16 juni 2019
Drie-eenheid

Lezingen: Spr. 8,22-31; Ps. 8; Rom. 5,1-5; Joh. 16,12-15 (C-jaar)

 

Inleiding

Op het feest van de Drie-eenheid zullen we niet verrast zijn dat de lezingen spreken over God, Vader, Jezus Christus, (heilige) Geest. Met uitzondering dan van de eerste lezing uit het boek Spreuken. Daarin is Vrouwe Wijsheid aan het woord en zij getuigt dat zij vanaf den beginne JHWH ter zijde staat.
           De belijdenis van de Drie-ene God heeft zich pas in de eerste eeuwen van het christelijk geloven ontwikkeld en uitgekristalliseerd tot de trinitaire geloofsbelijdenissen die wij sindsdien kennen. Die belijdenissen komen tegemoet aan het verlangen om de innerlijkheid en structuur van God te kennen.
           In de hele joodse Bijbel is de nieuwsgierigheid naar de innerlijkheid van God bedwongen. God is daarin voor alles een levende God, een mysterievol wezen, waarvan het bestaan en de eigenschappen kenbaar zijn in zijn werken. In Israël was er huiver om in het mysterie binnen te dringen. Men liet het goddelijk wezen wat het was: heilig, onaantastbaar, onbegrijpelijk.
           Omdat ons geloven geworteld is in de joodse en bijbelse traditie, is er ons veel aan gelegen om de verdere ontwikkelingen van de geloofsbelijdenis binnen de christelijke gemeenschap met die oude traditie te verbinden. Met het oog daarop zijn de lezingen voor deze zondag gekozen.

Spreuken 8,22-31
Het boek Spreuken is een verzameling van kortere spreuken, gezegdes en vergelijkingen tot langere beschouwingen. Zij zijn in heel verschillende tijden en situaties ontstaan en spreken elkaar soms tegen. De oudste spreuken dateren vanaf de achtste eeuw en ze gaan tot de vierde eeuw voor Christus. Uiteindelijk zijn ze in de tijd na de ballingschap samengevoegd tot het verband waarin wij ze nu kennen.

De Wijsheid in het boek Spreuken betreft vooral praktisch inzicht. De Wijsheid wil helpen om inzicht te krijgen in wat rechtvaardig is (wat jhwh behaagt) en tot leven leidt: zij zet mensen op het spoor van rechtvaardigheid, recht en rechtschapenheid (Spr. 1,2.4) en ‘Wie mij vindt, vindt het leven en verwerft de gunst van jhwh’ (Spr. 8,35).

Zoals in het laatste citaat doorklinkt, wordt de Wijsheid voorgesteld als een persoon: Vrouwe Wijsheid. Haar tegenbeeld wordt overigens eveneens als persoon voorgesteld: Vrouwe Dwaasheid (Spr. 9,13-18). Daarnaast komen we in het boek Spreuken nog andere vrouwen tegen: De moeder van koning Lemuël (Spr. 31,1-9) en de sterke vrouw (Spr. 31,10-31) en in verschillende passages is er ook nog sprake van een ‘vreemde vrouw’ (Spr. 2,16; 5,3-20; 7,5).

Spreuken 8,1–9,12 gaan over Wijsheid. In 8,1-11 horen we hoe Vrouwe Wijsheid zelf naar buiten gaat en roept om aandacht en luisterbereidheid voor haar woorden en inzichten. Vervolgens vertelt zij wat haar wijsheid inhoudt (8,12-21): zij beschikt over weldoordachte kennis, raad, scherpzinnigheid en kracht. Voorspoed en eer vallen hen ten deel, die met haar de weg van de rechtvaardigheid bewandelen. Wie zich laat leiden door Wijsheid kiest voor de weg van behoud en redding (Spr. 8,32-36).
           Maar wie is Wijsheid eigenlijk? Dat is een belangrijke vraag voor wie met haar in zee gaat. Want er zijn ook andere vrouwen die om aandacht vragen in het boek Spreuken.
In Spreuken 8,22-31 geeft Wijsheid haar legitimatie: een bewijs van wie zij is en wat haar bevoegdheid is.
           De eerste twee verzen 22 en 23 luiden: ‘De heer schiep mij aan het begin van zijn weg. Nog voor zijn werken, van oudsher. Uit eeuwigheid ben ik gevormd, vanaf het begin, voordat de aarde ontstond’ (wv 1995). Een andere vertaling luidt: ‘De heer heeft mij tot aanzijn geroepen als het begin van zijn wegen, vóór zijn werken van ouds af. Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd, van den beginne, eer de aarde bestond’ (nbg 1995). En weer een andere vertaling zegt: ‘JHWH bezat mij als begin van zijn wegen, eerder dan zijn werken, van oudsher. Een eeuwigheid geleden ben ik gevormd, vóór de aanvang, vóór de tijd van der aarde begin’ (Van der Ploeg, 1952).

Het Hebreeuwse werkwoord dat in vers 22 gebruikt wordt is: qanah en heeft de volgende betekenissen: verwerven, bezitten, en soms ook scheppen. De hiervóór vermelde vertalingen spreken in alle geval over de bijzondere relatie van Wijsheid tot JHWH. Maar zij kiezen voor verschillende verwoordingen om de relatie aan te duiden: jhwh die de Wijsheid vanaf den beginne bezit of die haar tot aanzijn roept of die haar geschapen heeft.
           Wijsheid is in alle gevallen bij God van vóór de schepping van de aarde. Zij gaat dus alle mensen te boven. Zo vinden we ook bij Job: ‘Maar wijsheid, waar vind je die? Weet iemand waar zij woont? Geen mens kent de weg naar haar toe, in het land van de levenden is zij onvindbaar’ (Job 28,12v).

In de Schrift is Wijsheid een vaste begeleidster van JHWH. In Spreuken 8,30 wordt zij diens ‘uitvoerster’ genoemd, ’troetelkind, lieveling’. Rabbijnen zagen in Wijsheid een ‘voedster’, een baker, die mét de aarde speelt, niet óp de aarde.

In Spreuken 8,24-29 wordt op een dichterlijke wijze de schepping beschreven van de aarde, uiteraard volgens het toenmalige wereldbeeld: een aarde die op zuilen gegrondvest is en overwelfd door een firmament met hemellichten en met wateren erboven en eronder.

Romeinen 5,1-5
De brief van Paulus aan de Romeinen is zorgvuldig opgebouwd en spreekt, zoals ook in andere brieven van zijn hand, over de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde. Na een inleiding gaat het eerste deel vooral over de bevrijding van eenieder die gelooft (Rom. 1,18–4,25). In het tweede en meest omvangrijke deel gaat het over de zekerheid van onze hoop (Rom. 5,1–11,36) en in het derde deel over de liefde als vervulling van de wet (12,1–15,13).

We lezen vandaag het begin van het tweede deel, het deel dat over de hoop gaat. In het eerste vers spreekt Paulus over de actuele situatie: Wij mogen leven in vrede met God omdat Jezus Christus voor ons de weg daartoe gebaand heeft. Vanuit dat geloof mogen we leven. Over het geloof ging het in het eerste deel van de brief. Een geloof dat niet gebaseerd is op verdienste maar op louter genade, ‘de genade waarin wij staan’ (v. 2).
           Op basis van dat geloof mogen we ‘roemen’ vanwege onze hoop op Gods heerlijkheid. Dat roemen moeten we niet verstaan als een vorm van goede sier willen maken, een roemen op onszelf. Voor een goed verstaan van dit roemen is het raadzaam om vers 11 van dit vijfde hoofdstuk erbij te betrekken. Daar vinden we een soortgelijke gedachte: ‘nu reeds roemen wij op God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen.’ Het roemen betreft niet henzelf, maar oorzaak van hun roemen is God zelf. Door hun luidop roemen getuigen zij van God en van hun hoop op het delen in diens heerlijkheid.

In vers 3 gaat Paulus nog een stap verder, wanneer hij schrijft ‘Wij roemen ook op onze beproevingen’. Het roemen van gelovigen manifesteert zich niet alleen in goede tijden, maar ook in tijden van onzekerheid en tegenslag. Waarom zou je daarop roemen? Omdat die leiden tot volharding, versterking van de deugd en uiteindelijk tot een steviger fundament van de hoop. Deze laatste schakelredenering lijkt te berusten op ervaringen van Paulus zelf en van zijn medechristenen. Namelijk de ervaring dat beproevingen hen sterker hebben gemaakt en de hoop gevoed.
           Voor een dergelijke wonderlijke combinatie van lijden en kracht verwijs ik naar een andere brief van Paulus, waar hij schrijft: ‘Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus … voor hen die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, Gods kracht en Gods wijsheid’ (1 Kor. 1,24).

Er is nog een andere oorzaak die de hoop voedt: door de gave van de heilige Geest is Gods liefde in het hart van de christenen uitgestort’ (v. 5). Wie zijn hoop en vertrouwen stelt op God zal nooit teleurgesteld worden of beschaamd. Zo zegt het Psalm 22,5v: ‘Onze vaderen vertrouwden op U..., hun vertrouwen in U werd nooit beschaamd.’ En ook Psalm 25,3: ‘Wie op U hoopt,wordt nooit beschaamd.’

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’, in: H. Janssen & K. Touwen (red.) Paulus zelf. De zeven echte brieven. Exegese en Preken, Vught 2014 20152, 75-86

Johannes 16,12-15
Het evangelie van deze zondag bestaat uit enkele verzen uit de afscheidsrede van Jezus in het Johannesevangelie (Joh. 13,31–17,26). Daarin spreekt Jezus tot zijn leerlingen over de komst van de Geest. Over diens komst heeft hij al eerder in de afscheidsrede gesproken: ‘De Helper die de Vader jullie in mijn naam zal zenden, zijn heilige Geest .. zal jullie alles laten begrijpen wat Ik jullie gezegd heb’ (Joh. 14,26). En ook: ‘Wanneer echter de Helper komt die Ik jullie zal zenden als Ik bij de Vader ben – de Geest der waarheid, die van de Vader komt – zal Hij over mij getuigenis afleggen en ook jullie moeten getuigenis afleggen, want jullie zijn vanaf het begin bij Mij’ (Joh. 15,26v).

In het evangelie geeft Jezus zijn leerlingen te kennen dat hij hen in zijn onderricht behoeden wil voor een overdosis. Zij kunnen nog niet alles bevatten (v. 12). Jezus bedoelt niet dat er na zijn heengaan nog nieuwe openbaringen zullen komen. Hij vertrouwt zijn leerlingen toe dat zij na zijn dood en verrijzenis tot een beter en voller verstaan zullen komen van wat er door Jezus’ toedoen gebeurd en gezegd is.
           Zoals zijn woorden over het afbreken van de tempel en het opbouwen in drie dagen. Pas na zijn verrijzenis begrepen zijn leerlingen dat Jezus had gedoeld op de tempel, die hijzelf was (vgl. Joh. 2,21v). En tot Petrus, die aanvankelijk weigert om zich door Jezus de voeten te laten wassen, zegt Jezus: ‘Wat Ik doe, daar heb je nu geen begrip van; later zul je het begrijpen’ (13,7). Het onbegrip van de leerlingen is een terugkerend thema in het Johannesevangelie, en vraagt om inzicht op een later moment.

Jezus spreekt over de komst van de Geest der waarheid. Die zal ‘jullie leidsman naar de volle waarheid zijn’ (v. 13). Sommige oude handschriften van deze tekst hebben niet ‘naar’ (eis) maar ‘in’ (en). Dus de Geest is niet alleen een leidsman naar de waarheid, maar ook een leidsman in de waarheid. Waarheid is niet het doel, maar de weg en de sfeer waarin zij door de Geest moeten worden ingevoerd. Zoals ook wel eens van vrede gezegd wordt: Er is geen weg naar vrede, vrede is de weg. Zo zou je hier kunnen lezen: Er is geen weg naar waarheid, waarheid is de weg.’
           Wie in de Schrift bij uitstek leiding kan geven aan mensen op deze weg van de waarheid is Vrouwe Wijsheid (vgl. Spr. 8,32: ‘Gelukkig degenen die zich aan mijn wegen houden’ en Wijsh. 10,10: ‘Zij was het die de rechtvaardige … langs rechte paden leidde’).
In zijn evangelie tekent Johannes Jezus met de trekken van deze gepersonifieerde goddelijke wijsheid, zoals hij dat ook doet bij de figuur van de Helper, de Geest der waarheid.

Deze Geest der waarheid handelt en spreekt niet op eigen gezag, maar op gezag van anderen, die hem woorden ingeven. Daarbij is er in de verschillende Schriftteksten geen eenduidigheid over wie de Geest zal aansturen en zenden.
           De citaten die we aan het begin van deze toelichting bij Johannes aanhaalden zeggen nu eens dat het de Vader is die de Helper zal zenden: ‘De Helper die de Vader jullie in mijn naam zal zenden’ (Joh. 14,26). En elders is het de Zoon, die zendt: ‘de helper die Ik jullie zal zenden als Ik bij de Vader ben (Joh. 15,26). De zending van de Helper door de Vader (14,26) en door Jezus (16,7) komen naast elkaar voor. Omdat Vader en Zoon één zijn, bestaat er geen spanning en kan Jezus zeggen: ‘Alles wat de Vader heeft, is ook van mij. Daarom mag Ik zeggen dat hetgeen Hij jullie zal melden, van Mij komt (v. 15).

Vers 13c: ‘En wat komen gaat, zal Hij jullie meedelen.’ Het gaat hier niet om een voorspelling of openbaring van iets nieuws. De rol van de Helper is om de betekenis van wat Jezus heeft gezegd en gedaan voor deze tijd aan het licht te brengen; om de overgeleverde woorden tot leven te laten komen en werkzaam te doen zijn in onze situatie en tijd.

 

Preekvoorbeeld

Men meent dat Johannes intussen negentig jaar was geworden, toen hij zijn evangelie schreef. Dan was het ongeveer zeventig jaar geleden dat Jezus in zijn leven was binnengestapt. Hij kijkt terug op wat Jezus allemaal te weeg had gebracht. In zijn persoonlijk leven en in dat van de andere volgelingen. Hoe meer tijd er overheen ging, hoe duidelijker het voor hem werd.

Jezus was anders
Want Jezus was zo anders geweest. Zo anders dan de godsdienstige cultuur van zijn jeugdjaren. Als je in die tijd in de narigheid zat, of ziek was, dan werd dat beschouwd als een straf van God. Je had een zonde begaan, en nu had God zich van je teruggetrokken. Zo had de duivel vrij spel gekregen en dat zou blijken uit je ziekte of de narigheid. ‘Tja, daar kunnen wij ook niks aan doen. Dat is iets tussen God en jou.’ Zulke mensen werden onrein verklaard, en uit de samenleving verbannen, want als je ze aanraakte, werd je net zo onrein als zij.
Stel je voor, net op het moment dat je hulp het hardste nodig hebt, word je aan je lot  overgelaten en teruggedrukt in je ellende. En dat nog wel met de Bijbel in de hand...
           En toen was daar Jezus gekomen. Zo anders. Hij had medelijden getoond met de slachtoffers van die redenering. Hij liet zich juist wél raken – letterlijk en figuurlijk – door het lot van die mensen. Hij verklaarde ze niet onrein, duwde ze niet van zich af. Integendeel, hij genas ze, vergaf ze en schonk ze een nieuw leven. Zo anders. Wat een weldaad was hij geweest. Mozes had de Wet en de Geboden doorgegeven. Maar Jezus had genade gebracht. Genade op genade. Hij had laten zien dat God liefde is. Zelfs toen de religieuze leiders zich tegen hem keerden en hem ten slotte uit de weg wensten te ruimen, bleef Jezus consequent zijn lijn van liefde en genade volgen.
Onbegrijpelijk. Verbijsterend. Bovenmenselijk.

Van God afkomstig
Zoveel goedheid en genade was nog nooit vertoond. Hoe meer Johannes erop terugkeek, hoe meer het voor hem duidelijk was, dat Jezus vervuld was van een mentaliteit, een geest, die niet van de mensen kwam, maar van God zelf. Adembenemend inzicht. Dat betekende dat Jezus Gods geest van bij God in de hemel naar ons op aarde had gebracht. Dat hij van God zelf afkomstig was.
           Ja, nu, na zeventig jaar, kon Johannes dat allemaal overzien. Destijds, op het moment zelf, hadden ze het eenvoudig ondergaan. Hij dacht terug aan die gedenkwaardige laatste maaltijd met Jezus. Hij herinnerde zich de woorden van Jezus: Nog veel heb ik jullie te zeggen, maar je kunt het nog niet allemaal bevatten. Maar wanneer de geest komt, dan zal hij jullie alles duidelijk maken. Welnu, die geest was intussen gekomen, met Pinksteren. We hebben het vorige week gevierd. En sindsdien waren hij, Johannes, en de andere leerlingen vervuld geraakt van die geest van liefde en genade, die Jezus had bezield. Zij, de leerlingen, waren nu de dragers van Gods geest geworden. Zo anders.

Dragers van Gods Geest
Stel je voor, de geest die in de hemel heerst bij God..., de geest die precies de hemel tot hemel maakt..., de geest van liefde en genade, strekte zich nu uit tot op de aarde onder de mensen. Tegenwoordig hebben wij met internet een wereldwijd web. Maar doordat de geest vanuit de hemel sinds Pinksteren ook de aarde omvat hebben we met Gods Geest een hemel-en-aarde-web. Wij, volgelingen van Jezus, zijn opgenomen in het mysterie van Gods liefde. Wij maken deel uit van de Drie-Eenheid. Wat een geschenk. En elk van ons wordt uitgenodigd dat web van liefde en genade verder uit te spreiden over wie wij maar tegenkomen.
           Je hoort het niet vaak, maar ik ben vandaag geneigd tegen u en tegen mezelf te zeggen: ‘Ik wens u een Zalige Drie-eenheidzondag!’

 

inleiding drs. Theo van Adrichem ofm
preekvoorbeeld drs. Dries van den Akker sj

webdesign: Artis