10 mei 2018
Hemelvaart van de Heer

Lezingen: Hand. 1,1-11; Ps. 47; Ef. 1,17-23; Mar. 16,15-20 (B-jaar)


Inleiding

Handelingen 1,1-11
Aan het begin van Handelingen herneemt Lucas, voorafgaand aan de tenhemelopneming van Jezus een aantal kernthema’s van zijn evangelie (‘mijn éérste boek Teofilus’, v. 1; vgl. Luc. 1,1-4). Daarmee zet hij tegelijk de lijnen uit voor het programma van Handelingen: de leerlingen gaan getuige worden van het Koninkrijk Gods. Hoe dat gebeurt en wat daarvan de draagwijdte is, wordt duidelijk in een aantal thema’s, waarin vooral profetieën van Jesaja sterk blijken door te werken.

In enkele regels brengt Lucas de situatie aan het einde van het evangelie weer in beeld. De vraag naar de opstanding is geen thema meer. Na zijn lijden toont Jezus zich veertig dagen lang en laat hij op velerlei wijze zien dat hij leeft (v. 3; niet na zijn stérven, aldus de Willibrordvertaling). Want zó wil Lucas dat Jezus gezien wordt: als de Gezalfde ‘die lijden moest om ten derde dage op te staan uit de doden’ (Luc. 24,46). Alles immers, wat er over hem ‘geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen, moet vervuld worden’ (Luc. 24,44v).

Ook hier in Handelingen klinkt het gebod Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader (v. 4; vgl. Luc. 24,47v). Dat zegt Jezus, ‘terwijl hij met hen at’. Met een heel subtiele wisseling van spreekrichting, van hen naar gij, plaatst Lucas ons hier weer midden in de maaltijd, die hij eerder situeerde aan het einde van zijn evangelie (v. 4; vgl. Luc. 24,36-49). De Willibrordvertaling verbreekt deze eenheid door vers 6 te openen met: ‘Toen zij eens bijeengekomen waren...’ Daarmee wordt een toevallige samenkomst gesuggereerd die ooit ergens plaats vond. Correct is NBG: ‘zij dan, die daar bijeengekomen waren...’ Daarmee blijft niet alleen de eenheid van tijd en ruimte in de verhaallijn van Handelingen 1,1-9 intact, maar wordt ook het verband bewaard met de maaltijd aan het einde van het evangelie.

Jezus gaat nader in op de belofte van de Vader en spreekt over de doop ‘met de heilige Geest’ (v. 5; vgl. Luc. 24,49). Wordt hier een tegenstelling gesuggereerd met de doop door Johannes? De doop van bekering tot vergeving van zonden (Luc. 3,3; vgl. de opdracht aan de leerlingen in Luc. 24,47)? Nee, want het is juist Johannes die, zich welbewust van zijn eigen opdracht, wijst op de Christus als degene, die zal dopen met heilige Geest en met vuur (Luc. 3,15v; vgl. Luc. 1,76-80; 3,1-6; vgl. Jes. 40,3-5). Die doop staat aanstonds te gebeuren (Hand. 2,1-41)!

Het is ook van betekenis te weten wáár Johannes doopt: aan de oevers van de Jordaan (Luc. 3,3). Een locatie die verschillende gebeurtenissen zowel uit het Eerste als het Tweede Verbond in herinnering roept, met nuances en aspecten, die meeklinken wanneer Jezus spreekt over de ‘belofte van de Vader’ en ‘gedoopt worden met de heilige Geest’.

Zo worden we aan de oevers van de Jordaan terug geplaatst naar de vooravond van de Intocht van Israël in het land, onder aanvoering van Jozua (Joz. 3). Onder de hoede van de Ark trekt het volk de Jordaan door om, voordat men definitief het land intrekt, de besnijdenis te voltrekken én het Pascha te vieren (Joz. 4–5).

Een gebeurtenis die archetypisch is voor de wijze waarop Jezus, door zich samen met het volk te laten dopen aan de oevers van de Jordaan, voor ieder zichtbaar en hoorbaar ten volle tot Zoon van het Verbond wordt uitgeroepen (‘Zoon van het Verbond’ = de ‘aarts’-betekenis van besnijdenis, vgl. Gen. 17). Als de Geliefde Zoon, op wie thans Gods Geest rust, gaat hij het volk voor en trekt hij als incarnatie van de Ark het land in om overal het koninkrijk Gods te prediken (Luc. 3,22; vgl. Jes. 42,1). Zo zal hij Gods beloften, eertijds aan de vaderen gedaan, hier en nu in het land vervullen (Luc. 4,43; vgl. Luc. 4,14-22 = Jes. 61).

Maar Jezus is niet alleen de Geliefde Zoon. Dezelfde Stem die klinkt bij de doop, verklaart hem ook tot Knecht des Heren, in wie God ‘welbehagen’ heeft. Ja, Jezus wordt zelfs de Knecht bij uitstek. Want eenmaal onderweg door het land, richt hij, wanneer de dagen van zijn opneming (!) in vervulling gaan, zijn aangezicht naar Jeruzalem, het middelpunt van het land. Daar zal het Pascha voltrokken en gevierd worden als Jezus’ tweede en uiteindelijke Doortocht (Luc. 9,51; Luc. 22,7-13; vgl. Jes. 52,13–53,12). En het is deze doop die ook de leerlingen moeten ondergaan, voordat zij het land binnen kunnen gaan om te getuigen van het Koninkrijk van God.

Wie de Knecht ter sprake brengt, spreekt in één adem door ook over Jeruzalem. Beiden horen onlosmakelijk bij elkaar. Dáárom mogen de leerlingen Jeruzalem niet verlaten. Verlaten is immers de vaste uitdrukking voor echtscheiding en Jeruzalem is ooit ‘de Verlatene’ genoemd... (Jes. 62,4; vgl. Mar. 10,9; Mat. 19,6; bij Lucas ontbreekt deze discussie). De leerlingen dienen juist hier in Jeruzalem te getuigen van wat komen gaat, krachtens de oude belofte uit de mond van de profeet Jesaja. Want:

Het zal geschieden in het laatste der dagen:
dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan...
en alle volkeren zullen derwaarts heen stromen...
Want uit Sion zal de wet uitgaan
en het woord des Heren uit Jeruzalem.
(Jesaja 2,1-5)

Dat staat er dus te gebeuren in Jeruzalem bij de doop met heilige Geest en met Vuur: het uitgaan van de Wet naar alle volken. Op het hoogtepunt van het Wekenfeest: Pinksteren bij uitstek! (Hand. 2,1-13; vgl. Deut. 9,10).

Tegen de achtergrond van deze profetie van Jesaja is de vraag van de leerlingen of Jezus in ‘deze tijd’ het koninkrijk van Israël herstelt, niet meer dan gerechtvaardigd (v. 6). Want ook dat geldt immers als belofte van de Vader. Hij vergadert alle volken, tezamen met het volk dat hij formeert en doet omkeren uit de ballingschap (vgl. Jes. 43,9-21; Jes. 52,7-10). Alleen, het is niet aan de leerlingen daarvan tijd of gelegenheid te weten (v. 7; vgl. Luc. 21,5vv). Jezus herhaalt en bevestigt de belofte van de heilige Geest, die hen de kracht geven zal om te getuigen in Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde (v. 8).

In vergelijking met Lucas 24,46-49 hebben we hier te maken met een belangrijke verschuiving. Moesten de leerlingen in Lucas getuige zijn van de Christus, die geleden heeft en opgestaan is op de derde dag uit de doden, overeenkomstig de Schriften, hier in Handelingen worden ze opgeroepen getuige te zijn van het Koninkrijk van God.
Opnieuw zijn het teksten uit Jesaja die een cruciale rol spelen voor het verstaan van wat er gezegd wordt (vgl. Luc. 24,44-48). En weer hebben ze betrekking op de Knecht. Wordt in Jesaja 43,10vv de Knecht (‘die Ik verkoren heb’) opgeroepen getuige te zijn voor God als de Verlosser van Israël, in Jesaja 49,6 wordt de Knecht gesteld tot een licht der volken, opdat ‘Gods heil reike tot aan het einde van de aarde’ (vgl. Jes. 42,1-7; vgl. de lofzang van Simeon (Luc. 2,22-38).
Met de opdracht getuige te zijn van Gods Koninkrijk tot het einde der aarde, draagt Jezus het knechtschap over op de leerlingen.

Mijn Geest die op u is,
en mijn woorden
die Ik in uw mond gelegd heb,
zullen niet wijken uit uw mond
Noch uit de mond van uw kroost...
zegt de Heer.
(Jesaja 59,21)

De leerlingen worden knechten. Was Jezus er primair voor Israël, de leerlingen worden Knecht voor heel de mensheid. Ook dát is, wat er staat te gebeuren in Jeruzalem... (vgl. Jes. 42,1; 61,1; vgl. de voortgang vanuit Jes. 53,10 naar Jes. 54,13-17; 55,4-13; 56,1-8; 61,9; 63,17; 65,9; 66,14).

Waar Lucas in het evangelie sober is met zijn weergave van de Hemelvaart, zo is hij hier in Handelingen des te uitvoeriger.
Opvallend is dat hij de thematiek van het zien herneemt en wel tot vijfmaal toe (vv. 9-11; vgl. Luc. 24,31.37vv.43). Daarmee wordt de eenheid, die het begin van Handelingen vormt met het einde van het evangelie strak ingekaderd.
Jezus wordt ten hemel opgenomen en zijn leerlingen zien hem met geopende ogen, totdat een wolk hem aan het zien onttrekt (vgl. Ex. 24,15-18; Num. 9,15!). Een heel mooie parallel dient zich hier aan tussen de leerlingen van Jezus en Elisa, de leerling van de profeet Elia (vgl. 2 Kon. 2,9-14). Om hem waardig te kunnen opvolgen vraagt Elisa om een dubbel deel van Elia’s geest. Het beslissende criterium voor het ontvangen van die Geest is het al of niet kunnen zien van Elia’s hemelvaart. Elisa ziet de hemelvaart en een dubbel deel van Elia’s geest rust voortaan op hem.
En opeens, evenals bij de vrouwen aan het lege graf, staan hier twee mannen in wit gewaad: ‘Wat staat ge daar en ziet naar de hemel?’ (vgl. Luc. 24,4-8). De dagen van zijn opneming zijn vervuld (vgl. Luc. 9,51; Ps. 110,1; Jes. 52,13). Al het overige is nu aan de leerlingen.

Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73

Psalm 47
Het thema getuige te zijn voor het Koninkrijk van God ‘tot het einde der aarde’, vinden we ook weerspiegeld in Psalm 47. God is koning over heel de aarde en over alle naties. Heel de psalm roept op zijn intronisatie te bejubelen. Want ‘de edelen der volken zijn bijeen vergaderd als volk van Abrahams God! (v. 10). De thematiek van de psalm is, zeker door de weggelaten verzen 4-5 (‘naties legde Hij aan onze voeten’), zeer verwant aan Psalm 110. Dat is de psalm die op de achtergrond een belangrijke rol speelt in zowel de brief aan Efeze als in het slot van het evangelie van Marcus, onze beide volgende lezingen.

Efeziërs 1,17-23
Een aantal thema’s uit Handelingen keert terug in de brief van Paulus aan Efese. Allereerst de bede om Gods Geest van wijsheid en openbaring (v. 17). Naast de bede dat ons ‘innerlijk oog’ verlicht mag worden om de heerlijkheid van Gods erfdeel te kunnen zien, een van de sleutelthema’s van het begin van Handelingen en het einde van het evangelie van Lucas. ‘Opwekking uit de dood’ en ‘intronisatie aan de rechterhand van God’ horen voor Paulus blijkbaar bij elkaar. Psalm 110 speelt hier een belangrijke rol op de achtergrond, vergelijkbaar met Psalm 47. Zoals de lijdende en miskende knecht uit Psalm 109 door Gods hand uit de ellende omhoog getrokken wordt en als Heer zitting krijgt aan diezelfde hand van Gods (Ps. 110,1; vgl. Ps. 109,26-31), zo krijgt de Christus opgewekt uit de dood als Knecht bij uitstek zijn plaats naast God in de hemelen (v. 20). En alles wordt hem aan de voeten gelegd. In dat laatste herkennen we het beeld van de breekbare en kwetsbare mens uit Psalm 8, hier vervlochten met het beeld van de triomferende heerser, die zetelt aan Gods rechterhand (Ps. 110,1; vgl. Ps. 8,5-9).

Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Marcus 16,15-20
Marcus is uiterst compact in zijn weergave van Jezus’ hemelvaart: ‘Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd hij ten hemel opgenomen en hij zit aan de rechterhand van God’ (Mar. 16,19). Welgeteld één vers... We zien opnieuw de doorwerking van Psalm 110 als achtergrond, op een vergelijkbare manier als in de brief van Paulus aan Efeze. De opdracht geldt de verkondiging van het evangelie aan de hele wereld, aan heel de schepping (v. 15). Geloof en doopsel zijn de beslissende criteria. De gave van de Geest wordt hier bij Marcus niet genoemd. Wel kracht die de Heer aan het woord van de leerlingen schenkt, waaruit blijkt dat hij hen niet alleen laat (v. 20). Die kracht manifesteert zich in de tekenen die ieder die gelooft zullen vergezellen. In Jezus’ naam drijven zij duivels uit en spreken ze nieuwe talen, nemen ze slangen op en drinken ze gif zonder dat hen dat deert en genezen ze de zieken door hen de handen op te leggen (vv. 17-18). Als ware knechten van de Heer!


Preekvoorbeeld

Het gebeurt nog wel, met name op het platteland, dat overledenen ‘beluid’ worden. Vroeger hoorde je mensen vragen: ‘Wie is er gaan hemelen?’ Daar klinkt iets anders in door dan in de vraag: ‘Wie is er dood?’ Bij ‘dood’ gaat er een deur dicht, maar bij ‘hemelen’ klinkt er heel voorzichtig iets van een ‘treetje hoger’ in door, alsof een mens vérder gaat. Mensen die een geliefde verliezen aan de dood, kunnen zich intens verlaten voelen. Ook als je iemands aanwezigheid in zo’n situatie nog bijna kunt voelen, weet een mens zich toch heel alleen, als een dorstige in de woestijn. Zouden de leerlingen zich zo hebben gevoeld, na de ingrijpende gebeurtenissen aan het eind van Jezus’ leven: zijn veroordeling, lijden, dood en opstanding?
Lucas klinkt in Handelingen heel beslist: de leerlingen van Jezus hebben herhaaldelijk ‘aan den lijve’ ervaren dat hun Heer ‘na zijn lijden’ weer in leven was; toch was alles ánders.
Jezus bezwoer hen in Jeruzalem te blijven en daar te wachten op de ‘vervulling van de belofte’ door de Vader. Zij zaten bij die vermaning aan tafel, een verwijzing naar het Laatste Avondmaal, waar Jezus sprak over een nieuw liefdesverbond van God met de mensen.
Die belofte gaat over de komst van de heilige Geest, de Trooster en Bezieler van ons, van ieders leven. Zo klinkt in de aanloop naar Hemelvaart de prelude van Pinksteren al door.
Maar toch, wanneer Jezus terugkeert naar de Vader, blijven zij als verweesd achter, alleen…
Het tijdsbestek van veertig dagen tussen Hemelvaart en Pasen, kan ons doen denken aan de veertig jaren die het volk door de woestijn trok, op weg naar het Beloofde Land. Op die tocht werd het volk geleid door een wolk. Wanneer de Hebreeën in deze woestenij rustten, dan rustte ook de wolk boven de Ark van het Verbond. In deze kist werden de twee stenen tafelen bewaard met daarop de Tien Geboden. Het Woord van God was bij zijn volk en ging vóór hen uit door de woestijn naar het Beloofde Land. Mozes zal dat land niet binnengaan. Hij krijgt het in een visioen te zien, en dan mag hij ópgaan naar God. Mozes die zo vaak verkeerde met God in een wolk, wordt opgenomen in Gods verbond en liefde. Zijn graf is nooit gevonden. Wanneer het volk later de Jordaan oversteekt en het beloofde Land intrekt, verlaat de wolk hen. Ongetwijfeld is deze gaan ‘hemelen’. Net als later ook de profeet Elia, die in een wagen met vurige paarden ervoor ten hemel voer.
Zojuist vielen hun namen, Mozes en Elia. Zij waren aanwezig bij Jezus in het visioen dat enkele leerlingen kregen op de berg Tabor. Petrus, Johannes en Jakobus zagen toen dat Jezus zich onderhield met Mozes en Elia en ervoeren een enorme vreugde. Petrus wilde dit moment zo graag vasthouden dat hij tenten wilde bouwen; houd jij de hemel maar eens vast...
Jezus drong er toen bij deze leerlingen op aan te zwijgen totdat hij uit de dood was opgestaan. Vlak voor zijn hemelvaart zegt hij juist dat zijn leerlingen moeten getuigen van het Evangelie aan heel de schepping: God houdt van ieder mens. Dat liet Jezus met en in zijn leven zien, daarvan getuígde hij. Nu vraagt hij zijn leerlingen hem in dit getuigenis aan de wereld te volgen. Hij vraagt hen te getuigen, niet te óvertuigen. Dat zal zijn hélper doen, de heilige Geest.

Alle volken zullen van vreugde in de handen klappen, zingt Psalm 47. De getuigen van Gods rijk zullen slangen opnemen; het gif van de tweedracht zal hen geen kwaad meer doen. De toren van Babel wordt opgeruimd, want zij die het getuigenis van Jezus brengen, zullen nieuwe talen spreken: de talen van geloof, hoop en liefde. In Jezus komt God aan het licht; zijn Woord zal ons genezen en gaaf maken, tot een adeldom der volken.
‘Mannen van Galilea wat sta je naar de hemel te kijken’, vraagt de engel. Hij vervolgt dat Jezus op dezelfde manier terug keren als zij hem hebben zien gaan, namelijk op de vleugels van zijn Geest, van zijn Woord. Het is door het nieuwe verbond dat God in Jezus met ons sloot, dat wij Jezus mogen volgen in zijn opgang naar het rijk van God.
Dan is ieder mens ‘in de wolk(en)’. Moge het zo zijn.     


inleiding drs. Jo Beckers
preekvoorbeeld drs. Frank van der Knaap MA

 

 

webdesign: Artis