13 mei 2018
Zevende zondag van Pasen

Lezingen: Hand. 1,15-17.20a.20c-26; Ps. 103; 1 Joh. 4,11-16; Joh. 17,11b-19 (B-jaar)


Inleiding

Handelingen 1,15-17.20a.20c-26
Waarom besteedt Lucas twaalf (!) verzen aan de vervanging van Judas? Dat deze leerling, die Jezus onder invloed van satan (Luc. 22,3) overleverde aan de ‘hogepriesters en de Tempelwacht’ (Luc. 22,4) na zijn zelfverkozen dood vervangen moest worden is wel duidelijk: de twaalf zijn immers representant van de twaalf stammen van Israël, en deze eenheid dient hersteld, wil Gods Geest inwoning kunnen vinden (Hand. 2,1-12). Het aantal van honderdtwintig aanwezige personen (Hand. 1,5) accentueert deze retoriek: honderdtwintig is twaalf maal tien, het minimum van gemeenschap, minjan (overigens geen rabbijnse vinding want al in Qumran geattesteerd). Opmerkelijk genoeg vernemen we bij Lucas verder niets meer van beide kandidaten, zelfs niet van de gekozen Mattias.
Maar waarom voegt Lucas in vers 20b (gewoon doorlezen!) dan wel twee citaten uit Psalm 69,26 en 109,8 in, en doet Lucas zo gekunsteld (geen wonder dat het Lectionarium vers 20b wil weglaten) over iets waarover de lezer zich gezien de loop van het verhaal toch weinig zal verbazen?
Een subtiele aanwijzing is het herhaalde woord ‘grond’ of ‘plaats’ (Grieks chorion, vv. 18.19.20). Judas representeert het uitzichtloze, het toekomstloze, van een plaats buiten God; zijn plek zal een érèmos worden (v. 20), een woestenij. De zelfdood van Judas culmineert bij Lucas in een scène waarin hij voorover valt en zijn ingewanden naar buiten puilen (v. 18). Dat illustreert dat hij als persoon volledig in het niets verdwijnt, zoals we kunnen opmaken uit een soortgelijk einde van Antiochus IV Epifanes, de dwaze vervolger der Joden (2 Makk. 9).
Maar Judas was wel degelijk een leerling, en de leerlingen dienen Gods toekomst te belichamen. Vandaar dat de tweede psalmtekst benadrukt dat diens ‘toezicht’ (épiskopè) vervangen dient te worden. In beide psalmen klaagt de psalmist, laten we zeggen David, zijn belagers aan die hem beschuldigen en voor het gerecht slepen op valse gronden.
Zo lijkt Lucas te benadrukken dat het proces tegen Jezus volledig onterecht was. Maar was dat dan nodig? Verzwijgt Lucas iets met zijn omhaal van woorden en twee citaten? Ik waag een poging: Judas belichaamt het falen van de leerlingen als collectief. Zelfs Petrus laat zijn meester in de steek, en net als bij Judas klinkt bij hem, aldus Lucas, de naam van satan (Luc. 22,31). Judas’ vervanging is dan meer dan een volmaken van het vereiste getal: het is de noodzakelijke vereffening van de beweging met een schaamtevol moment en zo de opmaat voor een nieuw begin: ‘Immers, hij werd tot onze kring gerekend en had deel aan onze taak’ (v. 17). En zoals hij behoorde tot diegenen die vanaf het begin van de beweging er bij was, zo moet nu een nieuwe getuige komen die er vanaf het begin er bij was. Dat leert ons dat er inderdaad meer dan twaalf waren (Luc. 10 vermeldt zelfs tweeënzeventig = zesmaal twaalf leerlingen), en dat de twaalf de kern zijn van die bredere beweging. Die kern is nu uitgezuiverd en aangevuld. Met een nieuwe getuige van Jezus’ opstanding (v. 22) wordt zo ook de schaamte van het ultieme verraad verwerkt.
Inderdaad, ultiem: Dante, in zijn Divina Commedia, lokaliseert Judas, met andere aartsverraders als Brutus, in de onderste laag van de hel, de ijsvlakte rond Lucifer. Dit is bij Dante de taal van eer, en van schaamte, maar waarom zou ze in de context van Lucas niet meespelen? Meer nog: de schaamte die rond Judas hangt spiegelt mogelijk een nog diepere laag: de schaamte over het einde van Jezus, die met de kruisdood de naar antieke maatstaven meest oneervolle dood kreeg die je kunt denken. Niet voor niets klinkt zelfs bij Paulus dat de prediking van de gekruisigde Christus, ‘voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid’ is (1 Kor. 1,23), en het is goed deze woorden zeer serieus te nemen. Het lege graf kan dat sentiment als ook de herinnering aan verraad niet helemaal wegnemen, en de gelovige heeft daar op een spiritueel volwassen wijze mee om te gaan.

Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73

1 Johannes 4,11-16
De twee brieven van Johannes verhalen van de liefde, de liefde tussen gelijkgezinden en binnen de gemeente. De concreetheid van die liefde staat centraal voor de ons onbekende auteur, behorend tot de school van de vierde evangelist en levend in het begin van de tweede eeuw. Hij onderstreept hiermee dat verlossing ondenkbaar is buiten het onderricht van de aardse Jezus, mogelijk een antignostische trek. Niettemin wemelt de tekst van apodictische zinnen, die een stevig stempel op christelijke retoriek hebben gedrukt: God heeft ons liefgehad, zo dienen wij onze naasten lief te hebben (v. 11). Die liefde maakt God zichtbaar (v. 12), en ze is het bewijs dat de gemeente met God is verbonden (v. 13). God is liefde, en wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem (v. 16).
Liefde is een centraal bijbels begrip en altijd gekleurd door het verwante begrip ‘kennen’: Heb God lief met heel je hart en je ziel en je vermogen’ (Deut. 6,5) bevat in de metafoor ‘hart’ het element kennis, het nemen van juiste beslissingen. De briefschrijver zet die logica voort: wij zijn geroepen te getuigen dat God Jezus als redder heeft gezonden (v. 14), en wie Jezus kent, dat wil zeggen: belijdt dat hij de Zoon van God is (v. 15), in zo iemand woont God zelf, want God woont in de liefde. Liefde is in deze brief dus niet alleen een moreel beginsel (zie hiervoor ondermeer 1 Joh. 3), maar ook het juiste kennen, en daarmee getuigen, van God.

Johannes 17,11b-19
Het uitgebreide en literair hoogstaande afscheidsgebed van Jezus in Johannes omvat het hele hoofdstuk 17, onze perikoop is een fragment. Dit gebed wordt, vanwege de taal van wijding aan God in vers 19, ook wel het Hogepriesterlijke gebed genoemd, maar de suggestie van offerretoriek is verwarrend: het gaat in het gebed om de openbaring van de Vader door en via Jezus aan de wereld, en om de waarheid die door slechts weinigen gekend zal zijn.
De perikoop bevat de leuze van de oecumenische beweging ut omnes unum sint (naar v. 21). Die eenheid dient de eenheid van Jezus en zijn hemelse Vader te weerspiegelen. De perikoop laat echter de schaduwzijde van dat streven zien bij Johannes: de eenheid van de Kerk manifesteert zich hier als een beweging die zich van de wereld (vv. 11.14-16) afkeert, of die zich ziet als gehaat door de wereld. Dit is een typerende trek van Johannes.
Onduidelijk is of hier een culturele kritiek klinkt op de pretenties dat het Romeinse keizerrijk identiek was aan de wereld; Johannes schreef zijn evangelie waarschijnlijk in Klein Azië. Het is echter ook denkbaar dat Johannes ageerde tegen opvattingen die te veel ruimte zagen tussen de autoriteit van God en die van de verheven en in de hemelse contreien opgenomen Jezus, zoals bijvoorbeeld het geval was bij vroege gnostici of bij Joodse christenen. Daartegen wilde Johannes vooral de blijvende eenheid van God benadrukken, zij het dat die nu zichtbare gestalte heeft gekregen in het optreden van de ‘Zoon’.
Frappant genoeg bevat Johannes Joodse tradities die we weer niet bij de synoptici ontwaren. Achter het herhaalde ‘zenden’ in vers 8 en in 18, betrokken zowel op de zending van Jezus als de zending van de leerlingen, schuilt een bekende traditie dat degene die gezonden is de zender zelf representeert. Deze traditie vinden we ook terug in de term sjaliach, het equivalent van het Griekse apostolos (‘gezondene’), bijvoorbeeld iemand die namens de gemeente de gebeden zegt. In die zin is ook Jezus hier een sjaliach: hij bidt voor diegenen die aan hem zijn toevertrouwd (v. 9, v. 15, ‘Ik vraag U niet hen uit de wereld weg te nemen maar hen te behoeden voor de macht van het kwaad’). De uitdrukking ‘van de wereld zijn’ en ‘haten’ verwijst naar de duale kosmologie van Johannes: je bent óf binnen óf buiten, ofwel in het licht, ofwel in de duisternis. Beide vormen van beeldspraak ademen vooral een sociale retoriek: behoor je tot de getrouwen van de johanneïsche gemeente, of tot de boze buitenwacht (die omvat, behalve ‘Joden’, ook heidenen en niet-johanneïsche christenen!), liefde en haat vormen de onverzoenlijke, naar binnen gekeerde relatiewoorden van beide domeinen. Jezus zelf heeft de zijnen behoed, behalve de ene (Judas wordt niet met name genoemd!) die ‘verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling zou gaan’ (v. 12).  Intrigerend is hier dat Jezus zegt dat aan hem de Naam van God is toevertrouwd (v. 12); mogelijk schuilt hier een unieke, mystieke traditie achter. Het is exegetisch mogelijk dit vers ook zo te lezen: Gods Naam blijkt uit Jezus’ waakzaamheid over diegenen die hem waren toevertrouwd, en waarvan geen (behalve Judas dan) verloren is gegaan (v. 12). Hierin, in die zo toevertrouwde Naam, ligt de bron van vreugde van Jezus (v. 13) als ook de vreugde voor zijn leerlingen. ‘Uw woord’ dat hen is doorgegeven (v. 14) bouwt ongetwijfeld voort op die vreugde Gods Naam te kennen. Dat maakt dat zij ‘niet van de wereld zijn’ (v. 14), en dat de wereld hen haat, dat wil zeggen, niet kan begrijpen of aanvaarden. Op die wijze zal ze gemeente zijn toegewijd aan dezelfde ‘waarheid’ (v. 19) waarin ook Jezus was toegewijd aan God. Het Griekse alètheia heeft de connotatie van betrouwbaarheid: de gelovige is, net als Jezus zelf, toegewijd aan Gods Naam, die betrouwbaar is.


Preekvoorbeeld

In de kerk wordt soms slecht van ‘de wereld’ gesproken, alsof de wereld een domein is van geheel andere orde dan de kerk. Maar wie al even in de kerk meeloopt, weet wel beter. Ook de kerk is door en door ‘werelds’: uit op handhaving en zelfbehoud. ‘Werelds’ in minprijzende zin, de kerk ontloopt die kwalificatie geenszins. Dikwijls ervaren wij: de kerk valt tegen, de wereld valt mee.

In het evangelie spreekt Jezus op dubbelzinnige wijze van ‘de wereld’. Soms als van een Gode vijandig machtsblok. Dan zijn de volgelingen van Christus wel ‘in’ de wereld maar niet ‘van’ de wereld. Maar soms ook is de wereld de meest geliefde plek denkbaar. Dan kun je maar beter met huid en haar wél tot de wereld behoren, waar God al zijn liefde aan besteedt: ‘Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven’ (Joh. 3,16).

In het evangelie van vandaag zegt Jezus van zijn leerlingen en van allen die geloven: ‘Ik zend hen naar de wereld, zoals u mij naar de wereld hebt gezonden’ (Joh. 17,18). Dat brengt ons in een heel delicate verhouding tot de wereld. Wij hebben ons hier wél te bevinden omdat dit de plaats is die God van eeuwigheid tot eeuwigheid op het oog heeft gehad.
Wij komen bij hem vandaan, hebben zijn zending in de rug, hij heeft ons uitgezonden, wij hebben een missie. En de eerste die wij tegenkomen als wij de wereld betreden, is God zelf, want het is zijn missie. Hij heeft ons gezonden zoals hij zijn Zoon heeft gezonden. Wij zijn geen eenzame padvinders of van God en mensen verlaten ontdekkingsreizigers die een terra incognita betreden. Nee, deze wereld is door en door door hem gekend. Het is zijn geliefde wereld en soms ook een verschrikkelijk oord, het is de plaats waar, voor ons uit, hij zijn Zoon heeft uitgezonden. Het is de plaats van zijn aanwezigheid.

De grootste vergissing de wij kunnen begaan, is menen dat wij God bij de mensen zouden moeten brengen, dat dat onze missie zou zijn. Maar God bij de mensen brengen, is water naar de zee dragen. Hij ís er al. De zee is bedekt met water. De wereld is vervuld van God. Wij zijn niet uitgezonden om hem naar een of ander Godvergeten oord te brengen, want er is geen Godvergeten oord.
Wij zijn gezonden om deel te hebben aan de Missio Dei: de Vader die de Zoon heeft gezonden, de Geest die de Zoon voortdreef, de Zoon die de Geest over ons uit heeft geademd, de Zoon die voor ons pleit bij de Vader. Deze dansende werveling van de Vader, de Zoon en de Geest, deze gemeenschapstichtende toewending en liefdevolle genegenheid van de heilige Drievuldigheid die ook ons in zich opneemt totdat God zal zijn alles in allen, deze dans waartoe ook wij zijn genodigd om bij in te haken, noemen wij Missio Dei, de zending Gods. Hij heeft ons uitgezonden om ons deel te geven aan zijn zending, opdat wij midden in de wereld hem gewaar worden, zijn wegen natrekken, hem misschien een beetje bijhouden in zijn ongekende gang.
Hij heeft ons gezonden, niet dat wij ons in geloofsijver aan hem zouden vertillen, maar opdat wij bij hem zouden zijn. Dat wij gevonden worden in zijn wegen. Dus niet telkens vragen: ‘Heer, keer u om aan ons toe’, maar dat wij leren bidden: ‘Keer ons tot u’, opdat wij aangetroffen worden in zijn werk, deel uitmaken van zijn missie, opgenomen worden in de gemeenschap die hij sticht. Hij heeft ons gezonden.
Het is dus niet zo dat de kerk een missie heeft. Nee, omgekeerd: deze Missio Dei is er eerst en voor alles uit. Slechts voor zover wij daarvan deel uitmaken, zijn wij kerk. En alles wat geen deel uitmaakt van de Missio Dei is overtollig en overbodig, misschien folkloristisch en nostalgisch, maar geen kerk.

Jezus bidt: ‘Ik zend hen naar de wereld, zoals u mij naar de wereld hebt gezonden.’ Op deze zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren zou je zomaar kunnen denken dat Jezus nu weg is, hoog en droog weer in de hemel woont, en dat de Geest er nog niet is, nog een weekje wachten, dus dat wij in het luchtledig zouden leven, in de tussentijd, verstoken van de Zoon, verstoken van de Geest, verweesd. Die gedachte ligt dichtbij. Deze zondag heet er zelfs naar: ‘zondag Weeskind’, alsof wij moederziel alleen op de wereld zouden zijn.
Jezus echter beurt ons gevoel van verweesdheid op en belooft: ‘Ik zal jullie niet als wezen achterlaten.’ Maar psychologisch schijnt het zo te zijn dat ons brein het woordje ‘niet’ maar moeilijk oppakt. Een kind voor het eerst op het fietsje. Je roept: ‘Niet tegen dat paaltje!’ Maar dat kinderbrein hoort het woordje ‘niet’ niet, ‘dat paaltje’ wel… Zo heeft Jezus ons toegezegd dat hij ons niet als wezen achterlaat, maar dat woord ‘wezen’ heeft zoveel impact dat wij heel deze zondag ernaar hebben vernoemd.
Daarom nogmaals het evangelie van vandaag. Jezus bidt: ‘Ik zend hen naar de wereld, zoals u mij naar de wereld hebt gezonden.’ Hemelvaart wil niet zeggen dat Jezus’ zending nu voltooid is, over en uit, dat hem de medailles zijn opgespeld en hij verder op zijn lauweren kan rusten. Hemelvaart betekent zijn troonsbestijging, zijn koningschap, zijn verhoogde staat ter rechterhand van de Vader. Hij regeert, daar heeft hij de handen vol aan. ‘Ten troon verheven’ is hij ‘ons nabij’ (Liedboek 380).
Die verheven troon is nog steeds zijn kruis, vanwaar hij ons met uitgestrekte armen zegent. Het evangelie weet van zijn verhoging, dat de Levende God hem heeft opgeraapt, dat bloedende vod ten hemel heeft gedragen. Zijn verrijzenis wordt verteld met behulp van een leeg graf waaruit hij is opgewekt. Zijn opstanding wordt verkondigd als overwinning op de dood. Zijn verhoging wordt verbeeld als een tenhemelopneming. Dat zijn geen afzonderlijke episodes, achter elkaar. Het is het mysterie van Pasen op verschillende manieren tot uitdrukking gebracht: opstanding, verrijzenis, verhoging, verheerlijking.

De hemel waarin hij is opgenomen is niet een bovenwereldlijke werkelijkheid, een ivoren toren, een hersenschim, fata morgana. De hemel is nog steeds deze zelfde wereld, maar dan bezien vanuit het oogpunt van het koninkrijk van God. ‘Hemel’ in de bijbel is geen verblijf ergens enkele lichtjaren buiten de Melkweg (sky) maar daar waar God woont (heaven) en dat is krachtens zijn soevereine keuze: te midden van zijn schepping, de hemel buigt diep door over de aarde, hij woont onder de mensen, niet in een metafysisch luchtkasteel. In het Hemelvaartverhaal zijn er twee engelen voor nodig om die naar boven gerichte blik van Jezus’ leerlingen: ‘Wat staan jullie daar naar boven te staren…’, weer om te buigen naar de aarde.

Jezus zegt: ‘Ik zend hen naar de wereld, zoals u mij naar de wereld hebt gezonden.’ Zijn zending is met zijn hemelvaart niet opgeschort. Hij leeft en regeert en bidt ten bate van al zijn broeders en zusters, voor de minsten der mensen allermeest.
‘Gij, Jezus Christus opgestegen tot hoogste heerlijkheid, blijf ons nabij op onze wegen; U zij de lof gewijd. Uw weg ging voort door smaad en dood; o Heer die ons uw lichaam bood als ’t levensbrood’ (Liedboek 380).


inleiding dr. Eric Ottenheijm
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

 

webdesign: Artis