13 januari 2019
Doop van de Heer

 

Lezingen: Jes. 42,1-4.6-7; Ps. 29; Hand. 10,34-38; Luc. 3,15-16.21-22

 

Inleiding

Jesaja 42,1-4.6-7 
Het begin van deze lezing staat bekend als het eerste van de vier liederen van de dienaar (of knecht) van JHWH (42,1-4; 49,1-6; 50,4-11 en 52,13–53,12). Zij worden toegeschreven aan Deutero-Jesaja, leerling van Jesaja en profeet tijdens de Babylonische ballingschap.
           JHWH is aan het woord en stelt zijn dienaar voor, waarbij het de vraag is of het in dit lied gaat om de profeet of wellicht om het gehele volk Israël. De Eeuwige zelf heeft hem uitgekozen, hij heeft welbehagen in hem en noemt hem mijn dienaar en mijn uitverkorene (Jes. 42,1; 43,20; 45,4; 65,9.22; 2 Sam. 21,6; Ps. 106,23). Dit laat enerzijds de grote betrokkenheid van JHWH zien en anderzijds de wel heel speciale relatie van de dienaar (’ebed) tot de Eeuwige.
           JHWH staat volledig achter zijn dienaar, hij houdt hem vast en legt zelfs zijn geest (roeach) op hem, zodat deze spreekt met of in zijn geest. De dienaar zal opkomen voor de zwakken en weerlozen en zijn komst zal tot heil van alle mensen leiden, want God wil geen ‘gebroken riet’, geen geweld, maar een wereld van heil, van recht (misjpat vv. 1, 3 en 4) en gerechtigheid. Dat recht, de door God gewilde wereldorde, maakt de dienaar bekend aan de volken (gojim).
            Het niet gelezen vers 5 spreekt over JHWH als schepper van hemel en aarde, schenker van levensadem en levensgeest (roeach).
           In de verzen 6-7 spreekt de Heer opnieuw zijn dienaar toe – de geleerden zijn het erover eens dat de hier ingelaste perikoop gericht is tot Kores (Cyrus). Hij was koning van Meden en Perzen en liet in 538 de ballingen terugkeren naar huis. De Eeuwige zelf neemt hem bij de hand en vormt hem (Gen. 2,7) tot een licht voor de volken (gojim).
           Het is de tijd van de ballingschap, de tijd ook om opnieuw na te denken over JHWH en tot de conclusie te komen dat JHWH niet gebonden is aan het land, maar een universele God is voor alle volken.

Handelingen 10,34-38
Zie: dr. J.H.A. Brinkhof, ‘Petrus naar de volkeren’ (Handelingen 8,4-25; 9,32–12,23 en 15,7-21) en prof. dr. E.H. Hoet, ‘Nu weet ik zeker dat God geen aanzien des persoons kent’ (Preekvoorbeeld bij Handelingen 10,34v) in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 74-86.91-92

Lucas 3,15-16.21-22
Johannes is een bijzondere figuur, en zeker niet alleen vanwege de hoge ouderdom van zijn ouders bij zijn geboorte. Volgens de evangelist Lucas is hij familie van Jezus, want hun moeders, Elisabet en Maria, zijn nichten van elkaar. Zijn vader, de priester Zacharias, profeteert, vervuld van heilige Geest, kort na zijn geboorte: ‘… En jij, mijn jongen, zult profeet van de Allerhoogste worden genoemd, want je zult voor de Heer uitgaan als zijn wegbereider; om zijn volk te leren hoe het gered kan worden door de vergeving van de zonden’ (1,76v).

Johannes heeft succes met de verkondiging van de doop van bekering tot vergeving van zonden. Bekering (metanoia) betekent anders gaan denken, je gedrag veranderen. Nieuw is dat het hier, anders dan bij de gebruikelijke reinigings­rituelen, om een doop gaat die slechts éénmaal toegediend wordt. Het gaat om een definitieve bekering, een bekering voorgoed. De mensen lopen massaal uit om zich door hem te laten dopen. Johannes (‘God is genadig’) gaat niet bepaald zachtzinnig met hen om, hij kijkt hen niet naar de ogen ook al zal hem dat uiteindelijk de kop kosten. ‘Adderengebroed’ noemt hij hen, en hij roept: ‘De bijl ligt al aan de wortel van de bomen; iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid’ (3,9). Radicale woorden van een onheilsprofeet? En toch, de mensen lopen niet weg, ze zijn van goede wil, ze willen hun leven veranderen, ze willen zich bekeren. Maar hoe? Wat moeten ze doen? Dan blijkt dat Johannes een goede boodschap verkondigt. Hem staat een heel andere, een rechtvaardige maatschappij voor ogen: Wie twee stel kleren heeft, moet delen met iemand die niets heeft, en wie te eten heeft, moet hetzelfde doen. Tollenaars moeten niet méér vorderen dan het voorgeschreven bedrag en soldaten maant hij om tevreden te zijn met hun soldij en niemand iets af te persen (3,11-14).
            De mensen zijn zo onder de indruk van Johannes dat zij zich afvragen of hij soms de Messias is, want ‘zij leefden in gespannen verwachting’ (3,15). Ze hebben het niet gemakkelijk in deze tijd van bezetting en onderdrukking door de Romeinse overheid met torenhoge belastingen en allerlei chicanes. Ze verlangen naar een leven in vrede en vrijheid. De woorden van deze man raken hen, ze vragen zich af of hij de langverwachte heilbrenger, de redder van hun volk is?
            De lezer van het evangelie weet al door de verschijning van de engel aan de herders in het veld dat niet Johannes, maar Jezus de Messias is (2,9-14).

Johannes maakt de mensen duidelijk dat hij slechts de rol van voorloper, van wegbereider heeft: ‘Ik doop u met water. Maar er komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen in heilige Geest en vuur’ (3,16).
            Zoals een heraut de komst van een koning aankondigt, zo kondigt Johannes de komst van Jezus aan.
            Dat de Messias doopt in vuur en heilige Geest, kan een verwijzing zijn naar het Pinksterverhaal in Handelingen 2. Een andere mogelijkheid is de samenhang met vers 17, waar Johannes spreekt over de wan en het kaf en het koren, een verwijzing naar de rechtersfunctie van de Messias.
            Het paradoxale is nu dat Jezus zich door zijn voorloper Johannes laat dopen. Tijdens zijn gebed – Lucas legt veel nadruk op de biddende Jezus – ging de hemel open: een schitterend beeld voor de eenheid van hemel en aarde, van de Vader en zijn zoon Jezus.
           ‘De heilige Geest daalde in lijfelijke gedaante als een duif op Hem neer’ (3,22). Volgens sommigen gaat het hier om een allusie op het scheppingsverhaal waarin de geest van God zweeft boven de wateren (Gen. 1,2). De duif is dan het teken van een nieuwe schepping.
           De tekst zou ook kunnen zinspelen op het verhaal van de duif die terugkeerde naar de ark van Noach (Gen. 8,8-12). In dat geval luidt de duif het einde van het oordeel in (vgl. de prediking van Johannes de Doper) en het begin van een heilvolle tijd.
           Gods Geest maakt Jezus tot gezalfde, tot Messias, tot Gods zoon (4,18). De Messias belichaamt het volk Israël als koning én als rechtvaardige dienaar (Jes. 42,1).

Dit alles wordt bevestigd door de stem uit de hemel: ‘Dit is mijn geliefde zoon, in wie Ik vreugde vind’ (3,22; 9,35; Jes. 42,1!).
           Overweldigende, zegenende woorden, dé bedding om vanuit op weg te gaan, om vanuit deze innige relatie te handelen naar Gods wil. Zo is al aan het begin van het evangelie te zien en te horen wie Jezus is: Gods geliefde Zoon, de lang verwachte heilbrenger, vervuld van Gods Geest, in hem is God verborgen aanwezig. Het is een legitimatie die Jezus onderscheidt van al de profeten die hem voorgingen, een uitnodiging ook om Jezus na te volgen. Hij is de weg en de wegwijzer naar God.
           In de direct volgende verzen beschrijft Lucas uitgebreid de stamboom van Jezus die naar men aannam, de zoon van Jozef is en hij eindigt met de woorden dat Jezus de zoon van God is (3,23.38).

Door de doop geeft Johannes het stokje door aan Jezus die door God zelf als zijn zoon is uitgeroepen. De vraag is: waarom Jezus zich liet dopen? Had hij die doop dan nodig? In elk geval niet omdat hij een zondaar zou zijn (2 Kor. 5,21; 1 Petr. 2,22) of zich bij de beweging rond Johannes zou willen aansluiten.
           Maar in zekere zin ook wel, want is die doop niet juist tekenend voor zijn menszijn, voor zijn solidariteit met de mensen in het algemeen, en in het bijzonder met de zwakken, de gebrokenen, de wanhopigen.
           Jezus kiest partij voor ‘die bidden en smeken om uit moedeloosheid op te staan, die naar een nieuw leven uitzien en zich niet willen laten neerdrukken door de last, de wanhoop, de nederlagen van het verleden. Jezus ziet dat verlangen en die hoop in mensen en kiest hun kant. Hij wordt één van hen’ (Logister, 137).
           Door zich te laten dopen kiest Jezus bewust voor de weg die de mensheid een nieuw begin schenkt. De weg die naar Jeruzalem en naar het kruis leidt (12,50). Zijn leven lang gaat Jezus bij voorkeur om met de sociaal uitgestotenen en maakt hij zich sterk voor de misdeelden, tollenaars en zondaars. Gezonde mensen hebben immers geen dokter nodig, zal hij later zeggen, maar zieke wel (5,31).

Joseph Ratzinger legt deze vraag als volgt uit (blz. 38-39):

Pas het kruis en de verrijzenis maakten aan de christenen duidelijk wat er gebeurd was: Jezus had de schuldenlast van heel de mensheid op zijn schouders geladen. Hij dompelde ze onder in de Jordaan. Zijn openbare optreden begint ermee dat hij in de plaats van de zondaar treedt. Hij loopt vooruit op het kruis. Hij is bij wijze van spreken de nieuwe Jona, die tegen de scheepsbemanning zei: ‘Neem mij maar op en smijt mij in zee’ (Jona 1,12). De doop van Jezus wordt in zijn volle betekenis, als de uiteindelijke ‘gerechtigheid’, pas geopenbaard in het kruis. In de doop neemt Jezus de dood op zich voor de zonden van de mensheid. De stem die bij de doop gehoord wordt: ‘Dit is mijn veelgeliefde Zoon’ wijst vooruit naar de opstanding. Dat is ook een verklaring voor het feit dat Jezus zelf het woord ‘doop’ gebruikt voor zijn dood (Mar. 10,38; Luc. 12,50).

Tot slot
Om het leven van Jezus te duiden, gebruikt Lucas woorden en beelden uit de Schrift waarmee zijn lezers vertrouwd zijn. Laten we daarom nog even teruggaan naar de eerste lezing uit Jesaja, dat hoopvolle en vreugdevolle lied van de dienaar van de Heer.
           Wie is er bedoeld met die dienaar, vol van Gods geest, die het geknakte riet niet breekt maar opricht, die de kwijnende vlaspit niet uitblaast maar doet gloeien tot hij op de aarde het recht heeft gevestigd, die heil brengt, blinde ogen heelt en gevangenen bevrijdt?
           De tekst zelf laat dit open en in de loop der tijden zijn er verschillende namen ingevuld voor deze dienaar, in wie God welgevallen heeft. De leerlingen van Jezus passen hem op hun meester toe. Wanneer zij terugblikken op het leven van Jezus die ‘als weldoener door het land trok en iedereen genas die in de macht van de duivel was, want God stond hem bij’ (Hand. 10,38), moet hij wel die dienaar van de Heer zijn, daartoe persoonlijk geroepen en van hogerhand bevestigd bij zijn doop in de Jordaan. Zo staat Jezus in de oudtestamentische traditie.

Literatuur

Wiel Logister, Contouren van God, Averbode 2004, 136-142
Joseph Ratzinger Benedictus XVI, Jezus van Nazareth, Tielt 2007, 31-44

 

Preekvoorbeeld

Met heilige Geest en met vuur

1. ‘Het volk leefde in gespannen verwachting en allen vroegen zich af of Johannes [de Doper] niet de Messias was’, begint de evangelielezing van vandaag (Lucas 3,15). Echt niet, antwoordt Johannes. Projecteer je onvervulde verlangens niet op mij. Ik kan zeggen wat je zou moeten doen om zelf deel te zijn van de verandering waarnaar je uitziet. Maak geen gebruik van de zwakheid van mensen, maar als dat tot je mogelijkheden behoort, geef ze dan wat ze nodig hebben (vgl. Luc. 3,11-14). Het werd ons aangezegd op de derde zondag van de Advent. Wie zo wil leven, die doopt Johannes in de Jordaan. Zoals het volk Israël ooit door de Jordaan het beloofde land introk (Joz. 3,7-17).
           Johannes kondigt een nieuw tijdperk aan en markeert dit met de doop, maar Jezus begint dit nieuwe tijdperk. Jezus is in persoon, dat nieuwe waar Johannes naar verwijst. ‘U zult zwanger worden en een zoon baren die u de naam Jezus moet geven’, zegt de engel tegen Maria. ‘Hij zal Zoon van de Allerhoogste worden genoemd en God zal hem de troon van zijn vader David geven’ (Luc. 1,31-32). Het speelt zich af op aarde, maar het heeft hemelse betekenis. God zelf ‘heeft omgezien naar zijn dienares in haar geringheid’, bezingt Maria wat haar gebeurd is. ‘Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig’ (Luc. 1,48). Een nieuw tijdperk is aan het doorbreken waarin machthebbers van hun troon zijn gestoten en de geringen hun plaats innemen, een tijdperk waarin de hongerigen meer dan genoeg krijgen en de rijken met lege handen worden weggestuurd. Dit nieuwe tijdperk begint met Jezus. Of eigenlijk: Jezus is dit nieuwe tijdperk.

2. Vandaag gedenken we de doop van Jezus. Maar anders dan in het evangelie van Matteüs, Marcus en Johannes, geeft Lucas helemaal geen details over deze doop. Jezus onderscheidt zich in eerste instantie niet van de anderen: ‘Het gehele volk liet zich dopen, en zo ook Jezus’ (Luc. 3,21). Alle nadruk valt bij Lucas op wat er na de doop gebeurt. Dan komt Jezus nadrukkelijk in beeld. In twee keer twee stappen wordt duidelijk dat hij van wereld-veranderende betekenis is.
             Als Jezus gedoopt is en zich aldus heeft afgekeerd van de wereld van de macht en het geld, het statusverschil en de uitsluiting, en heeft gekozen voor een wereld van liefde en betrokkenheid, verbondenheid en gemeenschap, bidt hij. Met deze eerste stap representeert hij de aarde die zich niet zomaar kan herstellen, de menselijke samenleving die wordt vastgehouden en ongelukkig is doordat zij gevangen zit in een ijzeren logica. Jezus maakt duidelijk dat deze doorbroken moet worden en dat dit niet op eigen, menselijke kracht kan. Als antwoord op Jezus die in het gebed zijn verlangen opent, opent zich – tweede stap – de hemel. Het is bij Lucas een terugkerend motief dat God niet bij degenen is die menen recht op hem te hebben, maar zich verbindt met hen die weten dat zij Gods aanwezigheid nodig hebben en er daarom voor openstaan.
           Het meest toegespitst komt dit misschien naar voren in de parabel van de Farizeeër en de tollenaar. Deze laatste bidt om genade voor zichzelf als ‘arme zondaar’ en precies deze dubbele wetenschap, hulp nodig te hebben en geen aanspraak op hulp te kunnen maken, maakt hem een rechtvaardige. De Farizeeër daarentegen, die zijn eigen rechtvaardigheid breed uitmeet, snijdt zich juist daardoor af van de verbinding met God. En daarmee van het ware leven en het ware recht.

3. Jezus belichaamt na zijn doop de hunkering van de wereld opnieuw Gods wereld te worden, van ‘woest en leeg’ (Gen. 1,2) te worden herschapen tot ‘zeer goed’ (Gen. 1,31). Als antwoord hierop zendt God – derde stap – vanuit de geopende hemel zijn Geest, zoals de Geest in het begin over de duisternis en de diepte, over de chaos van de wateren lag (Gen. 1,2). In de lijfelijke gedaante van een duif, sinds Noach het teken dat God bezig is het land bewoonbaar te maken (Gen. 8.11). God voltooit deze nieuwe verbinding die hij met de aarde legt met de verklaring – vierde stap – dat degene op wie de Geest nu rust daarmee zijn geliefde Zoon is, een bron van vreugde voor hem.
           Zo wordt Jezus in vier stappen tot een stukje aarde dat niet alleen ‘zeer goed’ is, maar waar, met de woorden van Psalm 85, liefde en trouw elkaar ontmoeten, rechtvaardigheid en vrede elkaar kussen’ (Ps. 85,11). Met het feest van de doop van de Heer, dat de viering van het Kerstfeest afsluit, wordt dit ten volle een feest van vrede: Gods vrede, Gods sjalom is in Jezus onomkeerbaar begonnen aan zijn zegentocht over de aarde.
            In Psalm 29, die vandaag in de liturgie klinkt, wordt God getekend als de koning die met zijn orde troont boven de bandeloze vloed die de mensengeschiedenis kan zijn, en een losgeslagen natuur evenzeer. Langs deze weg geeft hij te midden van alle turbulentie vrede (Ps. 29,10-11).
           De profeet Jesaja kondigt in de eerste lezing een mens aan naar het hart van deze God, die het recht vestigt op aarde en geroepen is heil te brengen (Jes. 42,4 en 6). Die mens zal een licht zijn voor de naties omdat hij het geknakte riet niet zal breken en de kwijnende vlaspit niet uit zal blazen (v. 3). Orde en harmonie worden niet opgelegd, maar behoedzaam ontdekt door te openen wat gesloten is, te bevrijden wat gevangen zit en te verlichten waar het duister heerst (v. 7). De vroege christenen herkenden in wat hier beschreven wordt het optreden van Jezus.

4. ‘Ik geef mijn roem niet aan godenbeelden’, gaat de profeet Jesaja verder nadat de lezing van vandaag ophoudt, ‘ik deel mijn roem met geen ander’ (v. 8). Jezus keert zich tot God, opent zich voor Gods Geest en breekt zo met alle afgoden die schijnzekerheid brengen en het leven fnuiken. De Geest die over hem komt, zal uiteindelijk in tongen van vuur over al zijn leerlingen komen (Hand. 2,3), als een voorafbeelding van een hele aarde die ooit in lichterlaaie zal staan (Hand. 2,7-21; Joël 3,1-5). Brandend van Gods aanwezigheid die alles verlicht met zijn gloed. En die alles verteert wat zich tegen de goddelijke liefde keert. De goddelijke liefde die alles omvat en doordringt.

 

inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld prof. dr. Erik Borgman

webdesign: Artis