17 februari 2019
Zesde zondag door het jaar

 

Lezingen: Jer. 17,5-8; Ps. 1; 1 Kor. 15,12.16-20; Luc. 6,17.20-26

 

Inleiding

Jeremia 17,5-8 – Hij is als een boom geplant aan water
Deze formulering vinden we tweemaal in het Oude Testament. In Psalm 1,3 volgt deze typering op de zaligspreking (‘Gelukkig de mens’) waarmee het Psalmboek opent, en in Jeremia 17,8 vormt deze metafoor het hoogtepunt van een prachtige poëtische passage bij de profeet. Verscheidene bijbelgeleerden zijn van mening dat deze hele passage (17,5-8) hoogstwaarschijnlijk niet van Jeremia zelf afkomstig is, aangezien ze nogal wat karakteristieken van de wijsheidsliteratuur herbergt en weinig of geen verbinding heeft met de passages ervoor of erna. Maar aangezien de discussie hierover nooit tot een einde zal komen, lijkt het verstandiger om deze tekst als zodanig te bekijken en de wordingsgeschiedenis ervan achter ons te laten.

Vloek en zegen
Al bij een eerste lezing moet zijn opgevallen hoe mooi deze passage is opgebouwd. Ze bestaat uit twee parallelle delen (v. 5-6; v. 7-8) die niet alleen elkaars spiegelbeeld zijn, maar herhaaldelijk ook woordelijk identiek zijn. De passsage werkt duidelijk naar een climax toe, doordat hij begint met een negatieve sectie – ‘Vervloekt de man die vertrouwt op een mens’ (5a) – en ten slotte uitloopt op een positieve sectie: ‘Gezegend de man die vertrouwt op jhwh’ (7a). Daarbij springt in het oog dat de negatieve openingszin wordt gevolgd door nog twee parallelle zinsdelen: ‘en zijn kracht ontleent aan vlees / schepsels / stervelingen’ (5b); die zijn hart afkeert van JHWH’ (5c). Deze laatste uitspraak is dan de perfecte springplank naar het gedeelte, waar tweemaal in bijna exact dezelfde woorden precies het tegendeel wordt geschetst: ‘die vertrouwt op JHWH’; ‘wiens betrouwen JHWH is’ (7a-b). De gebruikte metaforen zijn op een geraffineerde manier elkaars tegenbeeld. De struik in de dorre vlakte die om water schreeuwt merkt de komst van de regen niet op, terwijl de boom aan het water de komst van de hitte niet opmerkt.
           De positieve sectie bevat echter een boodschap die we misschien over het hoofd zien: degene die op God vertrouwt krijgt óók te maken met tegenslagen (‘hitte’, ‘droogte’), maar beschikt dan over een fundament (‘diepe wortels’) dat hem of haar er overheen helpt. Geloven is zeker geen automatisme. Je moet daar een heleboel voor doen, of een heleboel voor laten. Dat wordt nergens zo mooi verbeeld als in het gedicht dat het Psalmboek opent: ‘Gelukkig de mens die niet…, die niet…, die niet…, maar vreugde vindt in de Thora van JHWH’ (Ps. 1,1v).

1 Korintiërs 15,12.16-20
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Lucas 6,17.20-26 – De situering van de zaligsprekingen bij Lucas
Bij de passage met zaligsprekingen in Lucas schieten we vrijwel onmiddellijk in de ‘synoptische modus’, en gaan we er bijna vanzelfsprekend van uit dat er wel een grote gelijkenis zal bestaan met de zaligsprekingen bij Matteüs (5,3-12). Maar dat is in velerlei opzicht absoluut niet het geval. Om te beginnen spreekt Jezus deze woorden bij Matteüs uit nadat ‘hij de berg is opgegaan en hen onderrichtte’ (5,1), een duidelijke verwijzing naar Mozes en de berg Sinai (Ex. 19,3.12; 24,15-18; 34,1-4); we spreken bij Matteüs dan ook van de Bergrede (5,1–8,1). Lucas daarentegen laat Jezus de zaligsprekingen juist uitspreken, wanneer hij van de berg is afgedaald (6,17). Hier is de term Veldrede meer op zijn plaats (6,20-49).
           Het is trouwens jammer dat de evangelielezing pas met 6,17 begint, want ook bij Lucas speelt de berg een rol. In 6,12 wordt namelijk verteld dat Jezus zich terugtrok op de berg om te bidden. Na een nacht in gebed roept hij de leerlingen bij zich en kiest er twaalf uit die hij apostel noemde. Dan dalen ze af en treffen beneden een grote menigte aan.

Lucas heeft een heel eigen insteek
Een tweede groot verschil tussen de zaligsprekingen van Matteüs en die van Lucas is hun opbouw. Terwijl we bij Matteüs negen zaligsprekingen aantreffen (5,3-12), heeft Lucas er slechts vier (6,20b-23) die gevolgd worden door vier ‘wee’-spreuken. Wanneer we erop inzoomen, zien we dat Lucas tussen beide viertallen een prachtige verbinding heeft gelegd. Er is namelijk een opvallend mooie structuur tussen beide viertallen aangebracht: elke zaligspreking krijgt een echo in een wee-spreuk en bovendien ook nog eens in precies dezelfde volgorde. ‘Zalig de armen’ (6,20b) correspondeert met ‘wee jullie rijken’ (6,24).          
           Soms zijn beide uitspraken zelfs chiastisch gecomponeerd: ‘Zalig die nu honger hebben, want jullie zullen verzadigd worden’ (6,21a) kent zijn tegenhanger in ‘Wee jullie die nu verzadigd zijn, want jullie zullen honger lijden’ (6,25a). ‘Zalig die nu huilen, want jullie zullen lachen’ (6,21b) kent zijn echo in ‘Wee die nu lachen, want jullie zullen treuren en huilen’ (6,25b).
           De vierde component in de twee reeksen, zowel de zaligspreking als de wee-spreuk, valt op doordat ze veel langer zijn dan die ervoor. Er is in deze zaligspreking met liefst vier werkwoorden opeens geen overeenkomst met de wee-spreuk. Deze zaligspreking springt er op die manier duidelijk uit en niet geheel toevallig vinden we hier dan ook de term: ‘omwille van de Mensenzoon’ (6,22a), ‘jullie loon in de hemel’ (6,23). Het slot van beide (6,23b en 6,26) loopt dan weer mooi parallel: ‘hun voorouders’; ‘op dezelfde wijze behandeld’; ‘de profeten’ / ‘de valse profeten’.

Bij de eerste zaligspreking past nog een opmerking. Lucas heeft het over ‘jullie armen’, waar Matteüs refereert aan ‘de armen van geest’ (5,3). Lucas vat ‘armen’ dus op als een concrete groep en dat is niet verwonderlijk. Hij gebruikt de term ‘arme’ namelijk opvallend vaker dan de andere drie evangelisten en het is zeker geen toeval dat deze de eerste keer in Lucas 4,18 wordt aangetroffen, wanneer hij Jezus laat citeren uit Jesaja 61,1. Het woord ‘arme’ is zeer zeker een van de opvallende themawoorden van zijn evangelie.

Zaligsprekingen ook elders?
Het genre ‘zaligspreking’ is zonder twijfel het meest bekend uit het Nieuwe Testament, maar is daar geenszins toe beperkt. Ook in het Oude Testament is het herhaaldelijk te vinden. Zo vormt het de aanhef van het Psalterium: ‘Gelukkig de mens die…’ (Ps. 1,1); ‘Gelukkig wie schuilen bij hem’ (Psalm 2,12; 34,9; 84,6); ‘Gelukkig de mens die op hem wacht’ (Jes. 30,18); ‘Gelukkig is de mens die blijft wachten’ (Daniël 12,12); ‘Gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft’; ‘Gelukkig is elke mens die naar mij luistert’ (Spr. 8,32vv). Deze zaligsprekingen worden ofwel God in de mond gelegd of hebben betrekking op hoe men God direct in het leven betrekt. Datzelfde vinden we ook in een tekst die tot de Dode Zeerollen behoort (4Q525).
           In teksten als Sirach 25,8v; 26,1 en Tobit 13,14 gaat het om een goede verstandhouding tussen mensen onderling. Ook in de pseudepigrafische literatuur komen we het genre ‘zaligspreking’ tegen: ‘Gezegend jullie, rechtvaardigen en uitverkorenen, want jullie deel zal heerlijk zijn’ (1 Henoch 58,2). Wanneer Henoch de tuin van Eden, het paradijs, betreedt gaat dat gepaard met een litanie van negen (!) zaligsprekingen (2 Henoch 42,6-14). Ook uit het oude Egypte en het oude Griekenland is het genre ‘zaligspreking’ bekend.

 

Preekvoorbeeld

Gods woord wil deze wereld omgekeerd

Iedereen droomt er wel eens van massaal toegejuicht en bewonderd te worden – zoals de dirigent van een orkest, een danseres in de schouwburg, een politicus op het toneel van de wereld.
            Iedereen hoopt dat hij of zij gezien en gewaardeerd wordt. Iedereen hoopt dat er positief over haar of hem gesproken wordt door zoveel mogelijk mensen. Maar wee jij! zegt Jezus, als iedereen goed over je spreekt en je waardeert. Als alle mensen dat doen, dan moet je wantrouwig worden, want zo behandelde men ook de valse profeten die probeerden de massa, en iedereen individueel, naar de mond te praten.
            Als iedereen je respecteert en goed over je spreekt, dan zeg je en doe je wat iedereen zegt en doet. Je bent een windvaan die met alle richtingen meewaait, met alle modes en hypes, een mens zonder eigen mening, een mens zonder eigenschappen.
            Dat soort populariteit is altijd flinterdun: de ene dag heeft iedereen het over je; de volgende dag zijn de mensen je al vergeten of je staat in een slecht daglicht, je gaat omhoog en omlaag als een jojo. Je vertrouwt op de volksgunst en er is niets zo veranderlijk als dat.

Ondersteboven
Jezus keert de waarden die in elke samenleving gelden, ondersteboven. Wat is er heerlijker dan rijk zijn? Dat betekent onafhankelijk zijn, je eigen koers kunnen uitzetten, zekerheid hebben over de toekomst. Het leven is soms pijnlijk, schrijnend, en rijkdom is daarbij een troost. Rijkdom helpt je te overleven, het leven uit te houden. En in de tijd van Jezus zagen mensen rijkdom bovendien als een zegen van God. Arm zijn en zondig zijn lagen dicht bij elkaar. Er moest wel iets mis zijn met mensen die arm waren. Ze misten Gods zegen.
           Het is schokkend – ook voor ons – Jezus te horen zeggen: ‘Gelukkig jullie armen, mensen die honger lijden, die verdriet hebben, mensen die vervolgd worden; mensen wier naam door het slijk gehaald wordt omwille van de Mensenzoon’. Het is voor een romantische geest misschien aantrekkelijk arm te zijn. Maar arm zijn is niet romantisch. Het is nachten wakker liggen en niet weten hoe de eindjes aan elkaar te knopen. Je kinderen niet mee laten doen met allerlei clubjes waar klasgenootjes heen gaan. Zoveel schulden hebben dat je uit huis gezet dreigt te worden en dat kan vaak ook gebeuren. En in vele delen van de wereld betekent het dat je ’s morgens niet weet of je jezelf en je gezin die avond een maaltijd kan geven.
           Jezus zegt: ‘Gelukkig jullie armen, want van jullie is het rijk van God’. Dat rijk van God is niet de hemel straks, als compensatie van het lijden nu. Het rijk van God is de aanwezigheid van Jezus en in hem de aanwezigheid van God. Jezus en God staan naast de armen, de hongerigen, vervolgden, bedroefden, mensen die niet in tel zijn, die niet beantwoorden aan de idealen van de maatschappij. Die geen respect krijgen, omdat ze geen echte bedreiging vormen voor de rijken. Je kunt hen over het hoofd zien.
            Juist deze mensen haalt Jezus uit het schemerduister en zet ze in het volle daglicht, in het licht van God. De waarde van de samenleving hangt af van hoe je omgaat met de armen, daklozen, vluchtelingen. Ze zijn niet beter dan rijke mensen, omdat ze arm zijn, ze zijn wel in die zin beter af, dat God met hen optrekt…

Lost dit het probleem van de armoede op? Soms, vaak niet, bijna nooit onmiddellijk. Maar de mensen met meer, worden uitgenodigd met God en Jezus aan de kant van de armen te komen staan en te delen. De armen kunnen met het geloof dat God naast hen staat, God die zelf rijk is en in Jezus arm is geworden, zich getroost weten en beter overleven.

Een spiritueel probleem

Achter het sociale probleem gaat een spiritueel probleem schuil. De rijken en degenen over wie iedereen positief is, vertrouwen op hun bezit, op hun goede naam, op mensen. Zij zijn volgens Jeremia struiken in een dorre vlakte, geïsoleerd, alleen. Hij/zij merkt de komst van de regen niet op, profiteert er niet van, heeft geen gevoel voor de werke­lijkheid. De armen die weten God aan hun zijde te hebben, vertrouwen op God om te overleven en zelfs de hitte deert hen niet. Zij weten hoe de wereld er werkelijk uitziet.
            Wij zijn niet arm – ook niet met de belofte van armoede. Daar mogen we nog blij over zijn ook. Maar als we God zoeken in onze wereld, zullen we toch daar proberen te zijn, waar de armen zijn. En we durven misschien wel te geloven dat God er is voor ons, ook – of juist – als alles ons uit handen valt en niemand positief over ons praat.

 

inleiding prof. dr. Panc Beentjes
preekvoorbeeld drs. Hans Sevenhoven

webdesign: Artis