13 augustus 2017
Negentiende zondag door het jaar

Lezingen: 1 Kon. 19,9a.11-13a; Ps. 85; Rom. 9,1-5; Mat. 14,22-33 (A-jaar)

 

Inleiding

God brengt rust te midden van onrust. God zelf is aanwezig in de rust. Zowel de eerste lezing uit het Eerste boek Koningen als het evangelieverhaal variëren op dit thema.

1 Koningen 19,9a.11-13a – God brengt Elia tot rust
De profeet Elia is vermoeid. Hij heeft geprofeteerd en gestreden voor jhwh, de God van Israël, maar de meeste mensen kiezen voor de afgoden. Elia gaat de strijd aan met de Baälprofeten. Zowel de profeten als Elia bereiden een offer voor. Baäl reageert niet op het offer van zijn vierhonderdvijftig profeten; jhwh reageert op het offer van zijn profeet Elia door er vuur uit de hemel op neer te laten dalen. Hierop geeft Elia opdracht de Baälprofeten te laten doden. Daarop wordt Elia zelf met de dood bedreigd door koningin Izebel. Dan lijkt er iets te zijn geknakt in Elia. Hij kan het niet meer volhouden. Is hij te ver gegaan door de profeten te laten afslachten? Valt het profetenbestaan hem te zwaar? Met moderne ogen zouden we Elia een‘burn-out’ kunnen toeschrijven. Moegestreden trekt hij de woestijn in en wil daar sterven. Door een engel gesterkt staat hij toch weer op en loopt veertig dagen en nachten tot hij de berg van God, de Horeb bereikt (zie 1 Kon. 18,20–19,8). Daar heeft hij een bijzondere Godsontmoeting. Hij overnacht er in een grot. Waarschijnlijk een verwijzing naar de grot waarin Mozes schuilde toen God aan hem voorbijtrok (Ex. 33,18-23). Mozes, zwaar terneergeslagen nadat het volk het gouden kalf aanbeden had, wordt daar door God getroost en gesteund: Ik zal in mijn goedheid aan u voorbijgaan.
Elia komt in zijn nood bij de berg van God. God vraagt hem uit de grot naar buiten te gaan. Dan trekt God aan hem voorbij. Deze Godsontmoeting wordt op bijzondere wijze beschreven. Eerst is er een zware storm, maar in de storm is God niet. Daarop volgt een aardbeving, maar ook in de aardbeving is God niet. Vervolgens is er vuur en ook daarin is God niet. Ten slotte is er een moeilijk te vertalen verschijnsel van stilte: ‘het suizen van een zachte bries’ (Willibrordvertaling), ‘het gefluister van een zachte bries’ (nbv), ‘de stem van een zachte stilte’ (Naardense Bijbel – P. Oussoren) en ‘het zachte suizen van de stilte’ (Bijbel in Gewone Taal).
De ontmoeting met God gaat gepaard met grote natuurfenomenen als storm, aardbeving, vuur. Het gaat immers om jhwh, Schepper van hemel en aarde. Toch wordt er telkens aan toegevoegd dat God niet daar te vinden is. Het is een soort hofhouding die voor hem uittrekt. Dan volgt er het opmerkelijke verschijnsel van de fluisterende stilte. Na al het geweld is hier plotseling rust en stilte. De tekst heeft zoveel eerbied voor God dat er nu niet staat ‘en in de zachte bries is God’. Toch is de suggestie duidelijk. Elia ontvangt Gods troost doordat God zelf bij hem komt in het suizen van een zachte bries. In de fluisterende stilte is God hem nabij. God is hier de heer, waarmee onze Bijbelvertalingen de godsnaam jhwh weergeven die betekent hij-zal-er-zijn.
In deze rust, in dit fluisteren mag ook Elia’s eigen onrust tot bedaren komen.

Romeinen 9,1-5
Zie: S.M.J.M Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 75-83.

Matteüs 14,22-33 – Onthutsende ontmoeting met Jezus
Nadat Jezus een grote menigte te eten gegeven heeft (Mat. 14,13-21), lezen wij dat hij zich terugtrekt. Hij wil alleen zijn om te bidden. Jezus neemt duidelijk de regie in handen: Hij dwingt zijn leerlingen in de boot te gaan en stuurt vervolgens de mensen weg. Dit geeft het grote belang aan dat hij hecht aan het alleen-zijn, of liever aan het zijn bij en met de Vader. Het doel van het alleen-zijn op de berg is immers het gebed. De evangelist respecteert dit intieme samenzijn van Jezus met zijn Vader door ons er verder niet over te vertellen. Door twee tijdsaanduidingen komen we alleen te weten dat Jezus de hele nacht op de berg verblijft.
De stilte van de berg contrasteert met de woelingen op het meer: tegenwind en hoge golven. Jezus is op de berg tot aan het einde van de nacht, letterlijk ‘de vierde nachtwake’. Dat wil zeggen de grens tussen nacht en dag. Daarmee komt dit moment opmerkelijk overeen met het uur van de opstanding. Bijna achteloos vertelt het Evangelie dat Jezus over het meer loopt; als Zoon van God staat hij boven de machten van de schepping. Hier zien we in Jezus al even de opgestane Heer. De zee is traditioneel beeld van de oermachten en de dood. Wordt hier verwezen naar Mozes die door de zee trok met het volk? Wordt er gerefereerd aan de eerste Jezus (Jozua) die door de Jordaan trok naar het Beloofde land? We mogen al deze betekenissen meenemen in het lezen van deze passage. Voor de leerlingen is dit optreden nog een stap te ver; ze menen een spook te zien en raken in paniek. Jezus spreekt hen toe met grote woorden: ‘Heb moed, Ik ben (het), wees niet bang.’ Het ‘Ik ben’ heeft een dubbele lading. Het betekent allereerst ‘ik ben er’, maar kan ook verwijzen naar de godsnaam ik-ben. In Exodus 3,14 is dit de Naam waarmee God zich aan Mozes te kennen geeft: ik-ben-die-ik-ben. In de derde persoon enkelvoud wordt ik-ben de gebruikelijke godsnaam jhwh (hij-is). Het hele verhaal – Jezus die de machten bedwingt en als het ware boven de kosmos staat – maakt het niet onaannemelijk dat we hier inderdaad een directe verwijzing naar de godsnaam aantreffen. In Jezus is God met ons (zie ook de naam Emmanuël in Mat. 1,23; 28,20).
De onbesuisde reactie van Petrus is een prachtige verbeelding van groot en klein geloof tegelijk. Een wankel geloof dat even meent ook zelf over het water te kunnen gaan, maar dan schrikt van de consequenties. In zijn nood is Petrus vervolgens modelgelovige. Hij weet dat hij uiteindelijk afhankelijk is van zijn Heer en Redder: ‘Heer, red mij! Onmiddellijk is er redding in de uitgestoken hand van Jezus. Vervolgens keert de rust op het meer weer. De redding van Petrus wordt weerspiegeld in de rust van de wateren. De leerlingen komen tot een grootse belijdenis over de persoon van Jezus: ‘Werkelijk, u bent de Zoon van God!’ Het zijn de woorden die uit de hemel klonken bij zijn doop (Mat. 3,17; zie ook 17,5), die de duivel vragenderwijze aan Jezus stelt (Mat. 4,3.6) en die Petrus binnenkort zal herhalen (Mat. 16,16).  Overigens wordt daar ook duidelijk dat de eigenlijke draagwijdte van ‘Zoon van God’ nog niet begrepen wordt. Pas na zijn lijden, sterven en verrijzen licht dit op. Ook in onze tekst lijkt de titel ‘Zoon van God’ door de leerlingen in verband te worden gebracht met zijn wonderbaarlijke optreden. Het zal in de loop van het Evangelie zijn eigenlijke diepte nog moeten krijgen.


Preekvoorbeeld

Het breekt je bij de handen af. Diepe teleurstelling na een bijzonder hoogtepunt. Aftobben zonder ook maar iets vooruit te komen. Een dieptepunt in je bestaan. Hoe moet het nu verder? De draad weer op pakken. De negatieve gebeurtenis omvormen tot iets positiefs. De chaos om je heen versterft tot stilte.

De terugslag van Elia na zijn grandioze overwinning op de priesters van Baäl. Het altaar was in gereedheid gebracht. Alleen de vlammen ontbraken nog. Er is gedanst en geschreeuwd tot Baäl om vuur, maar het heeft niets geholpen. Elia bidt tot jhwh en er komt vuur uit de hemel om het offer te ontsteken. Een eclatante triomf, die de Baälspriesters de kop kost.
Maar de volgende morgen staat de bode van koningin Izebel voor hem met een doodsbedreiging. Hij stort in en vlucht naar de woestijn. Hij wil niet meer verder leven. Dan is er opnieuw een bode, nu van jhwh, die hem bemoedigt en sterkt. Veertig dagen trekt hij de woestijn in, totdat hij komt bij de spelonk waar hij wil overnachten. Het woord van jhwh overkomt hem: ‘Wat, jij hier, Elia?’ Hoe moet het nu verder?

De tegenstroom voor de leerlingen in de boot. Menigten waren om hen heen. Jezus is hen voorgegaan in breken en delen. Er was genoeg voor iedereen. Twaalf korven bleven over, voldoende om heel het volk te verzadigen. Ten slotte trekken de mensen zich terug, want Jezus laat hen los, ‘maakt zich van hen los’ (Naardense Bijbel). Na deze eucharistische handeling mogen zij gesterkt hun eigen wegen verder gaan. Waar Jezus de berg op gaat, het contactpunt tussen hemel en aarde, dreigen de leerlingen onder te gaan in de diepte van de zee. Door tegenwind ‘geteisterd door de golven, want de wind is tegen geweest.’ Dan in ‘de vierde nachtwake’, in het vroegste ochtendlicht – het lijkt wel Pasen – is hij hen rakelings nabij. Het woord van jhwh overkomt hen: ‘Houdt moed, ik ben, vreest niet.’ Hoe moet het nu verder?

Het gaat verder. Elia ervaart de stormgeest, de aardbeving en het vuur, maar dat zijn slechts tekenen; daar is God niet. Bij de leerlingen buldert de tegenwind, het kan lelijk spoken op het meer, maar ook dat is buitenkant; het is de Heer niet. Totdat het dan plotseling stil wordt. ‘De stem van een zachte stilte’ (Naardense Bijbel) bij de berg en de wind op het meer gaat liggen. Elia verhult zijn gelaat in zijn mantel. De leerlingen zeggen: ‘Waarachtig, jij bent de zoon van God’. God herkennen wanneer je geen grond meer onder de voeten hebt. Wanneer alle houvast ons ontvalt. Waar geen enkele zekerheid meer geldig is. God ontmoeten in de ander die op je afkomt. Iemand die naar je toekomt, terwijl anderen ons verlaten hebben; waar wij ons aftobben in ons wrakke levensbootje. ‘Wat, jij hier, mensenkind?’ en dan: ‘Houdt moed, ik ben, vreest niet.’

Moed houden – dat zegt Jezus altijd wanneer er genezing in de lucht zit. Vreest niet, klinkt door de lucht in de kerstnacht. Daar tussenin staan hier dan de twee woorden: ‘Ik ben’. Een uitspraak met een heel erg dubbele bodem. Jezus maakt zich zo aan zijn vrienden bekend: geen spook dus. Maar tegelijk zit helemaal binnenin ook de onuitsprekelijke naam van God zelf: Ik ben, ik zal er zijn, ik ben bij je, mensenkind, dus: houdt moed, vreest niet! De naam van jhwh is een werk – woord: een woord dat werkt! Het werkwoord ‘zijn’ – aanwezig zijn, erbij zijn, er zijn tot steun en troost, tot hulp en sterkte en hoe het allemaal ook verder genoemd moet worden, maar het gaat om ‘zijn’. Dat laat Jezus zien en hoe er precies over water gelopen zal worden, doet er helemaal niets toe: hij is er wanneer je hem nodig hebt.

Met hoeveel zorg zijn de woorden gekozen. Jezus loopt over de ‘zee’. Als de heer van de schepping die de zee, als totaal van al het doodswater beheerst. Petrus wandelt over de ‘wateren’ – dat klinkt al veel onstuimiger en wanneer de harde wind er bij komt, valt zijn hele wandeling in het water. Wat de evangelist beschrijft, is navertellen wat de psalmist (107) bezingt.

Hij hief zijn stem en riep,
toen steigerden de golven,
het water zwart en diep
heeft al hun moed bedolven.
Schepen, omhoog gedragen
op golfslag van de dood,
zinken terneergeslagen
weer in de waterschoot.

Hun vege levens spaart Hij,
de golven maakt Hij stil.
Het stormgeweld bedaart Hij,
het voegt zich naar zijn wil.
God die de wereld schiep,
gaf u de goede rede,
looft Hem die ’t water riep
en op de zee kan treden

(Barnard, Liedboek 107).

Mensen spoelen aan als weerloos wrakhout langs de vloedlijn. Mensen duiken proestend en snuivend op, als nieuwe mensen aan de oppervlakte. Mensen dobberen stuurloos over hun levenszee, dreigen stuk te slaan op rosten van onwil en onbegrip van anderen, ‘want de wind was tegen.’ De politiek kijkt een andere kant op. Wegkijken. Omlopen. Hoe moet het nu verder?

Wij blijven alleen maar drijven in ons leven, door ons vertrouwen dat wij niet zullen zinken. Dat het allemaal ergens toe dient. Dat het leven zin heeft. Zouden we dat vertrouwen verliezen en het leven slechts als een zinloos tijdverdrijf ervaren, dan zou er toch geen enkele reden meer zijn om er mee door te gaan. Wanneer je werkelijk kijkt naar de kracht van de wind, hoe vaak die ons tegen lijkt te zijn, dan zinkt je de moed in de schoenen. Je zinkt zelf achter je schoenen aan: ‘Heer red mij!’

Diep weggegleden in je leven, geen grond meer onder je voeten. Gelijk steekt Jezus een hand uit, grijpt hem beet en zegt hem: ‘Kleingelovige, waartoe stond je zo onvast?’ (Naardense Bijbel). Er is iemand die naar ons toekomt.

Ik ben het, zegt Gij dan.
Kom maar met Mij
mee naar de overkant.
Wees maar niet bang, zegt Gij,
hier is mijn hand.

(Muus Jacobse, Liedboek 917).

Iemand die de hand naar ons uitsteekt. In vertrouwen. Dan wordt het stil. ‘De wereldzeeën zijn tot rust gekomen, de golven zijn verstomd, de branding zwijgt’ (Oosterhuis, Verzameld Liedboek 2004, Lied van Micha).

 

inleiding drs. Marc Brinkhuis
preekvoorbeeld drs. Frans Wiersma

webdesign: Artis