14 april 2019
Palm- of Passiezondag

Lezingen: Luc. 19,28-40; Jes. 50,4-7; Ps. 22; Fil. 2,6-11; Luc. 22,14(23,1-49)-23,56 (C-jaar)

 

Inleiding

Evangelielezing in de palmliturgie: Lucas 19,28-40
Het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem komt in de vier evangelies voor, maar bij Lucas, die het tweede deel van zijn evangelie heeft gecomponeerd als een groot reisverhaal, krijgt het een extra dimensie. De openingszin van de perikoop: ‘Jezus trok verder en ging op naar Jeruzalem’ verwijst terug naar het begin van het ‘grote reisverhaal’ in Lucas 9,51: ‘Toen de tijd naderde dat Hij zou worden weggenomen, koos Hij vastberaden Jeruzalem als reisdoel’. Sindsdien heeft Lucas meerdere keren aan Jezus’ opgaan naar Jeruzalem herinnerd (zie Luc. 9,57; 10,38; 13,22.33; 17,11; 18,31).

In de verzen 29-36 volgt Lucas vrij letterlijk zijn bron, het Marcusevangelie (zie Mar. 11,1-10). Omstandig en nauwgezet wordt het gebeuren rond het veulen verteld. Jezus voorspelt precies wat er gaat gebeuren. Door Jezus hier met zo’n scherpe, vooruitziende blik te tekenen wil de verteller ons duidelijk maken dat Jezus ook gelijk zal krijgen in wat hij voorzegd heeft over zijn ‘uittocht’ (zie Luc. 9,31) in Jeruzalem. Jezus weet wat hem te wachten staat. Hij gaat de lijdensweek niet onvoorbereid binnen. Bovendien klinkt op de achtergrond van het verhaal een tekst uit de profeet Zacharia over de deemoedige koning die op een ezel rijdt (Zach. 9,9). Jezus trekt de stad niet te paard, als overwinnaar, binnen, maar als een rechtvaardige en zachtmoedige dienaar.

In de laatste verzen van het verhaal heeft Lucas enkele betekenisvolle wijzigingen aangebracht ten opzichte van zijn brontekst. Omdat hij voor heidenchristenen schreef, heeft hij de joodse roep Hosanna (letterlijk ‘red ons’, oorspronkelijk een roep tot de koning, later geëvolueerd tot een liturgische formule) weggelaten. Hij heeft deze roep vervangen door in het citaat uit Psalm 118,26 (‘Gezegend die komt in de naam van de Heer’) het woord ‘koning’ in te lassen: zo wordt voor iedereen duidelijk dat Jezus’ volgelingen hem als de messiaanse koning bezingen. Daarna heeft Lucas een formule toegevoegd die aan zijn kerstverhaal herinnert: ‘Vrede in de hemel en eer in den hoge’ (vgl. 2,14). Daardoor wordt de lijdensweg van Jezus bekrachtigd als een weg die bij God uitkomt. Ook de daarop volgende dialoog tussen enkele Farizeeën en Jezus is eigen aan Lucas. De Farizeeën ergeren zich aan de lofzang van de volgelingen, maar de betekenis van Jezus’ antwoord, een citaat van Habakuk 2,11, is duidelijk: die volgelingen hebben de volste waarheid gesproken.

Eerste lezing: Jesaja 50,4-7
Dit is een gedeelte uit het derde van de vier ‘liederen van de dienaar van JHWH’ die we in Jesaja 40–55 aantreffen. Het is een gebed van iemand die in de vervolging zijn vertrouwen in God uitspreekt. Ondanks de tegenstand en het lijden dat hij ondervindt, geeft hij de moed niet op maar blijft trouw aan zijn opdracht. Er is veel te doen geweest over de vraag wie bedoeld wordt met ‘de dienaar van JHWH’. In deze tekst is hij in ieder geval een profetische figuur, waarschijnlijk de profeet zelf die in Jesaja 40–55 aan het woord is. Maar de christelijke traditie heeft er Jezus in herkend, die net als de dienaar trouw bleef door alles heen.

Antwoordpsalm: Psalm 22
Psalm 22 is een klaaglied dat uit drie delen bestaat. Het eerste deel (verzen 2-12) beschrijft het morele lijden van de psalmist: hij voelt zich door God zelf verlaten en wordt bespot door zijn omgeving. Het tweede deel (verzen 13-22) gaat over het fysieke lijden: de vijanden staan als dreigende wilde dieren om hem heen en hij voelt de pijn in alle vezels van zijn lichaam. Het derde deel (verzen 23-32) is een uitbundig danklied: midden in zijn lijden verwerft de psalmist de zekerheid dat God hem niet in de steek laat. De psalm vertolkt een mystieke ervaring: midden in het lijden ervaart de psalmist dat God hem toch niet verlaat.

Psalm 22 is vooral bekend omdat de evangelisten Marcus en Matteüs de beginwoorden ervan de stervende Jezus in de mond hebben gelegd (zie Mar. 15,34 en Mat. 27,46) en omdat een aantal beschrijvingen uit de psalm in het lijdensverhaal van Jezus terugkeren of zelfs de formulering ervan rechtstreeks hebben beïnvloed (vergelijk de verzen 8, 9, 16 en 19 met Mat. 27,35.39.43; Mar. 15,24.29; Luc. 23,34 en Joh. 19,24.28). Ook daarom is Psalm 22 uitermate geschikt op deze eerste dag van de Goede Week.

Tweede lezing: Filippenzen 2,6-11
Paulus gebruikt deze Christushymne in het kader van een hartelijke, maar dringende aansporing. Hij roept de christenen van Filippi op, saamhorig en eensgezind te zijn, in ootmoed de ander hoger te achten dan zichzelf en liever de belangen van de naaste te behartigen dan het eigenbelang (Fil. 2,1-4). Daarbij wijst hij op het levenspatroon van Jezus Christus: ‘Laat die gezindheid onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde’ (2,5). De poëtische tekst die dan volgt, was waarschijnlijk een reeds bestaande liturgische hymne, die door Paulus werd overgenomen en misschien lichtjes aangepast.

Het geheel is een gedicht in zes drieregelige strofen, waarbij de eerste drie de vernedering en de laatste drie de verhoging van Christus bezingen. De vernedering of ‘ontlediging’ gebeurt in twee stappen. Hij die aan God gelijk is, heeft het sterfelijk mensenbestaan op zich genomen. Hij is een ‘slaaf’ geworden, een ‘dienaar van de mensen’; denk aan de dienaar uit de eerste lezing. Bovendien is Jezus als mens nog vernederd tot de kruisdood. Ook de ‘verhoging’ wordt tweevoudig uitgedrukt: Jezus wordt verheven aan Gods rechterhand en hij ontvangt ‘de hoogste Naam’, dat is in bijbelse taal de hoogst denkbare positie en waardigheid. Die Naam wordt pas in de laatste zin genoemd: Kurios Jèsous Christos in het Grieks. De drie delen van de Naam hebben hier hun volle gewicht. Kurios of ‘Heer’ is de Naam waarmee de Eeuwige wordt aangeduid in het Griekse Oude Testament: jhwh wordt er vertaald met kurios. ‘Jezus’ betekent ‘JHWH redt’ en ‘Christus’ betekent ‘gezalfde’, ‘messias’. In deze hymne geeft Paulus een samengebalde voorstelling van heel zijn christologie.

Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95.

Evangelielezing: Lucas 22,14–23,56
Ieder jaar wordt op Palmzondag het lijdensverhaal voorgelezen, dit jaar in de versie van Lucas. Bij het schrijven van het lijdensverhaal van Jezus heeft Lucas zijn voorganger Marcus op de voet gevolgd, maar ook een aantal zaken gewijzigd en een paar elementen toegevoegd, waardoor hij eigen accenten legt. We wijzen op de eigen kenmerken van Lucas’ versie van het lijdensverhaal.

(1) De woorden van Jezus tijdens het laatste avondmaal (Luc. 22,15-20) vertonen meer overeenkomst met de tekst van Paulus in 1 Korintiërs 11,23-25 dan met de versie van Marcus en Matteüs (Mar. 14,22-25; Mat. 26,26-29). Marcus en Matteüs zouden de Judese traditie weergeven, Paulus en Lucas de Antiocheense. Verder valt op dat Lucas de twist onder de leerlingen over de vraag wie de voornaamste is, verplaatst heeft. Marcus en Matteüs verhalen die episode onmiddellijk na de derde lijdensaankondiging (zie Mar. 10,42vv; Mat. 20,25vv), Lucas in de context van het laatste avondmaal (Luc. 22,24vv). Alleen Lucas laat Jezus daarbij de vergelijking maken met de tafeldienst: ‘Wie is immers de grootste: hij die aanligt of hij die bedient? Is het niet hij die aanligt? Welnu, ik ben onder u als degene die bedient’ (22,27). Zodoende onderstreept Lucas het belang van de dienstbaarheid in de eucharistie.

(2) Alleen bij Lucas speelt Herodes een rol in het proces van Jezus. Pilatus stuurt Jezus naar Herodes, die hem allerlei vragen stelt. De bespotting door de Romeinse soldaten, die ook bij Marcus voorkomt (Mar. 15,16-20), verplaatst Lucas naar het hof van Herodes (Luc. 23,6-12). Daarmee hangt samen dat Pilatus tot driemaal toe verklaart geen enkele schuld te vinden in Jezus (Luc. 23,4.14.22). Lucas benadrukt daarmee de onschuld van Jezus; diens terechtstelling is volgens hem zeker niet te wijten aan de Romeinen. Die trek van Lucas heeft ongetwijfeld te maken met zijn bekommernis om de christenen voor te stellen als loyale burgers van het Romeinse rijk. Lucas legt de schuld voor Jezus’ terechtstelling veeleer bij de leiders van het Joodse volk; het valt trouwens op dat hij een duidelijk onderscheid maakt tussen het volk en zijn leiders (23,13.35). Het volk keert na Jezus’ dood berouwvol naar de stad terug (23,48; zie ook 24,19v). Alleen in 23,13-18 roept het volk samen met zijn leiders: ‘Weg met hem! Laat ons Barabbas vrij!’. Dit laatste, evenals de opmerkelijke mededeling ‘dat Pilatus en Herodes op die dag elkaars vrienden werden’ (23,12) kunnen we in verband brengen met Handelingen 4,25vv, waar Lucas Psalm 2,1v citeert en op grond daarvan besluit dat Herodes en Pilatus, de heidenen en het volk van Israël hebben samengespannen tegen Jezus.

(3) Marcus en Matteüs vermelden slechts één woord van Jezus aan het kruis: ‘God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’. Daarna slaakt Jezus een luide kreet en sterft (zie Mar. 14,34-37; Mat. 27,46-50). Bij Lucas daarentegen geen godverlatenheid, geen luide kreet, maar in plaats daarvan twee serene uitspraken van Jezus: ‘Vader, vergeef hun want ze weten niet wat ze doen’ (23,34); ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest’ (23,46). Stefanus spreekt bij zijn marteldood bijna dezelfde woorden (zie Hand. 7,59v). Eigen aan Lucas zijn ook de woorden van Jezus tot de vrouwen: ‘Dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar over uzelf en over uw kinderen’ (23,28) en tot een van zijn lotgenoten aan het kruis: ‘Vandaag nog zult gij met mij zijn in het paradijs’ (23,43). Bemerk ten slotte dat de Romeinse honderdman na Jezus’ dood niet zegt: ‘Waarlijk, deze mens was zoon van God’, zoals bij Marcus, maar: ‘Deze mens was waarlijk een rechtvaardige’ (23,47). ‘Rechtvaardig’ is een bijbelse eretitel. Bovendien wil Lucas Jezus daardoor typeren als de rechtvaardige dienaar die onschuldig lijdt, maar die in het volle vertrouwen op Gods gerechtigheid zijn dood aanvaardt (vergelijk Hand. 7,52).

Jezus sterft sereen, vol bekommernis om de anderen: de dochters van Jeruzalem, de ‘goede moordenaar’, zijn beulen. Dat is de invulling die Lucas geeft aan de uitspraak: ‘Anderen heeft hij gered’ (23,35). Bovendien blijkt uit de vergelijking met Stefanus in Handelingen 7, dat Lucas van de stervende Jezus het prototype heeft gemaakt van de christelijke martelaar. Lucas schildert zijn Jezusportret vanuit zijn eigen actuele kerkervaring. Ook voor ons krijgt het lijdensverhaal van Jezus een eigen kleur tegen de achtergrond van hedendaagse lijdenssituaties.

Preekvoorbeeld

De rechtvaardige
‘Je gaat het pas zien, als je het door hebt’ was een gevleugelde uitspraak van Cruijff.
Ik moest eraan denken, toen ik keek naar de weg die Jezus ging in de dagen voor Pasen, deze dagen die wij de Goede Week zijn gaan noemen. Je moet werkelijk wel wat dóór hebben, voor je deze dagen zo kunt noemen.

Wat zien we? Wat zagen de mensen om Jezus heen? Wat zagen zij toen, wat mogen wij nu zien, en waartoe zet ons dat aan? Want als je het eindelijk ‘ziet’, moet je van de coach wel in actie komen.
Waartoe worden wij dan aangezet, als we wat zien in Jezus?

Jezus trekt op naar Jeruzalem. Vastberaden trekt hij uit het Jordaandal omhoog het bergland van Judea in, op naar Jeruzalem. Hij beseft terdege wat hem wacht. Hij neemt deze weg op zich.

Veel mensen zien hem gaan:

o   De leerlingen: Zij zien de intocht van hun koning. Zo gedragen ze zich ook, met hun jassen en palmtakken, met hun gejuich ‘Gezegend de koning, die komt in de naam van de Heer’.
Deels hebben ze gelijk. Jezus laat ze juichen. Maar ze zien niet, dat deze koning op een ezel rijdt. Verblind door eigen koningsideaal zien zij ‘een vorst te paard’ (het pantservoertuig van die tijd). Zij verslijten de ezel voor een surrogaat paard. Ze zien niet dat het om een lastdier gaat, volgens oude profetieën het rijdier van de zachtmoedige, nederige knecht van de Heer. Ze hebben het niet door, dus zien ze niet waar het op aankomt.
o   De menigte: Zij vervullen de rol van meelopers. Zij zien wat naar de stemming van het moment de heersende mening is. ‘Heden hosanna, morgen kruisig hem’. Ze kijken hun ogen uit, maar hebben niets door.
o   De Farizeeën: zij menen hier godslastering te zien, hoogmoed. Zij, in al hun goed bedoelde vroomheid, herkennen de vorst op de ezel niet.

Het is een psychologisch gegeven: datgene waarvan je vol van bent, zie je steeds om je heen. Als je een nieuwe auto hebt gekocht, zie je dezelfde opeens overal rijden. Het bevestigt je eigen gelijk.
Gebeurt zoiets ook niet bij de omstanders van Jezus? Er komen er nogal wat langs in dit lijdensverhaal en bijna allemaal lopen ze vast in hun eigen beperkte blik en hebben niet door waar het om gaat.

De leerlingen, vol koningsidealen, raken belust op macht. Ze zien niet dat hun Heer dient. En als hun visie stokt en het moeilijk wordt, vallen ze in slaap. Judas ziet een mislukte leider, haakt af en verraadt. De horde tempelwachters zien alleen een oproerkraaier, die ze gevangen moeten nemen. Petrus, bang voor zijn eigen hachje, wordt een loochenaar. De raad van oudsten, priesters en schriftgeleerden zien hun godsdienst en religieuze zekerheid bedreigd en proberen Jezus gekruisigd te krijgen. Pilatus en Herodes moeten zonder volksopstand van een netelige kwestie af. De soldaten vermaken zich met een spotkoning. Enzovoort, enzovoort.

Maar soms lijkt iemand iets door te krijgen: Simon van Cyrene draagt het kruis achter Jezus aan. Gedwongen, maar hij doet het. Die ene misdadiger: Wat heeft hij gezien, dat hij tot zo’n gebed komt? De heidense centurio belijdt: ‘werkelijk deze mens was een rechtvaardige’, een bijbelse eretitel voor wie op Gods gerechtigheid vertrouwt en zo zijn dood aanvaardt. En in stilte bereidt Josef van Arimatea samen met de vrouwen een waardige begrafenis voor. Verblind door verdriet zien ze het niet, maar in liefde blijven ze trouw.

Waar zou ik gestaan hebben in die dagen? Bij de leerlingen, bij de menigte, bij de vrouwen? Grote kans dat ik als trouw kerkmens mij geschaard had bij de gelovigen van het trouwe oude stempel, de priesters en de schriftgeleerden. Of bij de mensen van de ordehandhaving, de tempelwacht. Of zou ik in liefde trouw zijn gebleven? Zou ík iets door hebben gehad?

Vastberaden ging Jezus naar Jeruzalem, een weg in verbondenheid met zijn Vader. Aan het eind van die weg spreekt hij vol vertrouwen: ‘Vader vergeef het hun’, en: ‘Vader in uw handen beveel ik mijn geest’. Wist Jezus zich daarin de knecht van de Heer, zoals de profeet Jesaja die voorgetekend had?

Na Pasen, met de bril op van de profeten en de psalmen, hebben Jezus’ leerlingen dat gezien. Toen kregen ze door: In Jezus zien we Gods trouw in levende lijve. Enerzijds in Jezus’ weg van dienst tot het einde toe, anderzijds in Gods opwekkende trouw door de dood heen. Daarom heet deze huiveringwekkende week toch Goede Week.

Paulus vat het samen in zijn loflied: Jezus Christus is de Heer. In hem zie je God in actie, juist in zijn dienstbaarheid tot op het kruis. Daarom moet elke tong en taal hem loven! Laten dan ook wij leven zoals hij!

Uit mijzelf zou ik dat niet door hebben, zou ik het niet zien. Evangelisten en apostelen lichten mij daarin voor.
En dan? Wie het door heeft, moet in actie komen!

Ik ga met een Palmtakje in de hand naar huis. Teken van onze koning, die bereid was dienaar te zijn tot het uiterste. Die koning wil ik volgen, dienstbaar, vertrouwend op Gods trouw. Palmpasen: wij juichen voor Gods dienaar op de ezel, hij is onze koning, hem volgen wij.

 

inleiding dr. Paul Kevers
preekvoorbeeld ds. Rinske Nijendijk-Cnossen

webdesign: Artis