16 september 2018
Vierentwintigste zondag door het jaar – begin van de Vredesweek

Lezingen: Jes. 50,5-9a; Ps. 116; Jak. 2,14-18; Mar. 8,27-35 (B-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 50, 4-9a
Deze lezing uit Deuterojesaja of Tweede Jesaja (40–55) is één van de vier zogeheten liederen van de dienaar of de knecht van de Heer (42,1-4; 49,1-6; 50,4-11; 52,13–53,12).
            Het verhaal in Genesis over Abrahams ‘gesjacher’ met God teneinde de vernietiging van de stad Sodom te voorkomen als hij vijftig, vijfenveertig, veertig … of uiteindelijk slechts tien rechtvaardigen zou vinden, is bekend (18,16-33). In dit verhaal worden onrechtvaardigen gered dankzij de rechtvaardigen, zonder dat de laatstgenoemden daaronder lijden.
            Aan de andere kant kennen we ook het voorbeeld van de rechtvaardige die lijdt: Job. Bij zijn vrienden komen we de gedachte tegen dat de lijdende mens het lijden aan zichzelf te danken heeft, maar Job verzet zich fel tegen die gedachte.
            Ook de lezing van vandaag uit Jesaja staat in het teken van het lijden van een rechtvaardige die zich de dienaar van de Heer noemt (50,10). Hij protesteert niet tegen dat lijden, maar aanvaardt het vrijwillig. Er is hier geen sprake van plaatsvervangend lijden dat geen halt maakt voor de dood zoals bijvoorbeeld in het vierde lied van de dienaar van de Heer.

In het derde lied van de dienaar van JHWH beginnen vier van de zes verzen met adonai jhwh, ‘mijn Heer, de Eeuwige’ (50,4.5.7 en 9). Dat maakt dit lied dat getuigt van een enorm Godsvertrouwen, zo persoonlijk. Prachtig is de manier waarop Gods relatie tot de profeet is beschreven:

            Met een woord wekt Hij mij in de ochtend,
            in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen.
            De Heer God heeft mijn oor geopend …
            (50,4v; zie de tegenstelling met 48,8).

Zo beschrijft de profeet, hoe JHWH hem heeft toegerust voor zijn rol als profeet om ‘uitgeputte mensen bij te kunnen staan’ (50,4). God heeft hem ontvankelijk gemaakt voor zijn woord. Tegelijkertijd moet hij als profeet de nodige pijn en beschimpingen uithouden.
            Het is een lied, een psalm, overlopend van vertrouwen op de Heer, vrij van elke klacht over het lijden dat hem overkomt. Integendeel, God laat hem nooit in de steek, hoe wanhopig zijn situatie ook is. ‘De Heer God staat mij bij’ (vv. 7 en 9). Niemand zal hem kunnen veroordelen.

De eeuwen door hebben mensen zich beziggehouden met de vraag wie er nu precies bedoeld wordt met die dienaar of knecht. Sommige Tenachverklaarders en rabbijnen uit de literatuur van Talmoed en Midrasj zagen in de dienaar de Messias, zelfs een Messias die plaatsvervangend moest lijden. Anderen vermoedden eerder dat het ging om het lijden van Israël door de eeuwen heen, om de profeet Jesaja of om profeten in het algemeen, of ook om rechtvaardigen zoals bijvoorbeeld de koningen Hizkia of Josia.
            In Handelingen 8,32-33 worden de verzen 7 en 8 uit Jesaja 53 letterlijk ‘geciteerd’ tijdens het gesprek tussen de kamerling uit Ethiopië en Filippus. Wanneer de kamerling vraagt over wie de profeet spreekt, past Filippus deze verzen toe op Jezus.

De brief van Jakobus 2,14-18
Jakobus stelt de vraag naar wat ons geloof eigenlijk voorstelt: wat baat geloof zonder daden?
            Blijft het bij geloven alleen, dan is het treurig met ons gesteld (vgl. Mat. 7,22-27). Zo’n geloof kan ons niet redden (2,14; 1,21).
Alleen al in de vijf verzen van deze lezing komen de woorden ‘geloof’ (pistis) en ‘daden’ (erga) zes respectievelijk vijf keer voor. Leest men daarbij de aansluitende verzen 19-26 die een geheel vormen met 2,14-18, dan komen we op een totaal van elfmaal ‘geloof’ (plus driemaal ‘geloven’) en twaalf maal het woord ‘daden’.
            De bedoeling van Jakobus is glashelder: geloof zonder daden stelt niets voor, het één kan niet zonder het ander. Hij licht dit toe met een aanschouwelijk voorbeeld: ‘Wat baat het als je zegt dat je gelooft, terwijl je broer of je zus niets heeft om aan te trekken of te eten. En erger nog, als je zegt: ‘Ga in vrede, houd u warm en eet maar goed’, zonder hun te geven wat ze nodig hebben, wat heeft dat voor zin?’ (2,15v) Zijn conclusie in 2,17 luidt: ‘Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen, als het zich niet uit in daden, dood.’ En in 2,26 concludeert Jakobus: ‘Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is het geloof dood zonder de daad.’

Marcus 8,27-35
Het middendeel van het evangelie van Marcus (8,22–10,52) begint en eindigt met de genezing van een blinde. De eerste genezing gaat direct vooraf aan onze evangelietekst (8,22-26).

Marcus 8,27-35 valt uiteen in drie perikopen:

            8,27-30           identiteit Jezus
            8,31-32           betekenis Messias
            8,33-35           betekenis navolging

De perikopen zijn onderling verbonden door het Griekse woord epitimao, iemand ernstig toespreken om iets te voorkomen of te beëindigen (Mar. 8,30.32.33). Daarbij spreekt Jezus eenmaal de leerlingen toe in verband met de noodzaak om zijn identiteit geheim te houden en eenmaal Petrus, om zijn rol als satan op te geven. Ook Petrus neemt in vers 32 dit woord in de mond; hij spreekt Jezus toe om hem van zijn weg van het lijden af te houden en toont daarmee aan dat hij niets heeft begrepen van wat Messias inhoudelijk betekent en van wat Jezus eerder in vers 31 probeerde uit te leggen.

Jezus is met de leerlingen onderweg en de verandering van locatie markeert het begin van iets nieuws. Hij trekt nu buiten Galilea door heidens gebied, door de dorpen bij Caesarea van Filippus (ter onderscheiding van het andere Caesarea aan de kust van de Middellandse Zee). In Caesarea van Filippus stonden tempels voor Baäl, Pan en de ‘goddelijke’ keizer Augustus. Hier is het veilig voor Jezus. Als hij hier zou blijven, zou hem niets overkomen.
            Het gesprek onderweg gaat over de identiteit van Jezus zoals zo vaak in dit evangelie. Vanaf het begin verbazen de mensen zich over hem en vragen zich af wie hij is (1,22.27). En ook de leerlingen reageren op dezelfde wijze: ‘Wie is dat toch, dat zelfs de wind en het water naar hem luisteren?’ (4,41).
            Voordat Jezus de leerlingen naar hun persoonlijke mening vraagt, vraagt hij hun wat de mensen over hem zeggen. De antwoorden die zij geven, zijn dezelfde als eerder al Herodes kreeg (6,14v): Johannes de Doper, Elia of een van de profeten.
            Ook voor de lezer/toehoorder zijn deze antwoorden van anderen het overwegen waard. Is Jezus een profeet? Waarin onderscheidt hij zich van profeten? Wat is het nieuwe, het bijzondere van hem?
Pas als Jezus de vraag direct aan de leerlingen stelt, wordt het spannend. Want uit het gesprek dat Jezus en de leerlingen kort tevoren in de boot met elkaar hadden, bleek dat ze nog steeds niets van Jezus hadden begrepen (8,11-21). Ze hadden vergeten brood mee te nemen en ondanks de beide broodvermenigvuldigingen hadden ze niet in de gaten, dat nota bene hét brood bij uitstek bij hen in de boot zat.
            Wanneer men dit bedenkt, verbaast het zo treffende antwoord van Petrus. Hoe hij dit weet, waarop hij zijn antwoord baseert, blijft in tegenstelling tot de versie in het evangelie van Matteüs, onvermeld (Mat. 16,16-19).
            De omgeving van de heidense stad met haar godentempels en de wijd verbreide opvatting dat ook een mens als de keizer goddelijk kan zijn, is de context waarin de leerlingen moeten uitspreken hoe zij Jezus zien, wie Jezus volgens hen is en wie hij niet is. Hier zegt Petrus: ‘U bent de Messias’. Na de titel van het boek (1,1) is dit de tweede keer dat de uitdrukking Messias in verband met Jezus voorkomt.
            Opnieuw is het de opgave van de lezer/toehoorder om in de huidige context te achterhalen of en waarom Jezus voor hem de Messias is; wat onderscheidt hem van andere heilbrengers?
Bij een positief antwoord heeft dat gevolgen voor mijn gedrag en handelen, voor mijn relatie tot anderen en tot de wereld.

Wat de geheimhouding betreft, die komen we telkens weer tegen bij Marcus en heeft alles te maken met de aard van het messiasschap: Jezus wil kost wat kost een verkeerde voorstelling van zijn messiasschap vermijden. Bovendien wil Jezus steeds naar God en diens koninkrijk verwijzen.
            De belijdenis van Petrus vormt een keerpunt, vanaf nu legt Jezus de leerlingen voor het eerst uit dat hij naar Jeruzalem moet gaan om daar te lijden, te sterven en te verrijzen. Deze eerste lijdensaankondiging (er volgen er nog twee) wordt ingeleid door het Griekse woordje dei, dat duidt op onvermijdelijkheid, noodzakelijkheid, een ‘goddelijk moeten’. Dit heeft niet alleen betrekking op lijden en dood, maar zeker ook op de verrijzenis. Verder ook op het trouw zijn van Jezus aan zijn opdracht (zie het verband met de lezing uit Jesaja).
            Dan blijkt dat de leerlingen bij monde van Petrus deze vorm van messiasschap niet begrijpen.

Petrus wil Jezus behoeden voor het lijden en dat wordt hem niet in dank afgenomen. Jezus noemt hem ‘satan’ en ‘jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen’(8,33). De menselijke liefde van Petrus staat de goddelijke liefde in de weg. Petrus moet geen eigen koers willen varen, maar achter Jezus aan gaan. Anders is hij als de satan in 1,12 die probeerde Jezus van zijn weg af te houden. Zijn beeld van Messias Jezus klopt niet, het moet radicaal veranderen van een sterke en machtige politieke figuur, een vrijheidsstrijder, een overwinnaar, in een dienende en lijdende Messias.
            Na deze aanvaring spreekt Jezus over wat het betekent om hem te volgen, om ‘achter mij aan te gaan’ (8,34). Het is een leergesprek in bijzijn van de menigte. Wie Jezus volgt, redt zijn leven. Hier valt voor het eerst in het evangelie van Marcus het woord kruis, want Jezus volgen kan ook lijden betekenen. Wie lijdt en zijn leven verliest omwille van Jezus en de blijde boodschap zal zijn leven redden. Wie dit lijden, dit kruis, niet wil dragen, verliest zijn leven, wordt niet gered.

Zie: drs. Th.A.F.M. van Adrichem ofm, ‘Als iemand de eerste wil zijn. Petrus in het evangelie naar Marcus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 12-18

 

Preekvoorbeeld

Ja, en dan komt eindelijk het hoge woord eruit
en noemt een van de leerlingen
Jezus eindelijk ‘de Messias’.
Maar dan moeten ze er van Jezus direct over zwijgen.
Het is toch vreemd, vindt u niet?

Wat de langverwachte Messias zou moeten doen
als hij op dat moment in Israël zou verschijnen,
– in de tijd van de Romeinse bezetting –
daar was eigenlijk iedereen
het aan het begin van onze jaartelling over eens:
De Messias, de Redder, zou met daadkracht optreden
en als een sterke, onverschrokken held
Israël bevrijden van het Romeinse juk.

Jezus wil dit misverstand over hem echter niet versterken,
hij wil de dromen
over een gewelddadig verzet tegen de Romeinen niet voeden.
Daarom moeten de leerlingen erover zwijgen,
dat Jezus de Messias is.

Het koninkrijk Gods waar Jezus het over heeft
groeit als tarwe tussen het onkruid.
Het koninkrijk van God haalt niets overhoop
verandert de wereld ook niet in één klap in een soort paradijs,
maar wordt wel zichtbaar.
Het wordt zichtbaar in en tussen mensen.
Zichtbaar in mensen die echt kiezen voor het leven.
Echt leven is niet vlak en eentonig,
echt leven is vreugde kennen en verdriet,
echt leven is lief en leed delen,
echt leven is gezond zijn en ziekte kennen,
echt leven is het leven leven zoals het is.
en daarbij geloven in Gods aanwezigheid:
in goede tijden en in slechte tijden.

Bij Jesaja lezen we het al:
God is altijd bij ons.
Hoe wanhopig we ook zijn, hoe uitzichtloos de situatie ook is.
Dus niet klagen over het lijden, of God er de schuld van geven,
dat doen we tenslotte ook niet als het leven ons toelacht.
Nee, echt leven is erop vertrouwen dat ‘De Heer mij bijstaat’.
Altijd. In elke situatie.

Zou dat het geheim van Jezus zijn?
Een mogelijk antwoord op de vraag wie Jezus is?
Dat Jezus iemand is die
er voor 100% in geloofde dat God hem bijstond?
Dat hij daarom niet wegkeek bij het vooruitzicht
dat zijn leven door lijden getekend zou worden?
Dat hij de consequenties neemt van zijn keus voor
God en zijn koninkrijk?
Dat hij de onvermijdelijkheid niet ter discussie stelt,
omdat het leven nu eenmaal zo is,
met alles erop en eraan, met kwaad en goed?
Zou dat het geheim van Jezus zijn?
Dat Jezus concreet zijn schouders onder het leven zet
omdat God en hij partners zijn, Vader en Zoon?
Dat hij dat ook van zijn leerlingen verwacht?
Dat zij er ook voor 100% in geloven,
dat God hen nooit in de steek laat,
maar hen altijd bijstaat?

Stel, dat we dit echt tot ons zouden laten doordringen,
‘God staat mij bij! Altijd. In alle omstandigheden!’
Als we onze oren voor deze boodschap zouden openen
en daarmee in ons hart toelaten,
zouden wij dan inderdaad ons kruis op ons nemen
en in Jezus’ voetsporen gaan?

Als iemand in zijn hart een team vormt met God,
dan worden wij volgens mij tot die mensen waar Jakobus
het in zijn brief over heeft.
Tot zes keer toe hoorden we in het kleine stukje dat we lazen
dat ons geloof gepaard moet gaan met daden.
Geloof paren aan daadkracht.
Dat zijn gelovigen, die de handen uit de mouwen steken.
Die iets concreets doen.
Niet denken: ‘Ik ben maar de enige gelovige in mijn straat’ of
‘Wat ik zou kunnen doen is
toch maar een druppeltje op een gloeiende plaat.’
Of: ‘Wat kan ik in mijn eentje nu betekenen
in een wereld getekend door onrecht en lijden?’
Nee! Gewoon beginnen.
Want je bent niet alleen. God staat je bij!

Het doet me denken aan een man
die ik laatst in een televisieprogramma zag.
Deze man deed elke dag, anoniem,
iets verrassends voor een ander.
Zonder onderscheid des persoons.
Iedereen was kandidaat voor zijn liefde.
De ene dag stopte hij een briefje
onder een willekeurige autoruitenwisser met de tekst:
‘Ik wens U een hele fijne dag!’
De volgende dag gaf hij zomaar iemand een kraslot.
De dag daarna legde hij een ingepakt doosje chocola op een bankje,
met een briefje erbij: ‘voor de eerlijke vinder’.
Zo maakte hij – dag na dag – een klein verschil.
En ontlokte hij een glimlach aan iemand in zijn woonplaats.
En zei hij: ‘ik hoop dat een ander mijn voorbeeld volgt.
Dan zijn we al met zijn tweeën.
En daarna zijn we met 4, met 16, 32 met 64 enzovoorts.
Ik weet zeker dat er dan binnen de kortste keren
duizenden, tienduizenden mensen geraakt worden
door al die kleine blijken van belangeloze liefde.
Dat wordt een revolutie van liefde en een grote impuls voor de vrede.
Het zal het aanschijn van de aarde vernieuwen.’

Geloven met daadkracht, verandert de wereld.
Vandaag aan het begin van de vredesweek
zouden we het kunnen toepassen op onze ‘vrede-lievend-heid’.
Dus: De vrede lieven. De vrede liefhebben op een concrete manier.
Om te beginnen: echt tot ons door laten dringen
dat je er niet alleen voor staat,
want God staat je bij.
En dan beginnen...
We zijn hier al met een behoorlijk aantal mensen
dus dat is al mooi meegenomen.
Vredelievend zijn, dus...
je oordeel opschorten,
tevreden zijn met hoe het leven zich op dit moment manifesteert
ook als het tegen zit,
de ander zijn geluk gunnen,
de ander respecteren in zijn overtuiging,
een stapje opzij zetten,
iemand voor laten gaan,
een vriendelijk woord, een briefje,
een liefdevol gebaar maken
zonder onderscheid des persoons,
voor vriend en vijand.
Zet je eigen creativiteit aan het werk
en voer het uit.

Het kan! Eén iemand hoeft maar te beginnen.
Ik? Jij? Wij samen?
Deze vredesweek biedt ons daartoe een uitgelezen kans.
Laten we het gewoon doen,
ons geloof laten vergezellen door daden
en zo de komende zeven dagen
het verschil maken
in ons gezin, op ons werk, in onze buurt of onze school.
Een mooie vredesweek wens ik ons toe
en .... niet vergeten....God staat ons bij!

 

inleiding dr. Yvonne van den Akker
preekvoorbeeld drs. Ellie Keller-Hoonhout

webdesign: Artis