisch jaar sluit mooi aan bij de thematiek van de lezingen. De metafoor van de boom staat centraal. Bomen zijn belangrijk in de bijbel, met name het Oude Testament. Bomen zijn nuttig en waardevol, bovendien waren bomen schaarser in Israël dan ze in onze streken zijn. Bekende bijbelse bomen zijn vijgenbomen, olijfbomen, dadelpalmen, en ceders voor timmerhout: zie onder andere de mooie parabel over het koningschap in Rechters 9,7-15. Andere plaatsen in het Oude Testament waar bomen een grote rol spelen zijn Genesis 2,8v, Psalm 1 en Jona 4.
De literaire cultuur van het oude Israël sloot aan bij de natuurlijke leefomgeving van de Israëlieten. Het voorbeeld van de boom maakt dit duidelijk. Het is van belang dat we de kracht van die literaire cultuur niet onderschatten, en in het bijzonder de kracht van de taal. De taal stond tot ieders beschikking, en in deze tijd voordat er technologie bestond waren er weinig andere middelen voor vermaak en afleiding. Vandaar dat mensen graag luisterden naar profeten, dichters, en rondtrekkende wonderdoeners. Zij gebruikten de kracht van de taal en in het bijzonder de metaforen om iets te zeggen over de wereld waarin zij leefden. En er werd een zeker niveau verwacht, iets waarover goed was nagedacht.
De drie lezingen gebruiken allemaal dezelfde metaforiek maar vallen in drie verschillende genres: profetie, poëzie, en parabel. Elk van deze genres heeft eigen genreconventies, dat wil zeggen dat er een bepaald verwachtingspatroon mee verbonden is. Ook het gebruik van metaforen verschilt per genre. In sommige vormen van vertelkunst is een beeldspraak code voor iets anders. In andere genres zien we een bepaalde metafoor regelmatig terugkomen en gaat het erom op wat voor verrassende manier de spreker het uitwerkt.

Ezechiël 17,22-24
De passage in Ezechiël 17,22vv wordt vaak messiaans gelezen, als een voorspelling van een herstel van het davidische koningschap. Die uitleg is correct, het is alleen van belang de messiaanse component niet groter te maken dan hij is; deze heeft in de tekst namelijk betrekking op de politieke situatie van de zesde eeuw voor Christus en laat zich alleen met wat exegetisch kunst- en vliegwerk toepassen op latere tijden. De passage vormt het sluitstuk van het betoog van Ezechiël in hoofdstuk 17. De tekst is een aanklacht tegen de politieke koers van de koning van Juda om te rebelleren tegen Babylon en steun te zoeken bij Egypte. Volgens de profeet zal dit slecht aflopen; Babylonië zal ingrijpen en een prins uit de davidische lijn op de troon zetten, die daar zal ‘uitgroeien als een ceder’. De commentator Daniel Block wijst erop dat er in Babylonië aan het hof voldoende prinsen uit de davidische lijn te vinden waren, die ook na de ballingschap een rol speelden, dus een dergelijk scenario is plausibel.
Merk op hoe in heel hoofdstuk 17 ‘koninklijke’ metaforen worden gebruikt. Eerst is het de machtige adelaar, symbool voor de machten van Babylon en Egypte, later ook de ceder. De boom verschaft stabiliteit, bescherming en groei aan de hele natie; dat is de strekking van de vogels in de takken. De laatste verzen die het handelen van God benadrukken, hebben eveneens betrekking op heel hoofdstuk 17 en claimen Gods handelende optreden te midden van de geopolitieke omwentelingen van die tijd. Dat kan ook nu nog een bemoedigende boodschap zijn.
Psalm 92
Met psalm 92 komen we in een ander genre terecht, dat van de poëzie. De psalm is betiteld ‘voor de sabbatdag’. Hier zien we een poëtische uitwerking van het beeld van de boom, in samenhang met een aantal andere woordvelden. De dichter werkt door middel van contrasten. De rechtvaardige is als een boom, statig en indrukwekkend als een ceder, terwijl onrechtvaardigen ‘opschieten als onkruid’. De psalm contrasteert de stabiliteit, blijvende vitaliteit en nuttigheid van de boom met het waardeloze maar hardnekkige onkruid, dat uiteindelijk wordt vernietigd. Het beeld van de rechtvaardige die bloeit als een palmboom – de kernboodschap van de psalm – herinnert sterk aan Psalm 1.
Evenals de Ezechiëltekst drukt de psalm een bepaalde overtuiging uit over de leefwereld van het oude Israël, maar in dit geval is het een ervaring die op een hoger plan wordt getrokken en die filosofisch-wijsgerig en theologisch wordt uitgewerkt. Merk op dat het kwaad van boosdoeners niet ver weg is voor de psalmist, maar juist zeer nabij. Dat geeft zijn boodschap extra pregnantie.
Het is jammer dat de krasse beeldspraak in vers 7 is wegvertaald in de meeste vertalingen, want er staat letterlijk: ‘een rund van een man weet het niet’. Een rund heeft zijn kop in het onkruid, terwijl ‘God de hoorn van de rechtvaardige verhoogt als die van een oeros’ (v. 11). Zo lopen er twee ‘natuurlijke’ woordvelden parallel aan elkaar, rund/oeros en onkruid/(ceder)boom. De boom groeit immers omhoog, de ruimte van de hemel in. Dit laatste sluit aan bij de grotere wijsheid die de psalmist claimt voor zijn opvatting.

2 Korintiërs 5,6-10
Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68.

Marcus 4,26-34
Tot slot de twee parabels, de tamelijk onbekende parabel over de man die zaait en oogst, en de bekende parabel over het mosterdzaad. Parabels zijn een uniek genre dat volop in de belangstelling van wetenschappers staat. In haar mooie boekje over parabels beschrijft Amy-Jill Levine de verscheidenheid van interpretaties die bijbelwetenschappers en predikanten op de tekst hebben losgelaten, en die in veel gevallen de cruciale elementen mosterd en vogels uit het oog verliest. Zij wijst erop dat mosterd geen boom is maar eerder een groente, en dat mosterd geen verdachte plant was maar juist als zeer nuttig werd gezien. Zij waarschuwt dus voor enthousiaste over-interpretatie.
De beide parabels gaan over het koninkrijk Gods; het is naar alle waarschijnlijkheid Marcus die ze hier samenbrengt. Het bredere tekstverband maakt duidelijk dat de juiste uitleg van de parabels geen eenvoudige zaak is (vv. 10-12, 33v), maar dat die uitleg aan een select gezelschap is voorbehouden, dat van de leerlingen van Jezus. Tot dat gezelschap mag de lezer/hoorder van het evangelie zich ook rekenen. Voor het moderne gevoel komt het elitair over dat Jezus de diepere strekking van zijn leer voor een beperkte groep reserveerde, maar dit was in zijn tijd een normale en geaccepteerde manier van werken. Veel schrijvers en denkers werkten op deze manier, deels uit (politiek) zelfbehoud en deels uit tactische overwegingen. Echt geëngageerde leerlingen moesten zich eerst maar eens bewijzen.
De twee parabels van onze lezing worden niet uitgelegd, zoals de parabel van de zaaier. We moeten dus meer zelf doen. Het lijkt om te beginnen waarschijnlijk dat deze twee parabels niet bedoeld zijn als een allegorie, als een soort verhaal in code zoals de parabel van de zaaier, maar dat er dieper denkwerk vereist is.

De eerste parabel begint met ‘een man’ die zaad zaait. Met de voorafgaande parabel voor de menigte (vv. 3-9) in gedachten, moeten we rekening houden met de mogelijkheid dat die man geen gewone man is, maar dezelfde als degene die het zaad van het Woord zaaide: Jezus zelf. Het feit dat die man uiteindelijk de sikkel in het gewas slaat, onmiskenbaar een verwijzing naar het oordeel, bevestigt dat punt. Daartegenover staat dat de man gaat slapen en niet weet hoe het proces in het zaad zich voltrekt. Op zich is het spelen met rollen iets wat we vaak zien in parabels en profetische teksten in het algemeen; het hoeft dus niet het een of het ander te zijn.
De parabel lijkt twee onderscheiden punten te maken. Ten eerste: het proceskarakter van het koninkrijk; het is een gebeuren zoals het groeien en rijpen van graan, iets waar we een rol in hebben maar dat buiten ons en boven ons omgaat. Ten tweede: het oordeel komt op het moment dat de tijd daarvoor gekomen is. Beide punten bevestigen elkaar, in zoverre dat het proces van het koninkrijk een proces is dat naar een onafwendbaar einde toegaat.

De parabel van het mosterdzaadje wordt voorafgegaan door twee inleidende zinnen. Reden voor toehoorders om de oren te spitsen: hier komt iets. In deze parabel speelt mee dat de profeten voor Jezus allerlei koninkrijken graag vergeleken met bomen, in het bijzonder in de meest messiaans beladen passages (zoals Ezech. 17; zie ook Jes. 11). Juist in die context spreekt Jezus over het mosterdzaad; verrassing is een understatement. De verwijzing naar de vogels in de takken maakt de verwijzing naar de oude profetieën compleet (vgl. Ezech. 17,23). Mosterd heeft een aantal bijzonder spannende eigenschappen. Het is makkelijk te planten en verspreidt zich snel; het is, zoals gezegd, uiterst nuttig; bovendien, het heeft een kenmerkende smaak. Denk bij wijze van vergelijking aan het zout der aarde in die andere grote speech, Matteüs 5–7. Waarom zouden mensen niet veilig kunnen wonen in de takken van dit koninkrijk van mosterdzaad, ook al is het dan geen rijzige ceder?
De beeldspraak van gewas en bomen dient in alle drie teksten om iets fundamenteels te zeggen over de leefwereld van het oude Israël en de joden/christenen van de tweede tempelperiode. Met de parabel van het mosterdzaadje reikte Jezus een nieuw beeld aan voor gelovig leven onder de heerschappij van een machtig rijk, het Romeinse, dat niet onderworpen leek te zijn aan goddelijke machten. Toch is het mogelijk voor gelovige toehoorders van Jezus’ boodschap in Gods koninkrijk te leven, aan de hand van deze parabel: niet als in de schaduw van een machtige boom, maar als deel van een vruchtbare struik die zich verspreidt, letterlijk een ‘smaakmaker’. Dat was een ongehoorde nieuwe gedachte.

Gebruikte literatuur
Daniel I. Block, Ezekiel 1-24. New International Commentary on the Old Testament Series 1997
Amy-Gill Levine, Short Stories by Jesus. The Enigmatic Parables of a Controversial Rabbi, 2014
Arthur M. Melzer, Philosophy between the lines. The lost history of esoteric writing, 2014
Claudia Sticher, ‘Die Gottlosen gedeihen wie Gras. Zu einigen Pflanzenmetaphern in den Psalmen. Eine kanonische Lektüre’. In: Pierre Van Hecke en Antje Labahn (uitg.), Metaphors in the Psalms, 2010


Preekvoorbeeld

Judaïca, kennis van het jodendom; dat was een van de vakken waarin ik tijdens mijn opleiding werd ingewijd. We kregen les van een rabbijn: Ashkenazy. Als wij vragen stelden over een beetje ingewikkeld onderwerp – daarvan zijn er in overvloed – begon Ashkenazy zijn antwoord altijd zo: ‘Wat een moeilijke vraag stellen jullie me! Daar ben ik al ruim tweeduizend jaar mee bezig (zo identificeerde hij zich met zijn volk). Laat ik jullie eerst een verhaal vertellen.’ Hetgeen dan geschiedde. 
Hij liet ons ontdekken dat dit de juiste aanpak was. Als het gaat om God en de dingen die op God betrekking hebben, kan een theoretisch antwoord nooit volstaan. Je bent zelf in het geding.
Ashkenazy was een uitmuntend verteller en zijn verhalen zijn in mijn geheugen blijven plakken. Ze schieten mij te binnen bij het lezen van schriftlezingen als vandaag. Die lopen over van beeldspraak en verhalen – of van gelijkenissen en parabels, zoals ze in het Evangelie heten.

In de lezing uit het Oude Testament laat God de profeet Ezechiël verhalen over een hoge ceder. Van die bomen bouwden de Egyptenaren hun tempels, paleizen en schepen. God zal – aldus Ezechiël – een twijgje uit de top van een hoge ceder wegplukken. Dat zal hij planten op de hoogste berg. In de schaduw van die ceder zullen alle soorten vogels hun nesten bouwen! Zo krijgen de toehoorders een beeld voor ogen van de goede toekomst die God met het volk Israël voorheeft. Al zal het nog wel even duren voor die werkelijkheid wordt…

Parabels
Net als de rabbi die mij les gaf, begint Jezus verhalen te vertellen als hij spreekt over het rijk van God: Hij sprak ‘tot hen in gelijkenissen en zonder gelijkenissen sprak hij niet tot hen’.
Veel mensen voelen zich pas veilig als er helder omschreven geloofs¬waarheden worden verkondigd, zodat je weet waar je aan toe bent. Geloven bestaat er voor hen in dat de catechismus met zijn vragen en antwoorden een betrouwbaar richtsnoer voor hun leven is. Het geloof speelt zich voor hen vooral af als een overtuiging, waarover je naar hartenlust over kan discussiëren én van mening kan verschillen. 
Maar een mens is meer dan zijn verstand. En leven is ruimer dan definities en waarheden. Als ik iets over echt leven wil vertellen, heb ik weinig aan theorieën. Dan zoek ik mijn toevlucht bij beelden en verhalen die oproepen wat wij beleven. Beelden en gelijkenissen betrekken ons immers bij wat er gezegd wordt. Ze gaan stralen als zuiver kristal en blinken als diamanten. Ze voeren ons binnen in de manier waarop God met mensen omgaat en zo gaan wij vermoeden wie hij voor mensen is. Gelijkenissen doen ons beseffen dat het bij geloven niet op de eerste plaats om een theorie gaat, maar over een gebeuren waarin wij betrokken zijn.

De akker draagt vrucht
In de eerste parabel uit het evangelie gaat het over iemand die naar zijn land gaat om er te zaaien. Een groot deel van zijn zaad gaat verloren. Slechts een klein deel draagt vrucht. 
Wij zien – als we het geduld ervoor opbrengen – dat ook in deze tijd van het jaar zaad kiemt als het is gezaaid. Terwijl de zaaier slaapt, groeit het en wordt het vruchtbaar. Dat kan ons soms te lang duren. We staren het kleine stekje als het ware de grond uit. Het duurt soms zo lang.
Dat herken ik wel eens als ouders over hun kinderen spreken: ‘We hebben zo ons best gedaan om ze iets goeds mee te geven voor later, maar ze lijken het wel vergeten te zijn, ze leven net alsof er geen God bestaat en in de kerk komen ze al helemaal niet meer.’
Toch gaat – aldus de parabel – de akker vruchten voortbrengen. Terwijl de boer slaapt, ontkiemt het zaad. God laat het groeien. Als je er maar geduld voor hebt… Die vruchten danken we voor een belangrijk deel aan de vogels. Die brengen de zaden rond. En de kracht die de vruchtbaarheid bewerkt, heeft met God van doen en met zijn bekommernis om ons. Durven wij erop te vertrouwen dat zo’n twijgje meer vrucht draagt dan een hoge ceder?   Het staat als een paal boven water dat er nog steeds zaad ontkiemt en groeit, dat na iedere winter de lente komt, dat er na een diep dal in je leven toch weer toekomst opdoemt. Als je het ziet en durft te geloven, kun je vermoeden hoe God werkt, in het verborgene, diep onder de grond, en vooral ook diep in mensen.
Mosterdzaad
De tweede parabel uit het evangelie draait om mosterdzaad. Het lijkt zo vruchteloos vaak, wat wij zaaien, wat wij bijdragen aan dat Rijk van God: een mosterdzaadje, onooglijk spul, als je aan het zaaien bent… En: hartstikke nuttig als het ontluikt en opschiet! Van het nut van dat zaad waren de joden in Jezus’ dagen overtuigd. 
Wat een sprookjesachtig verhaal vertelt Jezus vandaag… Dat nietige mosterdzaadje is –eenmaal gezaaid – niet meer te stuiten. Uit eigen kracht komt het op en groeit het uit tot een boom. Met ruimte genoeg voor wie maar wil. En zo – zegt Jezus – is het ook met het Rijk van God.
Ach, het lijkt zo vruchteloos vaak, wat wij zaaien, wat wij bijdragen aan dat Rijk van God, een mosterdzaadje, het verdwijnt in het niets, zo denken wij... Lees de krant er maar op na, zie het nieuws voorbij komen op tv of via sociale media: hoe sensationeler, hoe meer aandacht het krijgt. Nieuws moet verkocht worden en vanwege de concurrentie mag het best wat worden aangedikt.
Van dat nieuws zal de verandering vast niet komen… Nee, misschien moeten we hebben van die korte berichten, een beetje verscholen midden in, of uitgezonden op een ongunstige tijd, op het eerste oog onopvallend. Een bericht over fair trade producten; een artikel waarin respect wordt gevraagd voor hoofddoekdragende scholieren of collega’s; iemand die vertelt over de voedselbank; een kerk die opvang regelt voor mensen zonder papieren; mensen die hun bankrekening laten overzetten naar een bank iets verder weg, om te ontkomen aan graai- en bonuscultuur. 
Het lijkt nergens op! En toch: terwijl de boer slaapt, ontkiemt het zaad! Wat een zegen van boven voor gewone mensen zoals u en ik.


inleiding drs. Matthijs Kronemeijer
preekvoorbeeld drs. Hans Sevenhoven


 

webdesign: Artis