11 november 2018
Tweeëndertigste zondag door het jaar

Lezingen: 1 Kon. 17,10-16; Ps. 146; Heb. 9,24-28; Mar. 12,38(41)-44 (B-jaar)

 

Inleiding

Vooraf
De lezingen van deze zondag hebben als verbindend element het woord ‘(arme) weduwe’.
Een weduwe was destijds, zowel in de tijd van het Oude Testament als ten tijde van Jezus, vaak zeer kwetsbaar door haar armoede en door haar geringe sociale status. Hoewel ze bijna altijd duidelijk herkenbaar was aan haar kleding bleven haar ellende en miserabele omstandigheden meestal verborgen voor de samenleving.
           Overigens moet men bij ‘weduwe’ in de Bijbel meestal, maar zeker in de lezingen van deze zondag, niet exclusief aan een weduwe denken. Men mag bij dit woord ook denken aan anderen die kwetsbaar zijn in de gemeenschap of samenleving, zoals wezen, vreemdelingen en slaven.

1 Koningen 17,10-16
Het optreden van de profeet Elia, dat in deze lezing ter sprake komt, vond plaats in de tijd van koning Achab, de koning van het Noordrijk Israël (871-852 vChr.). Hij deed kwaad in de ogen van de Heer, meer dan allen die voor hem waren geweest (1 Kon. 16,29-34). Hij liet de Baälsdienst toe of bevorderde die zelfs. In 1 Koningen 17,1 komt dan onverwacht Elia op het toneel. Hij presenteert zich aan Achab als de Tisbiet die in dienst staat van de God van Israël, en hij kondigt een grote droogte aan, die pas zal ophouden als hij het zegt. Door die droogte zal er een grote hongersnood ontstaan. Daarna volgt een eerste wonderverhaal over Elia die, geleid door het woord van JHWH, door raven van voedsel wordt voorzien (1 Kon. 17,2-7). Een tweede wonderverhaal, onze perikoop, over Elia en de weduwe van Sarefat en haar kind (1 Kon. 17,8-16), wordt gevolgd door een derde over het tot leven wekken van de zoon van de weduwe van Sarefat (1 Kon. 17,17-24). Het vormt een climax in deze drie verhalen. In dit laatste verhaal zegt de weduwe tegen Elia als een soort geloofsbelijdenis: Nu weet ik zeker dat u een man Gods bent en dat JHWH werkelijk door uw mond spreekt (1 Kon. 17, 24).
           Wat onze perikoop betreft is het om een aantal redenen onbegrijpelijk en een gemis, dat men bij het afbakenen van deze tekst de verzen 17,8v niet heeft meegenomen. ‘Het woord van JHWH’ in de verzen 8 en 16 omkadert de lezing. Sterker nog: het bepaalt feitelijk de tekst.
           Door het achterwege laten van deze twee verzen ontbreekt een deel van de compacte tekst waarin de gehoorzaamheid van Elia jegens God duidelijk tot uitdrukking komt: Sta op en ga naar Sarefat, vers 9a, en: Hij stond op en ging naar Sarefat, vers 10a. Dat Elia gehoorzaam is en gehoor geeft aan het woord van God kan niet compacter en niet directer verwoord worden.
           Bovendien wordt met deze twee verzen duidelijk, dat Elia namens God naar de weduwe moest gaan en dat hij niet eigener beweging ging, zoals de perikoop lijkt te suggereren wanneer die pas met vers 10 begint. God blijkt de sturende kracht.
           De profeet Elia gaat dus door Gods woord naar Sarefat, een Fenicische stad in het koninkrijk Sidon, even onder de stad Sidon, richting Tyrus. God stuurt Elia daarheen om veilig te zijn voor koning Achab. God heeft daar een weduwe opdracht gegeven voor Elia te zorgen met onderdak en voedsel, vers 9. Bij de stadspoort is er een eerste ontmoeting tussen Elia en de voor hem nog onbekende, maar door haar kleding herkenbare weduwe. Op zijn vraag aan de weduwe om voor hem water te halen geeft ze meteen gehoor. Wanneer ze nog maar nauwelijks vertrokken is vraagt Elia haar bovendien, dat zij ook een stuk brood voor hem moet halen. Dat is voor de weduwe een onmogelijke opgave, waarop ze Elia eerlijk van repliek dient en hem duidelijk maakt hoe groot de hongersnood is. Ze heeft slechts wat meel, wat olie en een paar stuks hout, eigenlijk niet eens genoeg om één kleine maaltijd te bereiden voor haar en haar kind. De maaltijd zal een galgenmaal worden. Want daarna zullen zij en haar kind alsnog van de honger omkomen.
           Dan spreekt Elia haar toe, beginnend met de woorden: Vrees niet. Om er vervolgens aan toe te voegen, dat ze beslist naar haar idee moet handelen maar eerst aan Elia moet geven, waar hij om vraagt. Hij beargumenteert het met het woord of beter de toezegging van de Heer, de God van Israël: de pot met meel zal niet ophouden meel te geven en evenmin zal de oliekruik uitgeput raken, totdat de Heer het zal laten regenen. Daarop handelt de weduwe naar het woord van Elia. En inderdaad konden Elia en zij en haar huis eten, gedurende vele dagen. Want het meel en de olie raakten niet op, zoals de Heer gezegd had door tussenkomst van Elia. De hongersnood die er heerste in het huis van de weduwe verkeerde in overvloed. Terwijl zij en haar kind eerst op sterven na dood waren kon ze nu door haar vertrouwen in Elia, en dus in God, iedereen van brood voorzien.
           Zo blijkt het in de hele perikoop om het woord ‘vertrouwen’ te gaan. Vertrouwen op het woord van jhwh, dat door de profeet tot de weduwe gesproken wordt. De heidense weduwe in Sarefat, die de God van Israël niet kende en niet wist wie Elia was, wordt door zijn woord bemoedigd en handelt vol vertrouwen. Eigenlijk kan ook het centrale woord van Elia Vrees niet (v. 13) positief geformuleerd worden met ‘Heb vertrouwen’ in het woord van JHWH. Dit woord van God dat zoveel vertrouwen oproept en zoveel vermag, staat in schril contrast met de slaafse godsdienst van de Baäls.
           Het woord van Elia: Vrees niet, heb vertrouwen in het woord van JHWH, zegt de profeet ook tot ons, hedendaagse gelovigen.

Marcus 12,38(41)-44
De evangelielezing van deze zondag bestaat uit twee tekstfragmenten van een lange onderrichting van Jezus (Mar. 12,1-44) in Jeruzalem, kort voor zijn lijden.
           In het eerste fragment, de verzen 38-40, vervolgt Jezus zijn onderricht in de tempel; zie Marcus 12,35. Hij spreekt tot de schare over de Schriftgeleerden. Waar Jezus in de vorige verzen 35-37 nog met hen in discussie leek te gaan richt hij nu een harde waarschuwing aan hun adres. In een paar zinnen schetst Jezus zeer beeldend hun afkeurenswaardige optreden. Ze houden ervan in mooie gewaden rond te lopen en in het openbaar, op de marktpleinen, te groeten en begroet te worden; op de voorste plaatsen in de synagoge te zitten en op de voorste rijen aan te liggen bij de maaltijden. Dit alles om hun aanzien te etaleren. Dan volgt de eigenlijke aanklacht: ze eten de huizen van de weduwen op en spreken slechts lange gebeden uit voor de schijn. Let in de verzen 39ab en 40ab op de mooie zinsconstructie waarmee Jezus, met behulp van een spiegelbeeld (chiasme): ‘synagoge’ – ‘maaltijden’ en ‘opeten’ – ‘lange gebeden’, het aanzien van het zitten op de voorste rijen verandert in een beschuldiging van misdaad en misleiding.
           Na de aanklacht volgt in vers 40c de veroordeling door Jezus: een strenger oordeel is er voor hen weggelegd. Strenger omdat de Schriftgeleerden beter zouden moeten weten als het gaat om het ‘leven naar de Schrift’.
           Men kan en moet zich afvragen of Jezus zich hier tegen alle Schriftgeleerden richt of slechts tegen hen die niet naar de Schrift leven. Jezus ontmaskert in ieder geval in deze verzen het uiterlijke vertoon van hun handelen als schone schijn, waarachter eenvoudigweg misdaad schuilgaat: het recht van zwakken en minderbedeelden wordt getreden. Op deze wijze verzet Jezus zich, geheel in overeenstemming met de Joodse traditie van de grote profeten zoals Jeremia en Jesaja, tegen de misstanden in de tempel en de cultus.
           In het tweede fragment van de perikoop, de verzen 41-44, gaat Jezus in op het verschil tussen het handelen van de rijken en welgestelden en dat van de armen, gezien in het licht van het Rijk Gods en de komst van de Messias.
           Nog steeds in de tempel gezeten, ziet Jezus een grote groep rijken royaal offeren. En hij ziet ook een weduwe slechts één offermuntje schenken. Dan onderricht Jezus speciaal zijn leerlingen over het verschil tussen beide vormen van offeren. De rijken offeren van hun overvloed en geven nauwelijks iets van zichzelf. Eigenlijk raakt het hen niet eens wat ze geven. Mogelijk speelt hier ook mee dat ze gezien willen worden.
           De weduwe daarentegen offert met haar ene penning alles wat ze heeft voor haar levensonderhoud. Ze geeft niet om gezien te worden, maar ze geeft uit geloof, of beter: in vertrouwen. Er staat hier niets over een beloning in het Koninkrijk Gods. Haar offer is puur en alleen bedoeld voor de andere armen. Ze hoeft er niets voor terug te krijgen. Hierdoor weegt de aalmoes van deze ene weduwe met haar penning op tegen het vele muntgeld van de groep rijken tezamen. Haar offer is zelfs meer waard.

Beide tekstfragmenten, zowel de aanklacht tegen schone schijn als het offer van de weduwe, beogen duidelijk te maken, dat het in het Koninkrijk Gods, naast de aandacht voor het recht van de zwakken, om de juiste intentie gaat waarmee men handelt. De schone schijn (misdaad verhullend) wordt direct afgewezen. Eveneens het royaal offeren wanneer men dat gemakkelijk kan of wanneer men dat doet om gezien te worden. Deze handelwijzen zijn niet volgens het eerste en tweede gebod, waarover in Marcus 12,28-34 gesproken wordt. Jezus wil dat recht gedaan wordt aan de zwakken. Maar bovendien dat een offer ten behoeve van het Rijk Gods uit het hart van de gelovige komt, zoals bij de weduwe. Het verhaal van de penning van de arme weduwe is juist een voorbeeld van genoemd eerste en tweede gebod: met haar offer toont ze haar liefde voor God met heel haar hart én haar liefde voor haar naaste.
           Er komt nog een aspect naar voren in de eerste en de tweede lezing. De weduwe van Sarefat wordt tot het uiterste beproefd om in tijd van grote droogte toch nog van haar beetje voorraad aan levensonderhoud af te staan aan de profeet, de man Gods. Deze beproeving legt haar vertrouwen bloot, dat ze in de profeet en zijn God, JHWH, heeft, waarmee ze een voorbeeld wordt van iemand met Godsvertrouwen. Haar vertrouwen werd niet beschaamd: de pot met meel raakt niet leeg; evenmin de kruik met olie.
           De evangelielezing gaat daarin nog een stap verder. Schone schijn en praalzucht over wat men bezit zijn uit den boze, evenals het gemakzuchtig offeren vanuit rijkdom. Het Koninkrijk Gods verlangt, dat men zichzelf geeft, louter vertrouwend op God en zijn woord. Dat is bereikbaar op het moment dat men vrij is van bezit. Pas dan is het mogelijk, evenals de weduwe met de penning, de Messias te volgen. Vergelijk Marcus 10,21: Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak: ‘Eén ding ontbreekt u: ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel. En kom dan terug om Mij te volgen.’
           Het is een uitnodiging om God lief te hebben en zelfs zonder een toezegging van een beloning de Messias te volgen.

 

Preekvoorbeeld

In de lezingen van vandaag gaat het over vrouwen die aan hun lot worden overgelaten. Want dat werden weduwen in Israël vaak, aan hun lot overgelaten. Die stonden maatschappelijk gezien nergens. Dit hadden zij dikwijls gemeen met wezen, waarmee in de Bijbel de kinderen worden bedoeld die geen va­der meer hebben. Wie geen man had die voor je op kwam, je zijn naam gaf en de veiligheid van zijn huis, wie geen echtgenoot had of geen vader, leed in het Israël van toen vaak een kommervol bestaan.
           Maar zo heel veel anders is dit vandaag de dag nu ook weer niet. Alleenstaande moeders en wedu­wen die het enkel van een uitkering of hun AOW moeten hebben, merken het scherpst dat onze socia­le voorzieningen aan het verslechteren zijn en dat wij onze gezamenlijke rijkdom niet eerlijk verdelen. Het lijkt er op dat er niets nieuws onder de zon is.
           Zoals het ook niets nieuws is dat evangelische mensen vinden dat zoiets aan de kaak moet worden gesteld. Dit is niets nieuws, want Jezus doet het al in het evangelie van vandaag. Hij heeft drommels goed in de gaten hoe in de naam van zijn godsdienst onrecht wordt gepleegd. Dat schriftgeleer­den goede sier maken op de markt en de voornaamste plaatsen opeisen in de synagoge en een hoge staat voeren, is allemaal mogelijk omdat zij de huizen van de weduwen opslokken. En Jezus schrikt er niet voor terug om op grond van juist dít vergrijp die schriftgeleerden een strenger oordeel aan te zeggen dan de andere mensen. Het is Jezus kennelijk menens.
           En als hij dan tegenover de offerkist gaat zitten, maakt hij iets mee dat hem doet zeggen: zie je wel dat het is zoals ik zei? Zie je die paar centen die die weduwe in de offerkist werpt? Dat is alles waar zij van leven moet. Die anderen hebben genoeg om van te leven en dus ook te geven. Maar die weduwe kan niet veel geven, want die heeft maar een paar centen om van te leven. Haar huis is door de Farizeeën immers opgeslokt. En dat is godgeklaagd.
           Deze uitleg van het evangelie van vandaag maakt misschien de indruk een interpretatie met een boze ondertoon te zijn. Een die afwijkt van de gebruikelijke uitleg, waarin Jezus de gulheid bewon­dert van iemand die zo goed als niets heeft en tóch geeft. En dat zou dan een aanmoediging moeten zijn voor de rijken om ook gul te gaan of te blijven geven. Nou zal Jezus de goedgeefsheid van deze weduwe vast en zeker bewonderd hebben en er respect voor hebben gehad, maar zijn onmid­dellijk voorafgaande tirade over het onrecht dat met name weduwen wordt aangedaan, geeft aan zijn bewondering wel een bepaalde ernst. Hij bewondert die weduwe niet alleen, maar hij maakt zich ook boos dat zij maar zo weinig kán geven. Dat hoort niet. Door haar gulheid te prijzen stelt Jezus het onrecht aan de kaak dat haar gedaan wordt. Wrange ironie.
           Er is weinig nieuws onder de zon. Wij weten ook dat wie het breed hebben het vaker breed laten hangen dan dat zij gul geven, en dat wie het niet breed hebben soms toch ruimhartig weten te geven. Dat verdient bewondering, maar die bewondering mag onze ogen er niet voor sluiten, dat het dik­wijls onrecht is dat zij het niet zo breed hebben als anderen. En dat hoeft niet; en dat mag niet.
           Jezus heeft hier zijn ogen niet voor gesloten en heeft aan zijn verontwaardiging stem gegeven. Want wat hij ziet gaat in tegen zoals God met mensen omgaat. De manier waarop hij het in Israël gere­geld ziet, gaat in tegen het geloof dat God zorg heeft voor de zwaksten in ons midden.
           Hiervan geeft de eerste lezing een mooi voorbeeld. Daarin ontmoeten wij ook een weduwe. Een vrouw die niemand heeft om naar haar om te kijken en dat weegt extra zwaar nu er hongersnood heerst. Al heeft zij het niet breed, toch geeft zij royaal, want zij geeft weg waarvan zij en haar zoon moeten leven. Mis­schien had u ook wel even de neiging om u boos te maken over de profeet Elia. Die bestaat het om niet alleen water te vragen, maar ook nog het laatste beetje meel om daar met het laatste beetje olie een laatste broodje te bakken, en dat niet om met elkaar te delen maar voor zichzelf te houden. Je moet maar durven.
           Maar is het wel zo dat Elia hier alleen maar iets voor zichzelf vraagt? Door die weduwe voor de keuze te stellen of zij inderdaad álles zal geven, het weinige dat zij nog heeft om van te leven, kan aan het licht komen dat God haar niet laat vallen. Als de profeet niet het uiterste had gevraagd en die vrouw niet het laatste wat zij had gegeven had, was dat nooit duidelijk geworden. Maar juist nu iemand het kleine, onrechtvaardige beetje dat haar gelaten is, heeft durven weggeven, komt aan het licht dat God die onrechtvaardigheid afstraft en niet wil. Want nu komt zij niet meer tekort, zoals toen zij het enkel moest hebben van wie niet naar haar omkeken. Ook hier gaat het niet alleen om bewondering voor wat die vrouw durft, maar om het onrecht­vaardige dat zij bijna niets meer heeft om van te geven en om God, die aan dit onrecht een einde maakt.
           Er is niets nieuws onder de zon. Er zijn nog altijd mensen aan wie onrecht wordt gedaan, opdat ande­ren het financieel goed kunnen blijven hebben. Degenen die geen dividendbelasting meer hoeven te betalen, bijvoorbeeld. Het behoort tot het evangelisch leven om hier oog voor te hebben en dit in de gaten te hebben; om je ogen zo schoon en open te houden dat je dit kunt zien, en om dat vervolgens nooit goed te keuren. In ons doen niet en in ons spreken niet.
           Soms kan aan dit onrecht wat gedaan worden. Bijvoorbeeld, als wie het breed hebben het niet alleen breed laten hangen, maar ook breed en ruimhartig geven. En dit is goed, want op deze manier delen wij tenminste met elkaar wat wij hebben. Maar belangrijker is dat wij ons leven met elkaar zodanig organiseren dat dit onrecht niet meer voorkomt en het onmogelijk wordt dat de een onrechtvaardig veel meekrijgt van wat wij met elkaar hebben en de ander onrechtvaardig weinig; en dat wie het goed heeft het vanzelf beter krijgt en dat wie het al niet breed heeft als vanzelf slechter en moeilijker komt te zitten. En dat gebeurt, tot op de dag van vandaag, onder onze ogen.
           Mensen die zich hier kwaad over maken en hun kracht willen geven om hier verandering in te bren­gen, verdienen de steun van evangelische mensen. Niet dat evangelische mensen vooraan móeten lopen bij maatschappelijke acties tegen dit onrecht. Dat past niet bij iedereen. Niet iedereen is daar het type voor. Maar evangelische mensen kunnen wel altijd, wie ze ook zijn, de steun geven van morele bemoediging, van daar positief over spreken en van gebed, waarin wij als het ware met God mee kijken naar de situatie waarin wij leven, en ons afvragen wat hij er van zou vinden. Zo heeft Jezus gekeken en hij mag zijn eigen samenleving dan wel niet fundamenteel hebben veranderd, hij heeft er in ieder geval niet het zwijgen toe gedaan. Zou ons leven met elkaar er niet wel bij varen als wij dit, net als hij, ook niet zouden doen?

 

inleiding Wim van Stiphout
preekvoorbeeld dr. Jan van den Eijnden ofm

webdesign: Artis