14 juli 2019
Vijftiende zondag door het jaar

Lezingen: Deut. 30,10-14; Ps. 69; Kol. 1,15-20; Luc. 10,25-37(C-jaar)

 

Inleiding

Deuteronomium 30,10-14 – Doen
Wanneer ‘doet’ een mens, of een groep mensen, de (geboden van de) Thora? De Hebreeuwse tekst heeft voor de omgang met de Thora meerdere werkwoorden. De belangrijkste drie staan in deze perikoop. Israël ‘hoort’ (vv. 10.12.13), ‘bewaakt’/’bewaart’ (v. 10) en ‘doet’ (vv. 12.13.14) de Thora. Qua betekenis overlappen deze woorden elkaar. Vaak komen ze voor in combinatie, zoals horen en doen (vv. 12.13.14) of horen en bewaken/bewaren (v. 10).
            De voor de hand liggende volgorde is: eerst horen, dan bewaken/bewaren en doen. Meestal klopt dat, maar in Exodus 24,7 gaat ‘doen’ vooraf aan ‘horen’. Dat is mogelijk omdat de woorden van jhwh zo machtig zijn dat het horen ervan al impliceert dat ze worden gedaan, gehoorzaamd. De Thora is voor Israël niet simpel een voorschrift, maar allereerst een goddelijke belofte: als je Mij werkelijk hoort, dan gaat het zo en zo met jullie. Want wie de stem van jhwh hoort doet zijn woorden en bewaart/bewaakt ze (v. 10). ‘Woorden’ zijn in de Bijbel niet uitsluitend gesproken of geschreven zaken, maar geschiedenissen, feitelijke gangen van zaken.
            Is de Thora, als weg van vrijheid en vrede, ons dan niet ver weg en vreemd? Is de Thora niet feitelijk ondoenlijk (v. 11)? Is ‘Egypte’, het land van doodslag en geweld vanwaar wij zijn uitgeleid, dan toch nog steeds niet de norm, normaal? Nee, zegt Mozes, integendeel. Je hoeft om in vrede te leven geen toverkunsten uit te halen (vv. 12.13). Wanneer dat zo zou lijken is er iets mis met jullie. Dan zie je – bij voorbeeld – je naaste niet. Want de Thora is heus niet ‘ver weg’. Wie dat serieus meent is zelf helaas ‘ver weg’, vervreemd van het leven met het gebod waar de hele Thora van afhangt (Mat. 22,40): de liefde van en voor deze God en voor de naaste (Luc. 10,27). Maar ommekeer is altijd mogelijk, sterker: is feitelijk de enige weg vooruit.

Kolossenzen 1,15-20
Zie: H.M.J. Janssen, ‘De brief aan de Kolossenzen. Cirkelen rond het mysterie’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 38-46

Lucas 10,25-37 – Wie volgt?
Een wetgeleerde, kenner van de Wet (Thora) dus, stelt Jezus ‘op de proef’ met de vraag wat hij moet doen om het eeuwige leven te beërven (v. 25). Dat tekent direct de situatie. Iemand op de proef stellen doe je alleen wanneer je denkt een ondergeschikte tegenover je te hebben. Bovendien gaat hij er blijkbaar van uit dat het verkrijgen van dit eeuwig leven in zijn eigen macht ligt. Deze wetgeleerde hanteert zijn eigen veronderstelde hiërarchie. Maar die hiërarchie blijkt niet de hiërarchie van de God van de Thora te zijn.
            ‘Eeuwig leven’ is leven dat niet bezwijkt voor de verzoekingen van iedere dag, maar zich voorgoed geborgen weet in het verbond van de jhwh God. De term ‘beërven’ komt uit (de Griekse vertaling van) het Oude Testament en betekent daar soms (bijv. in Num. 21,35) meer door zware eigen inspanning ‘verwerven’, dan zonder noemenswaardige inspanning ‘erven’. De wetgeleerde houdt het blijkbaar op de eerste interpretatie.
            Het werkwoord ‘doen’ omraamt deze perikoop. Het staat aan het begin (v. 25), wordt van daar opgenomen in vers 28 en sluit af aan het eind (v. 37). De vraag van deze wetgeleerde geeft Jezus de gelegenheid duidelijk te maken wat je volgens de ‘wet’ (Thora) van de JHWH God doet en wat je niet doet. Niet op eigen gezag, maar op Zijn beminnelijk gezag.
            Op de vraag van de wetgeleerde geeft Jezus geen direct antwoord. Hij komt met een tegenvraag (v. 26) en verwijst de wetgeleerde naar iets waar hij verstand van moet hebben: de Thora. ‘Lezen’ is in de Bijbel altijd ‘voorlezen’. De wetgeleerde heeft zonder twijfel de wet vaak in de synagoge voorgelezen. Zijn samenvatting van de Thora, het dubbelgebod van liefde en solidariteit, met citaten uit Deuteronomium 6,5 en Leviticus 19,18, is dan ook geheel correct (v. 27).
            Maar begrijpt hij wel wat hij leest? Zijn bezwaar (v. 29) is typerend: ‘En wie is dan mijn naaste?’ In het Oude Testament komt die uitdrukking voor in Rechters 9,28, Daniël 3,15 (Theodotion) en Joël 2,11. Het is geen informatieve vraag, hij wil zijn gezicht niet verliezen en zich redden uit deze netelige situatie.
           De ‘naaste’ is in bijbels Grieks letterlijk de persoon naast wie je zit tijdens een gemeenschappelijke maaltijd. Figuurlijk is het iedereen waarmee je feitelijk te maken hebt. In bijbels Hebreeuws is de ‘naaste’ iemand (of een groep mensen) waarmee je samen in een bepaalde geschiedenis betrokken bent geraakt, met name wanneer het dreigt mis te gaan. De vertaling van het tweede deel van dit dubbelgebod is omstreden. Is ‘als jezelf’ een verwijzing naar zelfliefde, of is het een bijstelling bij de naaste ‘die is zoals jij’? Zo heeft Jezus Sirach het gebod verstaan. Hij vergt dat men de overtredingen van zijn naaste moet vergeven, omdat het zonde is genade te onthouden aan ‘iemand zoals uzelf’ (Sir. 28,3-5).
            Jezus antwoordt de wetgeleerde met het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Er is een oudtestamentisch voorbeeld dat een soortgelijk thema heeft (2 Kron. 28,5-15, vooral v. 15). Inwoners van Samaria verzorgen daar, tegen de normale regels van de oorlog in, een grote groep verslagen en hulpbehoevende Judeese krijgsgevangenen.
            De reacties van de Priester (v. 31) en de Leviet die hem volgt (v. 32; ‘Leviet’ betekent letterlijk ‘Volger’) zijn identiek: ze zien de halfdode man (dat wil zeggen: zijn aanwezigheid dringt goed tot hen door) en ze wenden zich af. De verdubbeling, wat de Leviet als dubbelganger van de Priester doet, onderstreept wat hier gebeurt. De wet wordt zeer letterlijk toegepast. Als belangrijke tempeldienaren willen zij (zie Thorateksten als Lev. 21,1 en Num. 19,11-22), niet de kans lopen een dood lichaam aan te raken met alle nare gevolgen van dien. De Samaritaan, die de halfdode man ook ziet, blijkt de Thora beter te verstaan.                                                                                                                 

Het woord ‘evenzo’, in vers 32, over de langs reizende Leviet, komt veelbetekenend terug aan het slot, in vers 37: ‘Ga heen en doe jij evenzo’. Zoals de Priester een volger heeft, zo moet nu ook de Samaritaan een volger krijgen. Jezus geeft de wetgeleerde – en daarmee iedereen die deze wetgeleerde volgt (dat zou dus ook op onszelf kunnen slaan!) – niet op. Ook voor hem, als hij eeuwig leven wil beërven, is die mogelijkheid er altijd.

 

Preekvoorbeeld

In een kamerdebat beroept een populistische politicus zich op Jezus: ‘Jezus heeft het er toch echt over dat je je nááste lief moet hebben. U heeft mensen ver weg misschien lief, maar uw naaste niet. Uw opstelling is ijskoud tegenover de Nederlanders die te maken krijgen met de pijnlijke gevolgen van massa-immigratie.’
            Kortom: eigen volk eerst. Het christelijke begrip ‘naastenliefde’ heeft het daarnaar gemaakt. Het is een woord dat weliswaar is afgeleid van de Bijbel, maar dat nu net de omkering die Jezus erin aanbrengt, niet heeft mee verdisconteerd. Het is een christendommelijk woord dat precies op het aangelegen punt de plank misslaat.
            Hoe komt het woord ‘naaste’ in het evangelie voor? Wie heeft het geïntroduceerd? Vanuit welke beweegreden? En welke correctie brengt Jezus aan zodat wij het woord ‘naastenliefde’ niet gemakkelijk meer op de lippen zullen nemen…

In het evangelie is het een wetgeleerde die met deze vraag bij Jezus komt. Eerst: ‘Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ Wij merken op wie hier in het midden staat, rondom wie deze vraag gecentreerd is, wie hier de regie heeft: ‘Wat moet ík doen…’
            Het aardige van Jezus is dat hij nauwelijks antwoord geeft, maar een verder leidende vraag stelt: ‘Wat staat er in de Wet geschreven, wat leest u daar?’ Wij merken op dat Jezus met die vraag iets anders in het midden stelt, namelijk de Wet, de Thora. Niet deze man in het middelpunt van zijn universum. Nee, er is iets anders, een liturgisch centrum waar alles om draait: de Wet. Daar heb je je te vervoegen: ‘Wat leest u daar?’
            De wetgeleerde geeft dan blijk van zijn wetgeleerd inzicht en leest uit de hele Thora een tweeledig antwoord bijeen. Het is typerend voor de rabbijnse schriftuitleg een inhoudelijk verband te zien tussen teksten die overeenkomstig zijn geformuleerd. Dat is het geval met Deuteronomium 6,5: ‘Gij zult liefhebben (weahavta) de Heer, uw God…’ en Leviticus 19,18: ‘Gij zult liefhebben (weahavta) uw naaste als uzelf.’ Die twee gelijk geformuleerde zinswendingen moeten wel op elkaar zijn aangewezen. Ze worden dus samengenomen en beschouwd als de samenvatting van de Wet.
            Belangrijk om op te merken: daar is niets nieuwtestamentisch aan. Het liefdesgebod komt regelrecht voort uit de Thora, en Jezus en de wetgeleerde stemmen erin overeen.
‘U hebt juist geantwoord’, zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’ Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’
            De wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen, zich groothouden, zich uit de nesten werken. Hij voelde zich kennelijk gekrenkt. Om gezichtsverlies te voorkomen vroeg hij: ‘En wie is dan wel mijn naaste?’ Het evangelie noemt die vraag ‘zelfrechtvaardiging’. Niet een vraag die voortkomt uit compassie. Hij is nog steeds met zichzelf bezig.

Met ‘naaste’ is in de Bijbel bedoeld, letterlijk: degene naast wie je zit tijdens een gemeenschappelijke maaltijd; figuurlijk: degene op wie je in schade en schande betrokken bent geraakt.
            Daar kunnen we nu een discussie over voeren: over hoe ver je de cirkel trekt, waar de grens ligt, wie wel en wie niet. Maar Jezus vertelt nu een gelijkenis en ondermijnt met de Barmhartige Samaritaan het wereldbeeld van iedereen die – om zichzelf te rechtvaardigen – de naaste-kwestie stelt.

Als pointe van de gelijkenis vraagt Jezus: ‘Wie van deze drie – de priester, de Leviet of de Barmhartige Samaritaan – is volgens u de naaste gewórden van het slachtoffer van de rovers?’
            Dat is het verschil. Zolang je vraagt: ‘Wie is mijn naaste?’, sta jezelf in het midden en kijk je links en rechts naar wie er naast je staan. Met de vraag van Jezus: ‘Wie is volgens u de naaste gewórden?’, sta je niet meer zelf in het midden, maar staat iemand daar: in het midden, centraal, en jij gaat naast haar staan.

Met zijn gelijkenis haalt Jezus je hele wereldbeeld omver. Hij zegt je een stap opzij te doen, uit het middelpunt weg. Zodat je op die openvallende plek iemand anders aantreft. Wie weet hoe lang hij daar al staat. Maar zolang jij zelf het middelpunt bent van je eigen leven, zul je hem nooit zien. Zolang jij daar zelf staat, is het middelpunt bezet. Je kijkt wel links en je kijkt rechts, op zoek naar je naasten, daar maak je misschien een goede beurt mee. Maar toch is dat volgens Jezus je plaats niet. Het moet anders. Je moet van jezelf afzien, een stap opzij doen, en nog een stap. Dan, vanuit een geheel nieuw perspectief, kun je iemand anders pas echt zien, in een heelal dat niet meer door jou maar door haar wordt bepaald – de ander niet als randverschijnsel maar als brandpunt.

Alles schuift. En jij wordt naaste. Dus nooit meer ‘naastenliefde’ zeggen, want daarmee plaats je die ‘naaste’ in jouw entourage en jijzelf blijft de zon waar een heel stelsel omheen draait. Wat Jezus je voorhoudt is dat je je van dat wereldbeeld bekeert. Dat jijzelf naaste wordt en de wereld van een andere kant beziet, met andere ogen.
           Zo staat geschreven: ‘De geboden zijn heel dichtbij.’ Je hoeft er niemand op uit te sturen om ze uit de hoge hemel neer te doen dalen. Je hoeft niemand op pad te sturen om ze van de overkant van de zee weg te halen. Ze zijn heel dichtbij, je hoeft slechts een stap opzij te zetten.

 

inleiding prof. dr. Rochus Zuurmond
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

webdesign: Artis