14 januari 2018
Tweede zondag door het jaar

Lezingen: 1 Sam. 3,3b-10.19; Ps. 40; 1 Kor. 6,13c-15a.17-20; Joh. 1,35-42 (B-jaar)

 

Inleiding

De eerste zondag door het jaar wordt steeds de Doop van de Heer gevierd, met eigen lezingen. Vandaag begint de periode van de ‘groene zondagen’, de zondagen door het jaar waarin groen de liturgische kleur is. Dit jaar b is het Evangelie volgens Marcus leidend, maar soms afgewisseld door het Evangelie van Johannes. En vandaag is dit ook het geval.

1 Samuel 3
De eerste lezing vertelt ons van de roeping van Samuël, de latere profeet die zowel Saul als ook David tot koning van Israël moest zalven. De kleine Samuël is door zijn moeder aan God de Heer afgestaan, uit dankbaarheid dat zij op latere leeftijd toch nog moeder was geworden na haar vurig gebed. In de tempel van Silo is de kleine Samuël bij de priester Eli ondergebracht die hem zal opvoeden. Het verhaal begint al in vers 1: ‘In die dagen was een woord des Heren schaars en visioenen waren niet talrijk’. En dan begint onze tekst nog met ‘de lamp van God was nog niet gedoofd’. Deze inleidende opmerkingen van de verteller maken al dat de lezer attent wordt op wat er komt. God is wel present, maar amper opgemerkt.
Dan begint het verhaal over de kleine Samuël, die zijn naam hoort noemen. Hij denkt dat zijn opvoeder, de priester Eli hem roept. En zegt: ‘Hier ben ik, u hebt mij toch geroepen’. Maar deze maakt duidelijk dat hij niet geroepen heeft. En Samuël gaat weer slapen op diens woord. Maar na drie keer wordt het Eli duidelijk dat als het nog een keer zou gebeuren, het God de Heer kan zijn die Samuël roept. Hij raadt de jongen aan weer te gaan slapen en als hij weer zijn naam hoort roepen om dan te zeggen: ‘Spreek Heer, uw dienaar luistert’. Dan gebeurt het. Een vierde keer komt de Heer hem roepen. De verteller is heel subtiel in zijn woordkeus. ‘Toen kwam de Heer bij hem staan en riep: Samuël, Samuël!’ En de jongen antwoordt met de woorden die hij geleerd heeft van Eli: ‘Spreek Heer, uw dienaar luistert’. Dan volgt in de liturgische lezing nog een afsluitende zin over het opgroeien van Samuël, dat de Heer met hem was en ‘geen van zijn woorden op de grond liet vallen’ zoals er letterlijk staat.
In dit verhaal zijn een paar gegevens opmerkelijk. Voor eerst al dat een woord des Heren schaars was. Het leidt in hoezeer Samuël niet het woord van de Heer zomaar kon herkennen. En visioenen waren ook zeldzaam. Maar de olielamp van God was nog niet gedoofd. Het licht van God was nog wel aanwezig, en daarmee hijzelf ook. En in die spanning komt het woord tot Samuël. Hij antwoordt wel met: ‘Hier ben ik’. Dat is de stijl van het antwoord van de rechtvaardige. Zo wordt Samuël al direct als een rechtvaardige getekend. Dan leert Eli hem wat hij moet antwoorden: ‘Spreek Heer, uw dienaar luistert’. Let op de volgorde. Bidden begint met luisteren. Zijn onze gebeden niet vaker: ‘Luister Heer, uw dienaar spreekt…’ ( vrij naar Henk Jongerius op).
Vervolgens: de vierde keer roept God de jongen twee keer bij zijn naam: ‘Samuël, Samuël!’. Dat komt maar een paar keer voor in het Oude Testament. En naar rabbijnse uitleg is dit een signaal van bijzondere roeping. Het komt voor bij Abraham (Gen. 22,11) als hij weerhouden wordt om Isaak te offeren, bij Mozes (Ex. 3,4) als hij geroepen wordt bij het brandende braambos en bij Samuël hier (3,10). Maar ook in het Nieuwe Testament. Het is met name de Evangelist Lucas die deze rabbijnse uitleg in zijn stijl overneemt in zijn boeken: Bij Paulus (Hand. 9,4), bij Simon Petrus (Luc. 22,31) en: bij Marta! (Luc. 10,41). Allemaal roepingen tot een ander leven, nieuwe oriëntatie op je levensweg.

Psalm 40 is gekozen om de hoorder van de eerste lezing haar of zijn eigen roeping te laten beamen: ‘Uw wil te doen is mij een vreugde…’

1 Korintiërs 6
De tweede lezing is een gedeelte uit hoofdstuk 6 van de Eerste Brief aan de Korintiërs. Paulus heeft de parochie van Korinte vermaningen gegeven en in de passage die aan de perikoop van vandaag vooraf gaat er ook op gewezen dat zondaars het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. En hij somt dan een aantal ondeugden, waar sommigen van bevrijd en verlost zijn. In de perikoop van vandaag gaat hij daarop door. Het lichaam is er voor de Heer, en ontucht of hoererij past daar niet bij. Het lichaam van een leerling van Jezus is een tempel van de Heilige Geest die in ons woont. Dat is wel wat anders dan ‘een kerker voor de ziel’ die er door de dood uit bevrijd zou moeten worden… We zijn ledematen van het Lichaam van Christus. Dus van de Heer en niet meer eigendom van onszelf, redeneert Paulus. Maar de vraag ‘heb ik een lichaam, of ben ik een lichaam?’ is van de twintigste eeuw…

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Johannes 1
De Evangelielezing gaat over de eerste volgelingen van Jezus. De evangelist heeft de positie van de Doper getekend in hoofdstuk 1,19-34, in een tweevoudig tableau. Dat is al een uitwerking van wat in de proloog geschreven is in 1,6-8. In dit tweevoudig tableau – over twee dagen verdeeld – maakt de evangelist ten overstaan van afgezanten van de Farizeeën duidelijk wat de Doper niet is en wat hij wel is. En hoe hij Jezus betitelt als ‘het Lam Gods dat wegneemt de zonde der wereld’ en hoe hij getuige werd van de neerdaling van de Geest op Jezus bij diens doop. Zo wordt de Doper door de Evangelist tot christelijk getuige/gelovige gemaakt. Hij laat hem in de eerste persoon zeggen: ‘Ik heb gezien en getuigd dat deze de Zoon van God is’.
Daar begint de liturgische lezing van vandaag. Het gaat weer over ‘de volgende dag’, als Johannes er weer staat met twee van zijn eigen leerlingen. En als hij Jezus ziet, betitelt hij hem weer en zegt: ‘ Zie, het lam Gods’. De twee leerlingen horen dat en volgen dan Jezus. Als Jezus dat merkt, vraagt hij: ‘Wat zoeken jullie?’ Anders dan in de synoptische evangeliën vraagt Jezus, en roept hij niet direct ‘volg mij’. De vraag is ook niet ‘wie’ zoekt gij, maar ‘wat zoekt gij’. Zij antwoorden dan: ‘Rabbi, waar houdt u zich op’. Deze vorm van vertaling verliest een specifiek johanneïsch aspect. In de NBG wordt vertaald: ‘Rabbi, waar houdt u verblijf?’ Hier zit nog dat woord ‘blijven’ in dat zo specifiek voor het Johannesevangelie is, in de hoofdstukken 6, 7, 14 en 15, die gaan over de relatie van Jezus met zijn leerlingen. Jezus nodigt hen uit: ‘Kom en je zult zien’. Ze gaan op die uitnodiging in en zien waar hij verblijft en zíj blijven die dag bij hem. Het was omstreeks het tiende uur, noteert de schrijver er nog bij. Er staat zelden of nooit een woord teveel in de Schrift. Wat mag dit dan beduiden? Soms wordt gewezen op het getal 10 als volheid, zowel in de antieke Joodse als Griekse wereld. Maar is dit tiende uur niet juist de tijd van de voorbereiding van het avondmaal? Bij de maaltijd houdt Jezus verblijf met zijn twee gasten. De eerste volgeling blijkt Andreas te heten en hij zoekt zijn broer Simon. En zegt: ‘We hebben de Messias gevonden’. Andreas brengt hem bij Jezus en hij krijgt naast zijn naam Simon de toevoeging Kefas.
Opmerkelijk in dit verhaal is dat het nodig blijkt tot driemaal toe termen uit te leggen of te vertalen. Het betreft de woorden ‘rabbi’, ‘messias’ en Kefas. Dat veronderstelt dat de eerste lezers voor wie dit Evangelie geschreven is, deze woorden niet kennen. En latere lezers ook niet. Dit alleen al betekent dat de tekst meer lagen kent dan een bericht over hoe de eerste leerlingen geworven zijn. Daarmee krijgt ook de vraag ‘Wat zoeken jullie?’ diepere betekenis voor de lezer in een latere tijd en context. Deze vraag raakt aan het beeld van het mensenleven als een zoektocht. Deze zoektocht naar zin en levensdoel krijgt antwoord van Jezus: kom en je zult zien. Zo presenteert de evangelist ‘verblijven bij Jezus’ als de plek waar de volheid en zin van het leven gevonden kan worden. Maar dan heeft het ‘tiende uur’ als voorbereiding en maaltijd met Jezus ook een diepere betekenis. Hun leven lang zullen de lezers van Johannes juist daar de Heer vinden, bij de Maaltijd des Heren, het heilig Avondmaal, de Eucharistie.

 

Preekvoorbeeld

Zie, ik begin iets nieuws!

‘In die dagen was het woord van de Heer een zeldzaamheid en kwam een visioen niet dikwijls voor’: zo begint de eerste lezing. Een situatieschets van de toestand van het heiligdom en van de godsdienst. Priester Eli is oud en blind en zijn twee zonen, zo laat het verdere verhaal horen, hebben zich van de godsdienst afgekeerd en komen niet in aanmerking voor opvolging. Wintertijd. Onze tijd, zo kan je denken. En wintertijd is nog niet het goede beeld. Want wij weten: na de winter komt noodzakelijk de lente. Maar onze menselijke geschiedenis, ook die van godsdiensten en kerken, gehoorzaamt niet aan deze natuurwet van de seizoenen. Er zijn hele culturen, volkeren, godsdiensten die definitief tot de geschiedenis en de archeologie behoren.
Maar de bijbelse verhalen leren ons: als er één is die zich niet bij de zogenaamde feiten neerlegt, dan is dat God zelf. Waar wij tot defaitisme, oppervlakkigheid of wanhoop dreigen te komen, is hij een dwarsligger. Heel het bijbelse verhaal is een geschiedenis niet van winter en lente, maar van vallen en opstaan. Telkens opnieuw begint God met mensen, met Israël, met zondaars en verlorenen. Ook als tempels en kerken dreigen musea of ruïnes te worden, ook als religieuze rituelen herleid zijn tot routine of toeristische attracties, dan nog blijft hij het vertrouwen in de mens bewaren, dan nog roept hij.
En altijd opnieuw gaat het daarbij over individuele mensen. Zoals de kleine Samuël: hij is door zijn moeder Hanna aan het heiligdom afgestaan en hij is in dienst bij priester Eli. Maar, zegt de lezing, de Heer kent hij nog niet en een woord van de Heer is hem nog nooit geopenbaard. Zoals een kind dat wel gedoopt is, maar verder geen voeling of kennis heeft met Gods Woord. Samuël wordt naar het goede antwoord gebracht door Eli: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’
Johannes stuurt zijn twee leerlingen naar Jezus toe: ‘Daar is het lam van God.’ Twee individuele mensen, blijkbaar wel op zoek, maar nog onbestemd. Ongetwijfeld zijn zij gelovige mensen, maar zij kennen zoals Samuël hun Heer nog niet. Die zullen zij ontdekken in Jezus. Die houdt hen hier geen leer voor, maar een simpele uitnodiging: ‘Kom en zie’.
Deze verhalen zijn telkens het verhaal van het mosterdzaadje: een onooglijk begin, maar het begin van een boom, van een nieuw stuk heilsgeschiedenis, waarin aan mensen recht wordt gedaan zoals God het van het begin af aan heeft gedroomd. Verhalen van hoop.

Herkennen wij zelf zulke verhalen van hoop in onze wereld, in onze omgeving? Zien wij God aan het werk in mensen die zoals Jezus al weldoende rondgaan? Misschien kijken wij niet altijd in de goede richting. Of we zitten vast in de beelden van het verleden. En bovendien is het moeilijk om nu al te voorspellen welk zaadje toekomst zal maken. Gods toekomst begint klein: met een knaapje in een uitgedoofd heiligdom. Met enkele jongelui die nog hun weg aan het zoeken zijn. Weinig laat voorspellen dat het knaapje Samuël de rechter en profeet zal zijn die de eerste koningen van Israël zal zalven, Saul en David. En dat die eerste leerlingen van Jezus mensenvissers zullen worden en aan de wortels staan van ons eigen geloof en van onze kerken: daaraan zullen ze zelf nooit gedacht hebben.
Ook bij Jezus leek Gods toekomst aan een zijden draadje te hangen. Ook zijn verhaal leek naar een einde te lopen met zijn gevangenneming en kruisdood. Petrus, die hier in het evangelie door Jezus profetisch de naam Kefas krijgt, is als een steen door het water gezakt. De levende Heer zal hem moeten opvissen om hem werkelijk tot mensenvisser te maken.

Wees maar niet bang, ook als Gods toekomst aan een dun draadje lijkt te hangen. Misschien ben jij voor de een of andere mens dat dunne draadje. Je kent het antwoord van Samuël: ‘Spreek, Heer, uw dienaar luistert.’ Is een mens ooit te oud om zijn stem te horen? Zijn we bang om onze vertrouwde manier van leven te verliezen? Om uit onze slaap gewekt te worden? Misschien kunnen we enkel als Johannes een ander mens in contact brengen met Jezus, zonder het vervolg in eigen handen te hebben. Of zoals Eli vanuit onze eigen ontvangen traditie iemand een hint geven voor een goed antwoord. Maar altijd kan het ook ons eigen antwoord worden: wees dan maar niet bang voor de nog onbekende gevolgen van dit luisteren. Een mens worden die dwarsligger wordt op al te vanzelfsprekende onmenselijkheid, die tegenstem is tegen zoveel vormen van onrecht en kwaad, iemand die eigen carrière riskeert omdat hij eerder wil luisteren naar God dan naar wat past in veel machtshandelen en profijtdenken.
Bomen waaronder anderen even kunnen schuilen. Rotsen waarop anderen mogen vertrouwen. Uiteindelijk is Gods roepen van individuele mensen gericht op het vormen van menselijke gemeenschappen. Plaatsen waar mensen elkaar dragen en liefhebben en bij wie hij kan wonen. Midden in de wintertijd een warm huis voor vreemdelingen, weduwen en wezen.

Zie: Y. van den Akker-Savelsbergh, ‘Petrus in het evangelie van Matteüs – Van visser tot mensenvisser’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 19-26

 

inleiding drs. Henk Berflo
preekvoorbeeld Daniël De Rycke ofm

webdesign: Artis