11 maart 2018
Vierde zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: 2 Kron. 36,14-16.19-23; Ps. 137; Ef. 2,4-10; Joh. 3,14-21(B-jaar)

 

Inleiding

2 Kronieken 36,14-16.19-23
Deze lezing uit 2 Kronieken (met of zonder de verzen 17-18), geeft op grote, internationaal politieke schaal een dynamiek weer die in kleinere vorm ook in de lezing uit Efeziërs en Johannes voorkomt, zij het op de schaal van de groep (Ef.) en de persoon (Joh.): de ellende die mensen, groepen van mensen of zelfs hele volkeren veroorzaken leidt tot ondergang, waaruit God, ondanks de mensen zelf, toch verlossing brengt en afziet van wraak, of zelfs maar van het laten gelden van het recht van de (politiek) sterkste – in dit geval de koning van de Chaldeeën, waarbij voor de Kronist als een paal boven water staat dat deze ook alleen van de heer de macht over Israël gekregen heeft (v. 17). In deze oudtestamentische lezing komen motieven voor die de hele Bijbel door een rol spelen, zoals het afwijzen van Gods gezanten (v. 15, zie daar ook het motief van Gods niet aflatende erbarmen). Pas een politieke omwenteling: het rijk van de Chaldeeën wordt afgelost door dat van de Perzen, brengt lucht voor het volk Israël: God geeft Kores in om het volk terug te laten keren en zelfs een tempel voor hun God te bouwen.
Het verhaal kan gelezen worden als een ‘boontje komt om zijn loontje’-verhaal of een verhaal over Gods barmhartigheid, die toch maar weer zo goed is om het volk Israël naar huis te laten gaan. Dieper gaat een interpretatie die het als een tekst ziet die de machteloosheid van menselijk onrecht en menselijke macht beschrijft. Alle afgodendienst en alle bespotten van Gods profeten is machteloos ten opzichte van Gods barmhartigheid; alle politieke macht, of het nu Chaldeeën of Perzen zijn, verliest zijn imposante karakter, wanneer God deze machten inzet om heil te bewerken voor zijn volk. Het verhaal biedt zo een gewaagd perspectief op de mens – en een nog gewaagder perspectief op God: de mens is uiteindelijk Gods geliefde mens, wat de mens er zelf ook van mag maken of vinden, en de aarde en wie haar bewonen, hun geschiedenis, is uiteindelijk die van God.

Psalm 137
De exegetische – en vooral: liturgische en homiletische uitdaging van deze psalm bestaat eruit om recht te doen aan de gehele psalm, naast de mooie en geliefde eerste helft, tot en met vers 6, maar ook de harde taal van de laatste drie verzen die een moderne lezer de adem in de keel doet stokken. Verwijzen naar ‘andere tijden en andere zeden’ is een hermeneutische strategie die wellicht aan de vreemdheid van de tekst tegemoet komt, maar niet aan de inhoud ervan. Ook in een oud-oriëntaalse context is dit taal die er mag wezen.
Van groter belang dan de afstand is wellicht de psychologische nabijheid van ervaringen van deportatie en ontheemding, onderdrukking en vervolging. Wie zou in zo’n situatie niet zowel zijn lot beklagen (vv. 1-6) als uitzien naar de dag dat de boosdoeners hun eigen wandaden vergolden worden (v. 8), tot in het extreme ‘gelukkig degene die jouw kinderen grijpt en tegen de rots verplettert.’ De psalm neemt dit soort emoties serieus door ze een stem te geven – ook deze stem van enorme woede heeft een plek in het bijbelse gebed. Tegelijkertijd geldt ook: de psalmist legt het oordeel in Gods hand – en gaat zelf niet over tot de daad, het is een tekst die uit een machteloze situatie ontstaan is. Dat laatste is van groot belang: het legitimeren van machteloze woede is iets heel anders dan het uitvoeren van mateloze wraak. – Wie deze psalm in de sfeer van de Veertigdagentijd christologisch wil lezen, en daarmee betrokken op het lijden van iedere mens, zal zich ook kunnen voorstellen dat het oordeel van God over alle kwaad en dood het oordeel van de verrijzenis is, die de onderdrukte in het licht van de nieuwe schepping stelt. De daden die doden daarentegen laten dader en slachtoffer achter in de duisternis (vgl. de lezingen uit Ef. en Joh.).

Efeziërs 2,4-10
In mooie lange zinnen werkt ‘Paulus’ (volgens de brief de auteur van het geschrift, exegeten twijfelen er sterk aan) de betekenis van de dood en vooral van de verrijzenis van Jezus Christus uit. De pool van de dood wordt gevormd door de overtredingen die de Efeziërs dood maakten (hetzelfde thema komt voor aan het einde van de lezing uit het Johannesvangelie), de tegenpool van het leven is die van de verrijzenis: met Christus Jezus zetelen de gelovigen nu al in de hemelse regionen. Dat mag kosmologisch wat merkwaardig klinken, het geeft een realiteit aan die ook in het Johannesevangelie benoemd wordt (’eeuwig leven’): nu al hebben gelovigen deel aan het leven van, bij en met God. De gelovige is in die zin in de hemel – of de hemel is in die zin op aarde – dat de gelovige in Christus verrezen is uit de dood van zijn overtredingen tot een kwalitatief nieuw leven bij God. Hemels leven is daarmee een aardse realiteit. Het is het aardse leven zoals het zou moeten zijn, vandaar dat er ook verwezen wordt (v. 10) naar schepping, in feite: herschepping.

Uit de omstandigheid dat dit alles ‘om niet’ gebeurt, juist niet door de prestaties van de gelovigen, leidt de auteur nog een ethische aanwijzing af: dit is zo, ‘opdat niemand trots zou zijn’ (of: ‘opdat niemand erover zou kunnen opscheppen’). Genade maakt iedereen gelijk, iedereen heeft het in gelijke mate niet zelf verworven, maar wel hetzelfde gekregen. Is genade de basis van democratie?

Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Johannes 3,14-21
Johannes 3,14-21 is één van de teksten die moeilijk nieuw te horen is vanwege het overbekende vers 16 dat een geheel eigen leven is gaan leiden als slogan of spreuk. Hier staat het in zijn literaire context en die geeft dit mooi klinkende vers meer inhoud. Het ‘geschenk’ van de Zoon is beslissend voor de loop van de wereld en voor het leven van mensen erin. Eigenlijk zouden de verzen 12 en 13 er ook nog bij gelezen moeten worden: daar leidt Jezus zijn woorden in en begint met: ‘Alleen Hij die uit de hemel is neergedaald, is naar de hemel opgestegen: de Mensenzoon’ (v. 13). Daarmee is de beweging ‘omhoog’ waarmee deze evangelielezing lijkt te beginnen: Mozes die de slang omhoog hief in de woestijn, gekoppeld aan een eraan voorafgaande beweging ‘omlaag’: namelijk die van de Mensenzoon die afdaalt om heil te brengen.
De beweging ‘omlaag-omhoog’ is een belangrijke motor achter het verhaal van Jezus’ leven zoals het Johannesevangelie dit vertelt. Het Woord is mens geworden, en wie zich aan deze mens Jezus, Gods presentie op aarde – het licht later in de perikoop is Jezus – toevertrouwt, heeft eeuwig leven. ‘Eeuwig leven’ is een misleidende term: het klinkt kwantitatief, als ‘heel lang leven’, terwijl het in eerste instantie kwalitatief bedoeld is: leven zoals dat van God komt en door God bedoeld is – bevrijd van de macht van de dood, bijvoorbeeld, door op God en diens licht en leven te vertrouwen. Daarom kunnen de verzen 19-21 ook van het oordeel spreken als iets dat tijdens het leven van mensen plaatsvindt: daar voltrekt zich de beslissing voor of tegen het licht – het licht van de schepping (vgl. Joh. 1,5) – en daarmee ook voor of tegen het leven.
De mens die zich in Jezus aan God toevertrouwt, kijkt naar hem aan het kruis, zoals de Israëlieten naar Mozes’ slang op een stok keken: als een teken van heil en verlossing en niet zoals hun omgeving Jezus aan het kruis zag: als een teken van dood en mislukking.

Ten slotte: de verwijzing naar Mozes die de slang omhoog heft in de woestijn, roept het verhaal in Numeri 21 op, waarin Mozes het volk van een slangenplaag redt met behulp van een bronzen slang. De auteur van het Johannesevangelie lijkt deze kennis te veronderstellen en er positieve betekenis aan toe te schrijven. Het is één van de vele redenen om tussen ‘Johannes en jodendom’ niet teveel afstand te zien – en dit al helemaal niet aan te zetten in een preek.

 

Preekvoorbeeld

Het is vandaag een roze zondag: door het purper van de vastentijd schijnt alvast het witte licht van Pasen. Het paars licht op. ‘Halfvasten’ heet deze zondag vanouds, Laetare, ‘Verheugt u’.
De epistellezing zet de toon: overvloed, een en al overvloed! Het komt alles uit God voort: grote liefde, overstelpende rijkdom aan barmhartigheid en genade, goedheid, leven. Ja, zelfs het geloof dat in ons leeft, heeft Hij ons gegeven. De hoop op God, de verwachting van zijn Rijk, het is Gods gave en zijn werk in ons.
Het geloof, de verhouding waarin wij coram Deo onszelf hervinden, is niet onze creatieve prestatie, het is Gods werk. Hij ziet ons aan ‘in Christus Jezus’. Dat ‘in’ is een plaatsbepaling. Het duidt een ruimte aan die God heeft uitgespannen. Hij ziet ons met Christus samen, zowel in onze dood als in zijn verrijzenis. Hij heeft ons met hem doen opstaan. Hij heeft ons ‘in Christus’ een plaats toegedacht in zijn komende Rijk.
Zondag Laetare wil ons het leven tonen als overvloed van God. Ja, je kunt het ook bezien onder het gezichtspunt van schaarste en daar heb je misschien alle reden toe. Maar de vreugde van vandaag wil dat je de overvloed van God tot maatstaf neemt en niet je eigen tekort. Dat je rekent met wat er is en niet met wat er niet is. Want als je eenmaal gaat rekenen naar wat ontbreekt, dan tasten de zorgen zich op in schuren van gebrek.

Er wordt verteld dat onder de Filistijnen een muizenplaag heerste. Het ongedierte vrat de oogst op en verspreidde vreemde ziektes. Een epidemie van gezwellen breidde zich uit onder de vijf steden van Filistea.
Inmiddels was het inzicht in hen ontwaakt dat ze de muizen en gezwellen aan zichzelf te wijten hadden. In een van hun grensoorlogen hadden de Filistijnen de heilige ark van de God van Israël buitgemaakt. Grote triomf, de godheid van de buren geconfisqueerd! Maar die triomf kreeg een staartje.
Hoe raakten ze de muizen ooit weer kwijt? En de gezwellen, voordat die openbarstten en zich zouden uitzaaien. Hoe kwamen ze met goed fatsoen weer van de ark af? En waarmee zouden ze de vijandige godheid kunnen paaien?
De ark werd op transport gesteld, een open wagen met twee koeien ervoor, richting Israël. Naast de heilige ark stond op die kar een kistje met geschenken, genoegdoening, smartengeld. Niet voor het volk Israël dat de ark zolang had moeten missen, maar voor de godheid zelve, als tegemoetkoming voor de oneer hem in den vreemde aangedaan en ter compensatie voor wat hij onderweg te lijden had gehad.
Wat zat er in dat kistje? Vijf gouden muizen en vijf gouden gezwellen, naar het getal van de steden der Filistijnen. De gedachte is deze: iedere godheid heeft zijn specialisme. De god van de waterbron wordt vereerd door helder opspattend water in de bron te gieten. De god van de wijngaard krijgt op de wijnpers de beste wijn van het feest geplengd. Aan de godheid van de totalitaire staat worden kinderoffers gebracht. Ik doe dat niet af als primitief of van lang vervlogen tijden. Kinderoffers aan de oorlogsgod worden tot op de dag van vandaag gebracht. En zie hoe wij offeren aan Mammon, de geldduivel. Nee, het is allemaal juist heel actueel. Wij offeren aan goden om hen gunstig te stemmen.
Hier in Filistea: om de woede te stillen van deze godheid, die kennelijk grossiert in muizen en gezwellen, worden hem gouden muizen en gezwellen gepresenteerd. Het is de godsdienst van de omgekeerde richting: dat mensen aan God doen en hem beschouwen als een corrupte potentaat, die je om hem gunstig te stemmen omkoopt, goud toeschuift, do ut des, voor wat hoort wat (1 Sam. 5–6).

In het evangelie is sprake van een koperen slang: ‘Zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven, opdat ieder die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft.’
Dat verhaal gaat als volgt. Het speelt in de tijd van Israëls omzwervingen in de woestijn. Bij een omleiding worden ze weer teruggestuurd richting Rietzee, waar ze ooit doorheen getrokken waren. Dan barsten ze uit in moedeloos gejammer: ‘Waarom hebt u ons weggehaald uit Egypte?’ verweten ze God en Mozes. ‘Om ons in de woestijn te laten sterven? We hebben geen brood en geen water, en we kunnen dit ellendige eten niet meer zien.’ Het is weer een van die episodes dat ze terugverlangen naar de vleespotten van Egypte. ‘Toen zond de heer vuurspuwende slangen op hen af.’ ‘Vuurspuwend’ wil zeggen: giftig. Velen werden gebeten, velen vonden de dood.
Het volk wendde zich tot Mozes. ‘We hebben gezondigd,’ zeiden ze, ‘want we hebben de heer en u verwijten gemaakt. Bid tot de heer dat hij ons van de slangen verlost.’ Mozes bad voor het volk, en de heer zei tegen hem: ‘Laat een slang maken en bevestig die op een staak. Ieder die gebeten is en daarnaar opkijkt, blijft in leven.’ Mozes liet een koperen slang maken en bevestigde die op een staak. En ieder die door een slang gebeten was en opkeek naar de koperen slang, bleef in leven (Num. 21,4-9).

In het evangelie wordt de verheven Christus aan het kruis vergeleken met de koperen slang op die staak. Het is een verhaal op het randje, want gouden muizen en koperen slangen ontlopen elkaar niet veel. Ze worden ingezet om van een muizenplaag en addergebroed af te komen.
Boven mijn bureau hangt een bronzen corpus aan een gebeitst plankje. Wat moet ik daar dan van denken? Waar heeft dat crucifix mij inmiddels al voor behoed? Welk onheil afgewend? Het evangelie heeft naast dat bronzen corpus een koperen slang hangen, op de achtergrond weten wij inmiddels van gouden muizen. Hoeveel verder kun je gaan over het glibberige pad van magie en bijgeloof?
Wie brengt ons weer bij zinnen. Wie roept ons terug? Waar klinkt de tegenstem?

Het verhaal van die koperen slang is een etiologie, dat wil zeggen: een ontstaansgeschiedenis, een oorsprongsverhaal. Het vertelt over de herkomst van Nechustan (nachasj betekent zowel ‘koper’ als ‘slang’), een totempaal met die koperen slang erop die vanouds in de tempel van Jeruzalem met wierook werd vereerd.
Maar die Nechustan was niet onweersproken. Koning Hizkia voerde rond 700 voor Christus een tempelreformatie door en sloeg hem aan stukken. Letterlijk staat er: ‘Hij deed wat de heer behaagt … hij sloeg de koperen slang stuk die Mozes had gemaakt.’
Let wel: Mozes had hem gemaakt, op goddelijke ingeving, maar nu behaagt het de heer hem aan barrels te slaan. Kennelijk was de verering van Nechustan een eigen leven gaan leiden en was het beeld dat Mozes had gemaakt een afgod geworden (2 Kon. 18,1-4).

Het evangelie beschouwt de verheven Christus aan het kruis dus als een teken van heil en genezing, een esculaap. Maar diezelfde Christus aan het kruis kan zomaar verworden tot fetisj, een afgodsbeeld waar de Beeldenstorm overheen moet. Koning Hizkia gaat hem met een bijl te lijf.

Mijn crucifix, met buxustakje en al, is mij tot heil, sterkt mij in het geloof, is een richtpunt van mijn devotie. Maar alle devotie kan kennelijk ontaarden in superstitie, heresie, bijgeloof.       

In de joodse traditie wordt het woestijnverhaal van Mozes met de koperen slang met argusogen gelezen. Het vraagt om een hermeneutiek van argwaan. Vanwege die bedenkelijke Nechustan is het een ambigue tekst.
Het boek der Wijsheid (16,7) verduidelijkt: ‘Wie zich naar dat teken wendde, werd niet gered door wat hij zag, maar werd gered door U, de enige Redder.’ De koperen slang is een teken, je kijkt ernaar, maar ondertussen is er een ‘U’ die jou in het oog houdt, naar jou kijkt, jouw nood ziet, jou redt. Het gaat alles van hem uit: grote liefde, overstelpende rijkdom aan barmhartigheid en genade, goedheid, redding, leven.
Rabbi Sjlomo ben Jitschak, beter bekend als Rasji, verklaart: ‘Wanneer de Israëlieten naar boven, dat is naar God, zagen en hun hárt onderwierpen aan hun Vader, die in de hemel is, dan genazen ze’. Kortom, niet wat het blote oog aan die koperen slang aflas is Israël tot heil en genezing geweest, maar wie achter die koperen slang ten hemel schouwde, die werd gered. Niet de gerichtheid van het oog maar de gerichtheid van het hart maakt verschil. Targum Jerusjalmi I parafraseert: ‘Wie zijn ogen richt op de koperen slang en zijn hárt wendt tot het woord van de Heer, zal in leven blijven.’

Waar zal ons hart op gericht zijn? Ik lees die joodse commentaren zo, dat ze ons voorhouden: richt je hart niet op de Aangeroepene, hoe je hem aanroept, maar op zíjn roep, zijn stem, hoe Hij zich tot jou wendt. Niet op onze projecties, maar op wat van Hém uitgaat. Niet op de beelden die wij van Hem maken, maar op zijn Woord en Wet. Niet op waar wij Hem voor nodig hebben, maar op wat Hij van ons verlangt. ‘Wie zijn ogen richt op de koperen slang en zijn hart wendt tot het Wóórd van de Heer, zal in leven blijven.’ Of nogmaals het boek Wijsheid: die hele koperen slang was slechts ‘een teken van hun redding om hen te herinneren aan wat uw Wet gebiedt’ (16,6).
Het komt erop aan dat wij die wending van ons gebed naar zijn gebod meemaken. Een ommekeer van ons verlangen naar zijn verlangen, van onze schaarste en het menselijk tekort, naar de overvloed waarmee Hij ons overstelpt.

‘Zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven, opdat ieder die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft.’
Merk op dat hier van ‘ogen’, ‘omhoog zien’, ‘opkijken’ in het geheel geen sprake is. De verhoogde Mensenzoon is niet om naar op te kijken, maar om te geloven. Onze verhouding met hem is dat wij ons hart ophalen aan zijn woord, zijn wet, zijn wil. Zijn verhoging is geen sokkel, zodat wij hem beter zien. Zijn verhoging is zijn kruisiging, zijn verrijzenis, zijn hemelvaart, zitting nemend ter rechterhand Gods, zijn koningschap.
In het evangelie is Híj het die ons aanspreekt. De verwijzing naar de koperen slang klinkt uit zíjn mond, in de directe rede. Hij spreekt van zichzelf: ‘Zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven, opdat ieder die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft.’
Die beweging van vernedering en verheffing, neergedaald en hoog verheven, kan alleen maar betekenen dat Hij, Christus, zich diep in onze slangenkuil heeft neergegeven, dat hij is gebeten en bespuwd, dat – al het venijn op hem gericht – Hij onze dood is gestorven. En dat God hem uit het graf heeft teruggevorderd en verhoogd. 

Je kunt je neus ophalen voor gouden muizen, koperen slangen, bronzen crucifixen, neerkijken op primitieve cultussymbolen die wij inmiddels ver achter ons hebben gelaten. Wij spiritualisten, die niet meer met onze beide ogen maar enkel met ons hart geloven. Wij die de tastbare devotie ontstegen zijn en ons ten langen leste tevreden stellen met een wereld van enkel woorden en verwijzingen.
Onze cultuur minacht de cultus, heeft de neiging het geloof cerebraal te maken, zonder dat het lichaam meedoet. Of intellectueel, zonder twee vingers gedoopt in het wijwaterbakje, zonder iconen om te kussen, zonder Maria en alle heiligen voor wie je een kaarsje ontsteekt, zonder diepe buiging naar het altaar, zonder sacrament, zonder crucifix.

Vandaag op zondag Laetare, ‘Verheugt u’, is het Christus zelf die ons aanspreekt. Hij spreekt van geloof en eeuwig leven. Hij regeert vanaf het kruis en wij delen in zijn verhoging. ‘Zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven, opdat ieder die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft.’
‘In Hem.’ ‘In Christus Jezus’. Dat alle tekenen van het geloof ons bij Hem bewaren! Dat alle rek en strekoefeningen van het geloof, ons lichaam en onze geest beweeglijk en soepel houden, en ontvankelijk voor alles wat ons van Hem overkomt: grote liefde, overstelpende rijkdom aan barmhartigheid en genade, goedheid, eeuwig leven.

Van dichterbij bezien: er hing er wat stof op mijn crucifix met het bronzen corpus. Ik heb het schoongeblazen en met een roze stofdoek opgepoetst.

 

inleiding prof. dr. Peter-Ben Smit
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

 

webdesign: Artis