12 mei 2019
Vierde zondag van Pasen

Lezingen: Hand. 13,14.43-52; Ps. 100; Apok. 7,9.14b-17; Joh 10,27-30 (C-jaar)

 

Inleiding

Doorheen het verhaal over Jezus’ en zijn tijdgenoten in de diverse lezingen klinkt ook de discussie en onderlinge verdeeldheid van de latere joodse en christelijke gemeenschappen door. De joodse gemeenschappen na de val van Jeruzalem worstelen nog steeds met de vraag rond de Messias. Hoe kunnen christenen in die gekruisigde de Messias van Godswege herkennen? Op de verdeeldheid tussen de Joden reageert de auteur van Johannes door de verbondenheid tussen Jezus en God centraal te plaatsen, en uit te nodigen om deel uit te maken van die verbondenheid. De auteur van Handelingen laat Paulus en Barnabas resoluut de richting van de niet-joden inslaan als de joden hun boodschap niet willen accepteren, en beschouwt dit als een vervulling van een Schriftwoord.

Johannes 10,27-30 – Jezus en de Vader zijn één
Johannes 10 daagt Jezus’ toehoorders (en op de achtergrond ook de gemeente van Johannes en latere lezers) uit om een keuze te maken aangaande de betekenis van Jezus. Het beeld van de kudde staat vaker in de Bijbel voor het volk van God (zo ook Ps. 100,3). De beeldspraak van herders en schapen verwijst indirect naar het oordeel over de slechte herders in Ezechiël 34. Omdat die ‘herders’ enkel zichzelf weiden, worden schapen geslacht (34,3) en geroofd (34,8), dwalen ze rond en zijn ze verstrooid (34,6). Daarom zal God optreden als een goede herder. God zal de schapen redden van hun ‘herders’ en hun een goede weidegrond geven. Aangezien Jezus zich identificeert met de goede herder worden de toehoorders uitgedaagd om te erkennen dat Jezus handelt zoals God (vergelijk met Apok. 7,17 waar het bokje als herder optreedt, de schapen weidt en naar het water van het leven brengt). Dieven en bandieten roven, ze slachten en ze laten de schapen verloren gaan – opnieuw een allusie op Ezechiël 34: degenen die eigenlijk het volk moeten weiden, doen dit niet. Binnen de verhaalcontext van Johannes is dit een aanklacht van allen die proberen te verhinderen dat iemand tot erkenning van Jezus, en daardoor tot redding, komt.
           In Ezechiël 34 maakt God een scheiding tussen de ‘vette’ en de ‘magere’ schapen, waarbij het oordeel valt over de ‘vette’ schapen omdat zij de zwakkeren verstoten (34,20v). In Johannes is het onderscheid in de kudde gelaagd. Enerzijds wordt er onderscheid gemaakt tussen de kudde in de schaapskooi en de schapen die buiten de kooi zijn, maar toch ook tot Jezus’ kudde horen. Dit is een verwijzing naar de Joodse christenen en de christenen uit het heidendom. Maar daarnaast zijn er Jezus’ schapen en de schapen die niet bij hem horen (10,26). Deze laatsten zijn de Joden die niet in hem geloven. Zij willen duidelijkheid of Jezus de Messias is of niet, terwijl ze wie Jezus als Messias erkent, uit de synagoge verstoten (9,22, vergelijk met het gedrag van de vette schapen in Ezech. 34,20v).
           Jezus verzekert dat niemand zijn schapen zal roven, zij zullen niet verloren gaan maar eeuwig leven. Dit is gegrond in de Vader, maar hoe men dit concreet interpreteert hangt af van de lezing van Johannes 10,29. Enerzijds kan men dit vers lezen als ‘Mijn vader, die (hen) mij gegeven heeft, is groter dan allen, en niemand kan (hen) grijpen uit de hand van de Vader’. Wie Jezus’ schapen probeert te roven, probeert de schapen te roven van de Vader, wat onmogelijk is. Anderzijds kan men ook lezen ‘wat de Vader mij gegeven heeft, is groter dan alles, en niemand kan het grijpen uit de hand van de Vader’. Wat God Jezus heeft gegeven, is véél meer dan enkel de schapen (Jezus’ volgelingen). Het gaat dan om Jezus’ zending en positie, die niet afgenomen kunnen worden omdat die in handen zijn van de Vader. De passage besluit: de Vader en ik zijn één. De onlosmakelijke verbinding tussen Jezus en zijn Vader, in het Johannesevangelie telkens opnieuw op diverse wijze verwoord en beklemtoond, wordt door de joden echter als godslasterlijk opgevat. Voor de evangelist is de verbondenheid tussen Jezus en de Vader (en tussen Jezus en zijn leerlingen) echter een centraal gegeven in zijn boodschap. Het is vanuit die verbondenheid dat er toch heil van Godswege is ondanks de kruisdood en de vernietiging van Jeruzalem met al diens socio-politieke gevolgen.

Handelingen 13,14.43-52 – Als de joden weigeren, keren we tot de volkeren
De beweging die rond Jezus ontstond, was in oorsprong een hoofdzakelijk joods gebeuren. Pas na Jezus’ dood werd deze beweging een wereldwijd gegeven, waarbij historisch niet enkel de rondreizende verkondigers, maar ook de vernietiging van Jeruzalem met de ermee samenhangende verspreiding van de bevolking over het Romeinse Rijk een rol speelde. Hierdoor werden christenen geconfronteerd met de vraag of zij zich enkel tot de joden, of ook tot de niet-joden (de ‘heidenen’ of ‘de volkeren’) moesten wenden.
            In de evangelies wordt slechts af en toe gealludeerd op de keuze om zich ook tot anderen te wenden. Zo geeft Johannes 10,16 aan dat Jezus ook schapen heeft die niet uit de schaapskooi (het Joodse volk) komen. In Handelingen wordt de overgang beschreven van de voornamelijk joodse beweging rond Jezus naar de christelijke gemeenschappen die ook niet-Joodse volgelingen omvatten.
           Volgens Handelingen 14 spreken Paulus en Barnabas in een joodse synagoge te Antiochië de plaatselijke gemeenschap toe. Zij verkondigen met verwijzing naar de Schriften Jezus als redder van Godswege (13,23) die door God uit de dood is opgewekt (13,34-37) en vergeving en rechtvaardiging betekent voor wie in hem gelooft (13,39v). Hierop tonen vele joden en godvrezenden (niet-Joden die wel in de joodse God geloven) zich geïnteresseerd in hun boodschap. Als echter ‘heel de stad’ naar hen komt luisteren, ontstaat er verdeeldheid (13,45). Paulus beschouwt de reactie van de joden als een afwijzing van Gods woord, en een teken dat zij zichzelf het eeuwig leven niet waard achten. De keuze om zich tot de heidenen te wenden, wordt opnieuw met de Schrift (Jes. 59,6) verantwoord. Israël heeft een universele missie om licht te zijn voor de volkeren en redding te brengen tot aan de uiteinden der aarde. Deze missie maken zij tot de hunne. De joden blijven echter stoken, waardoor Paulus en Barnabas uiteindelijk uit de stad verdreven worden. Dit betekent echter niet de doodsteek van hun missie te Antiochië. De leerlingen die achterblijven zijn vervuld van vreugde en van heilige Geest.
           Opmerkelijk is, dat in de boodschap van Paulus de idee van gericht zijn op eeuwig leven een belangrijk gegeven is (vergelijk Joh. 10,28). Wie niet focust op het eeuwig leven, verwerpt het (Hand. 13,46). Wie wel focust op dat waar het in het leven uiteindelijk om gaat en blijvende waarde heeft, staat open voor hun boodschap (13,48). De auteur van Lucas-Handelingen past hierbij een bekend literair procedé toe. Een belofte over de toekomst wordt gedeeltelijk vervuld, waardoor deze belofte aan geloofwaardigheid wint, en een zekere garantie ontstaat dat ook wat nog niet vervuld is, nog werkelijkheid zal worden. In dit geval is de verkondiging van de boodschap over Jezus als de aankondiging van licht voor de volkeren en redding over heel de aarde meteen gedeeltelijk bewaarheid. De aanwezigen die uit de volkeren komen (met andere woorden: de niet-Joodse mensen die in God geloven) komen tot geloof in Jezus, en het woord over Jezus wordt verspreid in heel de regio. Hierdoor krijgt de lezer de boodschap dat dit ooit alle volkeren en heel de wereld zal bereiken.

K. Touwen, ‘Handelingen van de Apostelen. Gevangene omwille van Christus Jezus’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 20-33

 

Preekvoorbeeld

Als God mensen roept,
zijn ze vaak met heel gewone dingen bezig,
Samuel slaapt bijvoorbeeld als hij een stem hoort.
Amos, de profeet, is bezig zijn vijgenbomen te verzorgen.
Petrus is ook gewoon met zijn dagelijkse visserswerk bezig,
en Mozes hoedt de schapen van zijn schoonvader.

Als Jezus ons iets wil vertellen
over het samenspel tussen God en mensen
gebruikt hij altijd beelden
uit het normale, alledaagse leven.
Dan gaat het over brood bakken,
over zaaien en oogsten,
over vis vangen of – zoals we vandaag hoorden –
over schapen hoeden.
In het oude Israël was veel schrale grond
waar alleen schapen nog hun kostje bij elkaar konden schrapen.
Herders tezamen hun kudde schapen
zag iedere inwoner van Israel dus
dagelijks wel een keer voorbij komen.

Hier in Nederland moet je echt op zoek gaan
naar schaapskooien en herders.
Een herder uit de buurt van Schiedam,
vertelt in een recent kranteninterview:
‘Dat we op een steen zitten
met een strootje tussen onze tanden,
dat klopt echt niet met de realiteit.
Want het is hard werken, hier in de polder.
Hekjes repareren, manke schapen inspecteren,
lopen op ongelijk terrein,
want de schapen grazen daar
waar geen maaimachines kunnen komen.
Schapen hoeden,
dat is een samenspel tussen de hond, de schapen en jezelf,
alles afgestemd op duidelijke commando’s.’

Als de honden en de schapen niet zouden luisteren,
zouden de individuele schapen
gaan dwalen en niet meer weten
waar hun schaapskooi te vinden was.

In de eerste decennia na de dood van Jezus,
waarin het christendom groeit,
is er onenigheid tussen de schapen,
die afkomstig zijn uit verschillende groepen:
christenen afkomstig uit de Joden,
of heidenen,
christenen bekeerd door Petrus,
of juist door Paulus.
Het was maar lastig voor alle schapen
om zich tot de ene kudde van Jezus te rekenen,
om zich echt helemaal thuis te voelen in een schaapskooi,
de schaapskooi van God zijn Vader.

Christenen, toen en nu,
moeten het vaak nog leren,
dat er maar één ding belangrijk is:
niet tot welke ‘bloedgroep’ je behoort
of bij welke parochie je oorspronkelijk behoorde,
maar of je wel goed bent afgestemd op Jezus.

Jezus heeft het over mensen die
zijn stem horen,
zijn stem herkennen,
en naar zijn stem luisteren.
Jezus heeft het hier over ons,
gewone mensen,
gepensioneerd of scholier,
leerkracht of verpleegkundige,
administratief medewerker of stratenmaker
webdesigner of werkzaam in detailhandel.
En of wij – gewone mensen, met gewone beroepen –
Jezus’ stem wel horen, herkennen en ernaar luisteren.

Om dit mogelijk te maken,
de stem van Jezus horen
in ons alledaagse leven,
moet je wel iets doen.
Je moet je als eerste willen afstemmen.
Dat betekent concreet dat je
dagelijks tijd, zeg een kwartiertje,
vrij moet maken voor God.

Want het kost wel enige inspanning om die stem te horen.
Er is afzondering voor nodig, stilte,
en vooral de bereidheid om te luisteren.
Het is het makkelijkst om er een vast tijdstip voor te kiezen
voor dit kwartiertje voor God, dit moment waarop je bidt.
Bijvoorbeeld aansluitend als je de kinderen naar bed hebt gebracht,
tijdens je lunchpauze, in de trein op weg naar je werk,
’s ochtends vroeg als iedereen nog slaapt, of na het acht-uur-journaal.
Kortom, kies een vast moment om te bidden,
een moment waarop het jou het beste uitkomt.

Begin met een kruisteken en vraag God om hulp.
Maak het stil in jezelf.
Dat lukt makkelijker als je jezelf voorstelt
op een plek in de natuur, te midden van Gods schepping
waar je je fijn voelt,
bijvoorbeeld aan het strand, op een bankje in het park,
op een berg met een mooi uitzicht,
of – om in het beeld van vandaag te blijven –
op een grote stille heide...

Als je daar in je gedachten echt bent
probeer je stil te worden.
Keer je in jezelf
en kom dan met je ademhaling
steeds dichter bij die plek
waar God in ons woont.
Want God woont echt in ieder mens,
diep verborgen.
Ook in jou!

Je zult allerlei stemmen horen
die je aandacht vragen.
De ene stem zegt:
‘Laat eerst maar eens zien dat je goed mens bent!’
Een andere zegt: ‘Eigenlijk moest je je schamen.’
Een derde zegt: ‘In wezen geeft niemand om je.’
Weer een andere stem zegt: ‘Je moet succesvol en sterk worden.’
Maar tussen al die luidruchtige stemmen
is er ook eentje te horen die heel zacht is.
Dat is het kenmerk van de stem van God in jou,
je herkent hem omdat hij zacht,
maar onophoudelijk klinkt.
(Henri Nouwen, Brood voor onderweg, 13 januari: ‘De stem van de liefde’)

En als je hem ontdekt heb, dan kan je er naar luisteren.
Die stem zegt eigenlijk maar één ding:
‘Je bent me lief, ik houd van je,
precies zoals je bent.’

En echt: als je er vaak naar luistert
naar deze stem,
dan groeit je vertrouwen
in God en zijn liefde.
Die ook naar jou wil luisteren :
naar alles wat je bezig houdt
of je zorgen baart.
Naar alles waar je verdrietig of boos over bent
of waar je dankbaar voor bent.

Blijf het proberen,
om zo je moment met God in te vullen.
Als het niet goed lukt,
vul het moment dan
met het zingen van een lied,
het bidden van het Onze Vader
lees een klein stukje uit de Bijbel,
pak een boek met een dagelijkse meditatietekst.
Of bid de psalm van de dag.

Vandaag is dat Psalm 100,
die verwoordt
wat er gebeurt met iemand
die – deel uitmakend van Gods kudde –
Gods stem hoort, de stem herkent en er naar luistert:

‘Schalt het uit voor de Ene,
heel de aarde
dient de Ene met vreugde
komt voor zijn aanschijn met gejubel!

Weet, de Ene
hij is God, hij heeft ons gemaakt
en niet wij onszelf
zijn gemeente, de kudde die hij weidt!

Komt in zijn poorten met een danklied
komt in zijn voorhoven met een psalm
brengt dank aan hem,
zegent zijn naam!

Want goed is de Ene
voor eeuwig zijn vriendschap
van geslacht op geslacht
is daar zijn trouw!’

(Naardense Bijbel)

 

inleiding dr. Ine Van Den Eynde
preekvoorbeeld drs. Ellie Keller-Hoonhout

webdesign: Artis