11 februari 2018
Zesde zondag door het jaar

Lezingen: Lev. 13.1-2.44-46; Ps. 32; 1 Kor. 10,31–11,1; Mar. 1,40-45 (B-jaar)

 

Inleiding

Leviticus 13 – Het onmogelijke mogelijk
‘Degene die aan een huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen, zijn haren los laten hangen; hij moet zijn baard bedekken en roepen: onrein, onrein !’ (Lev. 13,45)
Om deze tekst een klein beetje te begrijpen moeten we eerst bepaalde dingen vaststellen. Bijvoorbeeld dat onrein niet hetzelfde is als ‘vies’. Rein is wat voor de eredienst geschikt is. Onrein wat niet daarvoor geschikt is. Heel merkwaardig is het te zien dat de heilige handelingen zelf in het heiligdom een priester ‘onrein’ maken. Hij moet zich dan weer ‘reinigen’, andere kleren aantrekken om het heiligdom een tweede keer binnen te gaan. Datzelfde geldt bij het aanraken van de heilige boeken. Daardoor wordt men ‘onrein’.
Om mensen of voorwerpen rein te laten worden, moeten er bepaalde maatregelen worden getroffen. Wassingen bijvoorbeeld. Het onderhouden van de reinheidswetgeving werd tot een voortdurende geloofsbelijdenis metterdaad van de ene ware God. Men kan echt spreken van een invoelend pastoraat avant la lettre.

Een ‘hopeloze’ situatie?
Rond een van de ernstigste ziekten, de melaatsheid, kan heel wat ter sprake komen. Het talmoedische jodendom kent een hele ruime interpretatie van het begrip ‘melaats’. Het wordt zeer pejoratief gebruikt om de bedreigende machten rond Israël (Babel, Griekenland, Rome) aan te duiden. Melaatsheid had iets te maken met een definitief verworpen zijn. De ziekte was in die dagen zo ongeneeslijk dat alleen God geacht werd de genezing daarvan teweeg te kunnen brengen (net zoals hij alleen de doden kan doen opstaan). Des te merkwaardiger is het dat een heel hoofdstuk van het boek Leviticus gewijd wordt aan het ritueel dat moet worden toegepast wanneer een ongeneeslijk zieke toch beter wordt.

Toch weer beter
Het is jammer dat de coupure uit Leviticus van vandaag het happy end zoals dat in hoofdstuk 14 beschreven wordt, niet noemt. Het lijkt wel of het Eerste Testament alleen maar somberheid mag aandragen… In de bespreking van de genezen situatie is sprake van een visioen van een toekomst waarin alles nieuw zal zijn. Een profetie! Als er ooit sprake zou zijn van een genezing, moeten werkelijk alle priesters in beweging komen om deze grote daad van God te proclameren. Stellen we ons eens voor, dat de tijd is aangebroken om alle kankerpatiënten publiekelijk genezen te verklaren: het zou betekenen dat de tijd is aangebroken, waarin alles werkelijk nieuw zal zijn.

Een verhaal ter aanvulling
Een belangrijk reinigingsverhaal kennen we uit het tweede boek Koningen (2 Kon. 5,1-14). De koning van Israël roept, wanneer de legeroverste Naäman een beroep op hem doet om zijn genezing te verzorgen, wanhopig uit: ‘Ben ik God die kan doden en levend maken’ (v. 7). De profeet Elisa biedt redding in de nood door zich met het geval te bemoeien en een bad in de rivier de Jordaan voor te stellen. De Jordaan mag dan een minne rivier zijn in de ogen van Naäman, het is een rivier met een ‘theologische meerwaarde’. Het is de grensrivier van het nieuwe land waar eens het weerloze volk Israël door getrokken was met de God van Abraham, Isaak en Jakob als verlosser een nieuwe toekomst tegemoet. Die God is de enige die (ook niet-joden) echt helpen kan. Een idee om dit verhaal vandaag als tweede lezing te laten horen?

1 Korintiërs 10
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Marcus 1 – Wie is er melaats?
De genezing van de melaatse (zoals vermeld in Mar. 1,40-45) is een belangrijke gebeurtenis die een eerste cyclus verhalen over Jezus in Galilea afsluit. Opvallend is het ontbreken van namen. De melaatse blijft volstrekt anoniem en ook de naam van Jezus zoekt men tevergeefs. De beide hoofdrolspelers worden alleen maar aangeduid als ‘hij’ en ‘hem’ (het Grieks kent ook geen hoofdletters om ons duidelijk te maken wie wie is). Aan het slot van de perikoop raakt de lezer zelfs in verwarring. Wie van de beide hoofdrolspelers verkondigt en wie blijft buiten op een eenzame plaats staan (v. 45)? Beiden zijn ze eenzaam. In de voorafgaande genezingsverhalen zijn er altijd familieleden of vrienden die de zieke bij Jezus brengen. Zeer kort en krachtig maar met veel uitdrukkingen die op de gemoedstoestand van de melaatse en Jezus wijzen, wordt dit dramatische gebeuren vermeld. Misschien om onze aandacht te richten op de eigenaardige rolverwisseling die optreedt! De aanraking van deze onreine heeft de melaatse zelf rein gemaakt. Maar Jezus niet! Die is onrein geworden. De ex-melaatse wordt in Jezus’ plaats verkondiger, hij kan niet zwijgen. Jezus zelf echter trekt zich na de genezing terug naar een eenzame plaats.

 

Preekvoorbeeld

De eerste lezing van vandaag ademt angst. Angst voor het onbekende en onberekenbare van wat men hield voor een besmettelijke en dodelijke ziekte, die op melaatsheid moet hebben geleken. In ieder geval een huidziekte. Zo'n ziekte die je treft in het meest kwetsbare dat je hebt, je uiterlijk, je buitenkant, datgene waarmee je het eerste contact naar anderen toe maakt. Datgene ook waarop wij elkaar zo makkelijk, te makkelijk, beoordelen. Huidziekten worden tot op de dag van vandaag als heel discriminerend ervaren, omdat wie er aan lijdt zich al gauw voor anderen gaat schamen. Je komt niet graag voor de dag met je geschonden gezicht of een andere zieke plek op je lichaam. Je voelt je er immers afstotend door, vies, onrein.
Alsof dit nog niet genoeg is moet wie aan zo’n ziekte lijdt zich naar bijbels voorschrift met veel lawaai kenbaar maken en op die manier laten weten dat hij of zij aan die vreselijke ziekte lijdt en dus gemeden moet worden. Wist men veel waar men die ziekte van kreeg! Oppassen dus, want je weet maar nooit!
Dit heeft nog lang geduurd en doorgewerkt. In de Middeleeuwen werden degenen bij wie melaatsheid was geconstateerd nog één keer naar de kerk gebracht. Daar werd de dodenmis voor hen gelezen en ze werden bestrooid met aarde, net zoals de kist op het kerkhof. En zo, als een dode overgelaten aan Gods barmhartigheid, moesten de melaatsen verder maar hun weg zien te vinden, afgesneden van de mensen, afgesneden van de kerk.

Zo erg maken wij het vandaag de dag niet meer, ook al omdat wij meer weten van hoe ziekten worden overgedragen. Wij hoeven niet zo bang meer te zijn voor elkaar. Maar wij moeten nu ook weer niet te gemakkelijk en met verontwaardiging ons hoofd schudden over zulke praktijken. Want vreemd zijn ze ons ook niet.
Misschien herinneren ouderen onder ons zich nog hoe het ging in de eerste jaren dat wij kennis maakten met de ziekte aids. Ook zo’n ongrijpbare ziekte met, zeker in het begin, een griezelig besmettingsgevaar. De meest wilde verhalen deden de ronde: als je een aidspatiënt een hand gaf zou je de ziekte al kunnen oplopen, en je moest er al helemaal niet aan denken dat je kind les kreeg van iemand die aan deze ziekte leed!
We weten inmiddels gelukkig wel beter en wij gaan daarom ook heel anders met hiv-geïnfecteerden om. Ze kunnen deel blijven uitmaken van ons leven met elkaar. Maar deze ziekte heeft ons er weer eens mee geconfronteerd hoe bang wij zijn voor mensen die met de dood in de schoenen lopen. Nog steeds is het moeilijk om over kanker te praten, en u moet het patiënten die door deze ziekte getekend zijn maar eens vragen hoe zij zich voelen als zij zich onder de mensen begeven. Over de stiltes die vallen, het wegkijken. Ik maak me sterk dat dit ook gebeurt omdat wij allemaal besprongen worden door de angst dat het ons ook kan gebeuren; dat ook wij te horen kunnen krijgen dat de dood ons op de hielen zit door een vreselijke, misschien wel onbekende ziekte.

Het is niet vreemd dat wij bang zijn voor besmettelijke en dodelijke ziekten. Het is ook geen zonde. Eigenlijk is die angst heel gewoon, want wij hangen aan het leven; het is ons lief. Te lief om het te laten bedreigen door onbekende gevaren en ziekten waar wij geen vat op hebben. Het heeft geen zin om ons vandaag schuldig te voelen als wij zelf bang zijn en ons bedreigd voelen in het bijzijn van mensen die ons met onze eindigheid confronteren omdat zij met de dood in de schoenen lopen.
Wat veel meer zin heeft is het stellen van de vraag: Hoe gaan wij met angst om? Op zo’n manier dat die door de dood getekende mensen nog meer slachtoffer worden dan ze al zijn, omdat wij niet meer met hen kunnen of willen leven? Op zo’n manier dat het onze enige zorg is hoe wijzelf of mensen die ons na staan ervan verschoond en niet besmet raken?

Wat heeft Jezus met zijn angst voor de melaatsheid gedaan? Een vreemde vraag misschien, maar Jezus was ook een kind van zijn tijd. Hij heeft van de melaatsen die hij tegenkwam net zo gewalgd als ieder ander toen. Walging, dat weeë gevoel in maag en buik, is tenslotte een spontane reactie van het lichaam. Daar doe je niks aan. Ook Jezus dus niet. Als ieder ander heeft hij voor deze ziekte ontzag gehad. Wij hoorden hoe hij door medelijden werd bewogen. Wij hadden beter kunnen horen dat hij gespannen was, boos bijna, want dat staat er eigenlijk.
Jezus is boos dat een mens slachtoffer moet worden van een onberekenbare en meedogenloze ziekte, en hij is zenuwachtig, want nog nooit is hij zo geconfronteerd met het boze als in deze ontmoeting met een mens die door de afschuwelijke ziekte van melaatsheid is getroffen. Maar Jezus blijft niet in zijn boosheid en gespannenheid vastzitten. Hij laat zich daaruit wegroepen door het appel dat op hem wordt gedaan: ‘Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen!’ En dan kan Jezus ook wat van hem wordt gevraagd. Hij overstijgt de onmacht en de angst die zelfs in de wetten van zijn volk waren vastgelegd, zoals wij in de eerste lezing hoorden. En dan geneest hij de zieke van zijn lichamelijke en zijn maatschappelijke onreinheid. Hij raakt de man aan, maakt contact met hem, een verstotene, en neemt hem weer op in de geloofsgemeenschap: Ga je laten zien aan de priesters en breng de voorgeschreven offers. Dan hoor je er weer helemaal bij, betekent dit, dan leef je weer.

‘Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.’ Deze roep klinkt nog steeds in ons eigen midden. Het wordt geroepen door hiv-geïnfecteerden, door kankerpatiënten, verslaafden, die toch ook slachtoffer zijn van een haast ongrijpbare epidemie. Door mensen kortom, die niet alleen door lichamelijke kwalen onrein geworden zijn, niet om aan te zien soms, maar ook in hun sociale leven. Wat zou het goed zijn als wij onze angst voor hun ziekten en kwalen zouden kunnen overwinnen, want wij kunnen wat zij vragen; wij kunnen hen reinigen, als wij dat willen. Neen, wij zullen hun niet altijd de reinheid van de genezing kunnen geven, maar wel de reinheid van dat zij bij ons kunnen blijven horen en op die manier het leven houden.
Wij kunnen dit, als wij angst niet onze raadgever laten zijn. Nogmaals, wij hoeven die niet te ontkennen, en wij moeten die zeker niet in een voorgewende flinkheid overschreeuwen. Wij hoeven ons er zelfs niet voor te schamen, maar wij moeten ons er vooral niet door laten raden, door die angst. Mensen die door welke ziekte dan ook met de dood in de schoenen lopen zijn niet gebaat bij onze angst, want daardoor raken zij nog meer geïsoleerd. Alleen door met hen te maken willen hebben, scheppen wij in onszelf een ruimte waarin zulke lichamelijk onreinen mogen wonen en waarin wij hun kunnen zeggen: Wij willen dat jullie rein worden; wij willen dat jullie bij ons blijven en in ons midden een plek vinden. Wij willen niet dat jullie levende doden zijn. Wij willen dat jullie leven, ook al lopen jullie met de dood in de schoenen.
Melaatsheid gaat hier niet van over, kanker, hiv of verslaving evenmin. Maar wie daaraan lijden worden tenminste niet doder gemaakt dan ze al zijn – en kunnen het leven dat hun gelaten is tenminste leven. Deze reinheid hebben wij toch maar te bieden, áls wij willen.

 

inleiding Hein-Jan van Ogtrop
preekvoorbeeld dr. Jan van den Eijnden ofm

webdesign: Artis