12 augustus 2018
Negentiende zondag door het jaar

Lezingen: 1 Kon. 19,4-8; Ps. 34; Ef. 4,30–5,2; Joh. 6,41-51 (B-jaar)

 

Inleiding

‘De mens leeft niet van brood alleen’. Volgens de evangelisten Matteüs en Lucas neemt Jezus dit oudtestamentische citaat uit Deuteronomium 8,3 in de mond wanneer hij in de woestijn door de duivel op de proef wordt gesteld (Mat. 4,4; Luc. 4,4). Hoewel ‘brood’ levens-noodzakelijk is, heeft de mens behalve aan materiële zaken ook nood aan ‘elk woord dat komt van God’. Ook de lezingen van de negentiende zondag door het jaar gaan over brood. Anders evenwel dan in de voornoemde verzen beklemtonen de lezingen van deze zondag juist de noodzaak van brood, dat – als hemels brood – symbool staat voor het (eeuwige) leven.

1 Koningen 19,4-8 – ‘Sta op en eet’
De oudtestamentische lezing kan niet los van zijn literaire context worden begrepen. De profeet Elia is op de vlucht. In het conflict met de profeten van Baäl op de berg Karmel had Elia zich hun meerdere getoond (1 Kon. 18,20-46). Dankzij Elia’s tussenkomst had God het opnieuw laten regenen over Israël, en was het volk tot inkeer gekomen. Daarenboven had Elia de opdracht gegeven om de profeten van Baäl af te slachten. Het spreekt voor zich dat koning Achab en diens vrouw Izebel – trouwe aanhangers van Baäl – zich persoonlijk door Elia aangevallen voelden. Door toedoen van een bode – een malâk – kondigt Izebel aan Elia zijn doodvonnis aan: ‘De goden mogen mij dit aandoen en nog erger als ik u niet binnen vierentwintig uur het lot van de profeten heb laten delen’ (1 Kon. 19,2).
               Het hoeft niet te verwonderen dat Elia, ook al had hij zich steeds gesteund geweten door God, zijn leven in veiligheid wil proberen te stellen. Hij wil ontkomen aan Achab en Izebel, de heersers van het Noordrijk Israël, en hoopt redding te vinden in het naburige Zuidrijk Juda. Wanneer hij in Berseba aankomt, laat hij er zijn dienaar – die voor het laatst in 1 Koningen 18,43 was genoemd – achter, en trekt de woestijn in. Na een tocht van een dag zinkt de moed hem in de schoenen. Elia zet zich neer onder een bremstruik, en richt zich tot God: ‘Het wordt mij teveel, jhwh, laat mij sterven, want ik ben niet beter dan mijn voorvaders’ (v. 4). In het licht van zijn succesvolle overwinning op de profeten van Baäl komt deze bede enigszins onverwacht. Voelt Elia zich wanhopig als enige overgebleven profeet van jhwh, zoals 1 Kon. 19,14 het suggereert (‘ik alleen ben overgebleven en mij staan ze naar het leven’)? Dit is evenwel in tegenspraak met 1 Koningen 18,13, waar Obadja meedeelt hoe hij honderd profeten van Izebels moordzucht heeft weten te redden door hen in een grot te verbergen.
               Wat er ook van zij, bij het lezen van Elia’s bede denkt een bijbelvaste lezer onmiddellijk aan Mozes. Moe van het zeuren en klagen van de Israëlieten tijdens de woestijntocht richtte Mozes zich in Numeri 11,14v immers met gelijkaardige woorden tot God: ‘Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen. Het is te zwaar. Indien u zo met mij blijft doen, dood mij dan maar, als u mij genadig wilt zijn. Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien’. Ook in Exodus 32,32 vraagt Mozes dat God hem zou schrappen ‘uit het boek’ dat hij heeft geschreven. En de reminiscenties aan Mozes doorkruisen ook de rest van de perikoop, alsook het vervolg ervan in de passage over Gods theofanie bij de Horeb (1 Kon. 19,9-18). Verder herinnert Elia’s legitimatie van zijn bede om te sterven – ‘ik ben niet beter dan mijn voorvaders’ – zonder twijfel aan Numeri 14,21vv, waarin God aankondigt dat alle Israëlieten die de uittocht uit Egypte hebben meegemaakt in de woestijn zullen omkomen.
               Elia vlucht in de slaap. Maar zo gemakkelijk komt hij er niet mee weg. Een engel – een malâk; in vers 7 wordt deze expliciet ‘engel van jhwh’ genoemd – port hem aan om op te staan en te eten van de gebakken koek en de kruik water die op wonderbaarlijke wijze bij Elia’s hoofdeinde staan: opnieuw een verwijzing naar het Exodusverhaal waar de Israëlieten door God worden gevoed met manna (Ex. 16,1-36) en water (Ex. 15,22-27). Anders dan de bode die Elia’s dood aankondigde namens Izebel, is deze malâk een bode ten leven. Echter, eenmaal gegeten en gedronken valt Elia opnieuw in slaap. Met dezelfde woorden – ‘sta op en eet’ (v. 7) – stoot de engel Elia opnieuw aan om wakker te worden en te eten. Maar nu voegt de engel iets toe aan zijn boodschap: de profeet moet eten en drinken, ‘want anders gaat de reis uw krachten te boven’ (v. 7). Tot nu toe was nergens in het verhaal de indruk gewekt dat Elia met een bepaald doel voor ogen zijn reis had aangevat: er was slechts gezegd dat Elia zijn leven probeerde te redden door het machtsgebied van Achab en Izebel te ontvluchten. Nu echter blijkt dat zijn reis ook een bestemming heeft, met name de berg Horeb. Opnieuw wordt de band met Mozes duidelijk: de Horeb – zo genoemd in het boek Deuteronomium; het boek Exodus benoemt deze berg veelal als de Sinai – is immers de berg waar God aan Mozes was verschenen, en waar deze Gods geboden had gekregen. Ook het feit dat Elia’s tocht ‘veertig dagen en nachten’ duurt doet de lezer onvermijdelijk denken aan Mozes’ verblijf op de Sinai, waar hij ‘veertig dagen en veertig nachten’ (Ex. 24,18) in Gods nabijheid verbleef. En wie het verhaal over Elia’s verblijf bij de Horeb en Gods theofanie aldaar (1 Kon. 19,9-18) leest, zal eveneens worden getroffen door de gelijkenissen met het verhaal over Gods theofanie op de Sinai in Exodus 32–33.

Efeziërs 4,30–5,2
Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Johannes 6,41-51 –‘Ik ben het brood om van te leven’
De thematiek van het brood dat leven geeft, en kracht om de tocht verder te zetten, heeft de auteur van het Johannesevangelie ongetwijfeld geïnspireerd bij het schrijven van het ganse zesde hoofdstuk, waarvan de verzen 41-51 deel uitmaken. Het hoofdstuk begint met het verhaal van de broodvermenigvuldiging (vv. 5-15). Vanaf vers 22 begint de zogenoemde broodrede. De veeleer theologische uiteenzetting neemt een aanvang in vers 25, wanneer Jezus een tegenstelling maakt tussen ‘vergankelijk voedsel’ en ‘voedsel dat blijft’, waarmee klaarblijkelijk aan het ‘eeuwige leven, dat de Mensenzoon zal geven’ wordt gerefereerd. In vers 33 identificeert Jezus zichzelf vervolgens met het brood dat uit de hemel is neergedaald en dat aan de wereld leven geeft. Deze uitspraak stootte de toehoorders – ze worden hier voor het eerst in het evangelie ‘Joden’ genoemd – tegen de borst. Hiermee wordt de perikoop van de zondagslezing ingeleid.
               Net zoals de Israëlieten in de woestijn beginnen de Joden te morren; ze ergeren zich aan Jezus, die zich ‘het brood dat uit de hemel is neergedaald’ heeft genoemd. Later in de perikoop wordt hun ergernis zelfs nog vergroot, wanneer Jezus zegt: ‘Het brood dat ik zal geven is mijn vlees’ (v. 51). Hoe kan ‘de zoon van Jozef’ (v. 42) zoiets beweren? In zijn reactie gaat Jezus niet in op hun argumenten. Hij gebiedt hen slechts op te houden met morren (v. 43). Wat volgt is een theologisch discours over het kennen van Jezus als zoon van God en het ermee verbonden eeuwige leven (v. 47). Tot Jezus komt men – dit wil zeggen: in Jezus gelooft men – slechts wanneer men door de Vader naar Jezus toe wordt ‘getrokken’. Jezus kennen is niet het resultaat van eigen verdienste; het is het resultaat van Gods genade, waarvoor men zich vanzelfsprekend open moet stellen. Het vereist luisterbereidheid, hetgeen Jezus onderbouwt met een citaat uit Jesaja 54,13: ‘Allen zullen onderricht ontvangen van God’. Tegelijkertijd maakt Jezus een voorbehoud: hoewel alle mensen Gods onderricht zullen krijgen, er is er maar één – Jezus zelf – die de Vader heeft gezien.
               Vanaf vers 48 laat de evangelist Jezus weer aanknopen bij de thematiek van het brood. Nu gaat hij evenwel nog een stap verder. Hij verwijst naar het manna in de woestijn. Hoewel ook dit hemels brood was, heeft het de Israëlieten niet kunnen vrijwaren van de dood (v. 49). Jezus karakteriseert zichzelf nu als het ‘levende brood, dat uit de hemel is neergedaald’ (v. 51). Wie van hem eet, zal leven in eeuwigheid. Het hoeft niet te verwonderen dat men dit vers veelal als een verwijzing naar de eucharistie heeft gezien; het gebruik van de toekomstige tijd – ‘het brood dat ik zal geven’ (v. 51) – is hier ongetwijfeld niet vreemd aan. Ook de discussie die Jezus uitlokt – en die er in de volgende perikoop (vv. 52-58) de aanleiding toe is in te gaan op het ‘eten van Jezus’ vlees’ en het ‘drinken van zijn bloed’ – herinnert ontegenzeggelijk aan Jezus’ woorden tijdens het laatste avondmaal, zoals de synoptici ze hebben overgeleverd.

 

Preekvoorbeeld

Bovenop het Karmelgebergte bij Haifa in Israel staat een meer dan levensgroot beeld van de profeet Elia. Hij heeft een zwaard in zijn hand en met zijn voet vertrapt hij een verslagen Baälpriester. Toonbeeld van heroïsch geweld. Gelukkig staat er vlakbij ook een kleine, vredige kapel van het karmelietenklooster Muhraka. De profeet in actie. Het is een eclatante overwinning geweest, waarbij de tegenstanders van Baäl letterlijk te vuur en te zwaard zijn onder gegaan. Langer dan drie jaar heeft de droogte geduurd, als straf voor de afgodendienst van koning Achab. Uiteindelijk komt het tot een treffen hier op de Karmel, met als inzet de vraag welke god het offervuur zal ontsteken: de ene of Baäl. De priesters van Baäl voeren extatische regendansen uit, die door de profeet van spottend en vaak bijtend commentaar worden voorzien. Tegen de avond, wanneer zijn tegenstanders totaal uitgeput zijn, treedt Elia naar voren en roept de naam van de ene aan: vuur uit de hemel verteert offer en altaar. De afgodenpriesters worden afgeslacht bij de beek Kidron.
               Maar the day after the night before, staat er een bode op de stoep bij Elia. Een malak noemt de verteller hem. Vloekend en tierend bedreigt hij de profeet met de dood namens niemand minder dan het koninklijk hof. Zowel Achab als Izebel zijn als enthousiaste Baäladepten niet blij met deze uitkomst. Zo mag God [mij] doen, ja nog erger… zo begint de koninklijke boodschap. De anticlimax is compleet. De profeet neemt de doodsbedreiging serieus en vlucht voor zijn leven. Bij Berseba gaat hij een dagreis de woestijn in en legt zich neer onder een doornstruik. Dit is voor hem het einde. Niet gedood door Izebel, dan maar sterven in de woestijn.
               Nu is er echter opnieuw een malak, een bode, niet van het hof, maar van de hemel. Eenzelfde malak die degenen die jhwh vrezen omgeeft (Ps. 34,8). Een bode met een geheel ander bericht, het totale tegendeel. Elia wordt aangeraakt met de woorden: Sta op, eet. Zo klinkt de goddelijke boodschap. Geen boodschap ten dode, maar ten leven. Zoals de psalmist zingt: Smaakt en ziet jhwh is goed (tov) (Ps. 34,9). Geen vloek, maar een zegen. Geen dreiging maar een bemoediging. Tot tweemaal toe: Sta op, eet, want [anders] is de weg te lang voor je. De woestijn is de plaats waar de mens niet kan leven. De plaats van de dood. Keer op keer vertelt de Schrift ons dat juist in die doodse dieptepunten mensen ten leven worden gered. Veertig jaar woestijn voor het volk Israel. Veertig dagen op de berg voor Mozes. Nu opnieuw veertig dagen voor Elia, op weg naar de berg. Straks veertig dagen in de woestijn voor Jezus. Elia kijkt op en ziet een koek op gloeiende stenen gebakken. Brood in de woestijn. Brood ten leven. Levend brood.
               In de liturgie is het viaticum opgeschoven naar de laatste plaats van de sacramenten, het laatste sacrament in een mensenleven. Oppervlakkig bezien past die term hier bij de doodswens van Elia. Maar oorspronkelijk in de klassieke oudheid gaat het om iets dat veel meer algemeen is, iets voor onderweg, op de via, de weg van het leven. Daar hoort zeer zeker brood bij. Teerspijs, want anders zou de weg te lang zijn. Zo gaat Elia gesterkt op pad, veertig dagen lang. De overeenkomst met Mozes dringt zich op in letterlijke bewoordingen. Exodus (3,1- 6) vertelt hoe Mozes als herder aankomt bij de berg van God, de Horeb. In de daaropvolgende ontmoeting met de ene omhult Mozes zijn aangezicht. Van Elia lezen wij hier dat hij gaat (…) tot de berg van God, de Horeb. In de daaropvolgende ontmoeting met de ene omhult hij zijn aangezicht. De ene in de woestijn van ons leven.
               Het eerste deel van het evangelie van Johannes (1–11) wordt wel het boek van de tekenen genoemd. Tekenen waarvan de evangelist zelf zegt dat ze dienen tot ons geloof in Jezus opdat jullie zullen geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God en opdat jullie door te geloven leven zullen hebben in zijn naam (20,30v).
               Het eerste teken is meteen ook een principieel teken, dat de toon zet: de bruiloft van Kana. Het leven als een feest. Het laatste teken is de opwekking van Lazarus. Het leven door de dood heen.
Ongeveer in het midden (6,1-15) vertelt het evangelie over het teken van de brood-vermenigvuldiging. Het leven bij brood uit de hemel. Dit teken aan de overkant van de zee van Tiberias in de heuvels van Galilea, is het totale tegenbeeld van het gebeuren op het gebergte van de Karmel. Daar is de beek Kidron rood gekleurd van het bloed van de priesters, hier op het groene gras blijven twaalf manden vol brokken over. De enthousiaste verzadigden willen Jezus dan ook meteen maar koning maken. Maar degenen die dit teken niet hebben meegemaakt, slaan aan het morren. Precies hetzelfde woord is te horen bij het teken van het manna in Exodus (16). De woestijngangers morren, murmureren tegen Mozes en daarmee ook tegen de ene. Het teken van het manna wordt niet verstaan, niet gehoord. Brood uit de hemel, manna immers als beeld van Thora. Brood als woord van God. Daarvan is Jezus het levende teken: ‘Ik ben het brood van het leven’ (6,48).
               Ik ben. De onuitsprekelijke godsnaam (Ex. 3,14) wordt door Jezus op heel verschillende manieren belicht. Waar Mozes alleen die niet uit te spreken vier letters te horen krijgt, wordt ons in het evangelie steeds een nieuw aspect getoond als de facetten van een diamant. Het brood van het leven (6,35), het licht van de wereld (8,12), de deur van de schapen (10,7), de goede herder (10,11), de opstanding en het leven (11,25), de weg, de waarheid en het leven (14,6), de ware wijnstok (15,1). De edelsteen keert zich naar de mens en verrast ons steeds opnieuw met een andere invalshoek, een nieuwe kleur waarmee ons godsbeeld wordt geladen. Ik ben het brood van het leven. De weg van het mensenleven voert langs hoogte- en dieptepunten, langs grazige weiden en door dorre woestijnen. Die weg is niet begaanbaar op eigen kracht. Sta op, eet, want [anders] is de weg te lang voor je krijgt Elia van zijn bode te horen. Wanneer iemand van dit brood eet, zal hij leven tot in eeuwigheid, houdt Jezus zijn morrende omgeving voor.
               Manna aan mensenhanden toevertrouwd, gebroken en gedeeld. De vruchten van de ware wijnstok uitgegoten en rondgegeven. De overvloed maakt de woestijn tot grazige weiden. Het gaat immers om veel meer dan brood alleen. Het gaat om alles wat uit de mond van de ene uitgaat (Deut. 8,3). Jezus heeft die godsnaam in alle facetten voorgeleefd, uitgebeeld tot in de uiterste consequentie: als offergave en slachtoffer (Ef. 5,2). Wat is het dan toch dat mensen hierbij gaan murmureren? De overvloed voor zichzelf opeisen, zodat het merendeel van de wereld honger lijdt? Wanneer je werkelijk durft te leven uit de overvloed van de eucharistie, wordt het onmogelijk om deze gaven voor jezelf te houden. Dan zullen we moeten delen van wat wij zelf zo overvloedig mochten ontvangen. Het gaat immers om niets minder dan het leven van de wereld (Joh. 6,51).

 

inleiding prof. dr. Hans Ausloos
preekvoorbeeld drs. Frans Wiersma

webdesign: Artis