10 maart 2019
Eerste zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Deut. 26,4-10; Ps. 91; Rom. 10,8-13; Luc. 4,1-13 (C-jaar)

 

Inleiding

Thoralezing: Deuteronomium 26,1-11

            Mijn vader was een zwervende Arameeër. (Deut. 26,5)
            Ook liet de Heer het verbond
            en de zegen voor alle mensen
            op het hoofd van Jakob rusten.
            Door zijn zegen erkende hij hem
            en gaf hij hem een gebied,
            dat hij verdeelde onder de twaalf stammen.
            Hij bracht uit Jakob een barmhartige man voort,
            die ieders genegenheid won,
            die geliefd was bij God en bij mensen:
            Mozes, wiens nagedachtenis gezegend is. (Sir. 44,22b-45,1)

Op de eerste zondag van de Veertigdagentijd klinkt uit de Thora een geloofsbelijdenis van Israël. De belofte die JHWH aan Mozes heeft gedaan om zijn volk het veel belovende land binnen te voeren (Ex. 3,8) staat op het punt in vervulling te gaan (26,1).

Het veelvuldig voorkomen van JHWH en geven onderstreept dat JHWH de gulle gever is van het land, de vruchten en de weldaden. Deze schenkingen zijn geen bezit, maar gaven om te gebruiken (Lev. 25,23). JHWH blijft de eigenaar, Israël is zijn rentmeester. De eerste vruchten (bikoerim) worden als pars pro toto aan JHWH teruggeven (Ex. 23,19) op de plaats die hij uitkiest om er zijn naam te vestigen. De priester zal de gaven namens JHWH in ontvangst nemen (18,4; 26,1.3a). Niet van álle vruchten hoeven de eerstelingen worden gebracht, maar alleen van de vruchten waar het land Israël in Deuteronomium 8,8 om geroemd wordt: tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen, granaatappels, vette olijven en honingdadels. Deze eerste vruchten horen tot de dingen zonder maat, waarvoor de Thora geen maat voorschrijft:

                        Dit zijn de dingen waarvoor geen maat is gesteld:
                        het laten staan van je oogst op de hoeken van je veld voor de armen,
                        het brengen van de eerste vruchten naar de tempel,
                        het verschijnen in het Heiligdom,
                        het doen van gerechtigheid
                        en het leren van Thora. (Misjna Pea I,1)

De geloofsbelijdenis bestaat uit de verzen 3b.5b-10a; de verzen 4-5a.10b-11 zijn liturgische aanwijzingen (rubrieken).
            Staande voor de priester belijdt/erkent de bidder dat hij héden in het aan zijn voorouders beloofde land is aangekomen (Gen. 12,2; Ex. 3,8). Zijn dankbaarheid brengt hij tot uiting door de korf met de eerste veldvruchten aan de priester te geven; deze zet de goed gevulde korf voor het altaar van JHWH (dus: bestemd voor de priesters, Levieten en armen).

Staande voor JHWH spreekt de bidder nu de geloofsbelijdenis uit. Te beginnen met zijn zwervende/verdwalende vader Jakob (Gen. 32,2; Ex. 1,1; Deut. 10,22). De onderdrukking door de Egyptenaren (Ex. 1,8-14; 3,7-9; Deut. 6,21) en het gehoor vinden bij de Bevrijder (Num. 20,16). De Uittocht uit Egypte (Ex. 13,14–15,21; Deut. 6,21vv) én de intocht in het goede land (Num. 16,14; Deut. 8,1-20). Het is opvallend dat de gave van de Tien Woorden op de berg Sinai niet wordt vermeld (Ex. 19–20).
            In vers 10a voegt de bidder zich in in de bevrijdingsgeschiedenis van Israël: Daarom breng ik… Hij beaamt de belijdenis en wel metterdaad: het geschonkene geeft hij aan de Gever terug.

De belijdenis wordt besloten met een feestelijke liturgische maaltijd waaraan ook de Levieten en de vreemdelingen (moeten) deelnemen (16,11). De Levieten die zelf geen grond hebben toebedeeld gekregen, zijn afhankelijk van de gaven van het volk (Deut. 18,4). Israël heeft zelf aan den lijve ervaren wat het betekent om vreemdeling te zijn (Lev. 19,34; 25,23), vandaar hun gastvrijheid voor de vreemdeling. Er kan geen dankfeest ter ere van JHWH gevierd worden zonder de vreemdeling erin te laten delen.
            Dit komt niet voort uit weldadigheid maar uit de opdracht om gerechtigheid te doen. Vandaar dat de verzen 12-15 gaan over het doen van gerechtigheid door middel van tienden. Israëls liturgie getuigt van een ruimhartige gastvrijheid (‘oecumene’) en laat zien dat liturgie en diaconie (solidariteit) hand in hand (behoren te) gaan.
            Belijden van het geloof, het erkennen van de ontvangen weldaden van God, leiden tot het doen van barmhartige gerechtigheid (in de lijn van Deuteronomium 26,5b-10 zijn de Psalmen 78, 105 en 106 ook geloofsbelijdenissen).        

            Wij staan geschreven in zijn hand,
            Hij voert ons naar ’t beloofde land.
            Als kinderen gaan wij zingend voort,
            de Vader is het die ons hoort.
                (Willem Barnard, LB 350,4)

Lezing uit de brieven: Romeinen 10,8-13
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’, in: H. Janssen & K. Touwen (red.) Paulus zelf. De zeven echte brieven. Exegese en Preken, Vught 2014, 75-86

Evangelielezing: Lucas 4,1-13
Bij de doop van Jezus klinkt er een stem uit de hemel: Jij bent mijn geliefde zoon, in jou vind ik vreugde (3,22). Hij is de zoon van Jozef, de zoon van Adam, de zoon van God (3,22.23.39). Vol van de heilige Geest die bij de doop op Jezus is neergedaald, gaat Jezus uit eigen beweging (en niet zoals in Mar. 1,12 en Mat. 4,1 ‘door de Geest gedreven’), naar de woestijn. Daar wordt hij niet veertig jaar zoals Israël, maar (slechts) veertig dagen uitgetest of hij de weg van de geliefde zoon kan/wil gaan. De woestijn is de plek van de eerste bruidstijd van JHWH en zijn volk Israël en de (eenzame) streek waar Israël beproefd wordt.

Zoals Mozes veertig dagen en nachten vast op de berg Horeb (Deut. 9,9) en Elia veertig dagen en nachten zonder leeftocht is tijdens zijn tocht naar de Horeb (1 Kon. 19,8), zó vast Jezus – in de lijn van Thora & Profeten – veertig dagen en krijgt dan pas honger (4,1-2).
            De duivel, de tegenspeler van God (3,2-6), stelt Jezus op de proef. Terwijl Johannes in de woestijn de stem van God hoort (3,2-6), hoort Jezus de stem van de duivel.
            Deze gaat Jezus uittesten of hij de zoon van God is (Ps. 2,7), dan kan hij zeker van steen een brood maken. Met een woord uit de Thora – bron van leven – dient Jezus de duivel van repliek. Jezus herkent zich in zijn volk Israël toen het in de woestijn veertig jaren op de proef werd gesteld (Deut. 8,1-6) en al doende leerde dat de mens niet leeft van brood op zich, maar van alles wat uit de mond van de Barmhartige komt! (Deut. 8,3; Ex. 16). Alleen aan de hand van de Thora wordt brood brood: voedsel om te breken en te delen. Voor zichzelf alleen wil Jezus nu geen brood. Later zal hij voor anderen brood breken en vermeerderen tot verzadigens toe (9,10-17).

De duivel laat Jezus vanuit een hooggelegen plaats alle koninkrijken van de wereld zien. Hij maakt een toespeling op de koningspsalm 2,8: Vraag en Ik geef je volken in bezit, de uithoeken van de aarde krijg je in eigendom. Wanneer Jezus de duivel in plaats van de Enige zal aanbidden, zal hij Hem de volmacht over al deze prachtige koninkrijken geven (Dan. 4,31;7,14). Maar Jezus ontmaskert de tegenspeler van God, de duivel heeft niets weg te geven. Bovendien wil hij leven volgens de Thora waarin geschreven staat: Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem! (Deut. 6,13; Ex. 32). Jezus is niet gekomen om te heersen, maar om te dienen: Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden (14,11).

De duivel geeft het nog niet op, hij brengt Jezus naar Jeruzalem en laat hem plaatsnemen op het dak van het tempelgebouw. De duivel nodigt Jezus uit om naar beneden te springen. Als hij de zoon van God is zal hem toch zeker niets overkomen. Met zijn vroom gezicht houdt de duivel Jezus Psalm 91 voor: Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat. Hun handen zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen (Ps. 91,11v). Jezus laat zich niet met losse Schriftteksten om de oren slaan. Hij weet dat de Thora in haar verband gehoord dient te worden. Vanuit het hart van de Thora zegt hij: Stel de Heer, uw God niet op de proef! (Deut. 6,16).
            De duivel houdt het voor gezien en wacht zijn tijd af. Via Judas zal hij Jezus te pakken nemen (22,3-6). Jezus zal later in Jeruzalem de tempel reinigen (19,45-48) en na zijn dood en opstanding zullen zijn leerlingen in de tempel God zegenen en prijzen (24,53).

De Israëliet belijdt zijn geloof metterdaad door JHWH te zegenen en te danken en alle eer te brengen en door recht te doen aan de Leviet en de vreemdeling (Deut. 26). Jezus, zoon van Israël, belijdt zijn geloof in de Ene (Hoor! Israël, de Eeuwige is een!) door de verzoekingen van de duivel te weerstaan en alleen aan God alle eer te brengen en hem te dienen (Luc. 4).
            Jezus heeft in de woestijn en in Jeruzalem de duivel weerstaan en heeft zich niet door macht laten corrumperen, maar is staande gebleven als zoon van God, dienaar van mensen. In kracht van de Geest gaat hij terug naar Galilea en verkondigt daar metterdaad Gods blijde boodschap.

            Een mens te zijn op aarde
            in deze wereldtijd,
            dat is de Geest aanvaarden
            die naar het leven leidt:
            de mensen niet verlaten,
            Gods woord zijn toegedaan,
            dat is op deze aarde
            de duivel wederstaan.
            (Willem Barnard, LB 538,4)

De gehele veertigdaagse vasten bleef Franciscus op een eilandje in het Trasimeense meer, zonder te drinken en zonder meer te eten dan één half broodje: want de toegewijde vriend die hem op Witte Donderdag weer kwam halen, zag dat het ene broodje nog in zijn geheel over was en het andere voor de helft. En men beweert dat Franciscus die ene helft had opgegeten uit eerbied voor het vasten van Christus, die zich veertig dagen en veertig nachten van enig stoffelijk voedsel onthield. Zo behoedde hij zich met dat halve broodje voor het gif van de hoogmoed en vastte veertig dagen en veertig nachten naar het voorbeeld van Christus.
(Fioretti VIII)

Literatuur
G.P. Freeman, Umbrië. In de voetsporen van Franciscus, Valkhof Nijmegen, 2017 5e, 153.211
V. de Haas, ‘Het Evangelie volgens Lucas. Barmhartigheid’, in: De Bijbel spiritueel, Zoetermeer 2004, 559-566
C. Labuschagne, Deuteronomium, ’s-Hertogenbosch 1993
P. Sanders, ‘Deuteronomium. Kiezen’, in: De Bijbel spiritueel, 133-140
N. Schuman, Deuteronomium, Kampen 1983
J. Smit, Het verhaal van Lucas, Zoetermeer 2009
K. Spronk (red.), Deuteronomium, acebt-23, Vught 2007
Tenachon-27, Hilversum, 421-423
H. Welzen, Lucas, ’s-Hertogenbosch 2011

 

Preekvoorbeeld

Op Aswoensdag zijn we de Veertigdagentijd ingegaan, een tijd waarin wordt getest wat je christen zijn je waard is, wie je bent en wie je zou kunnen zijn. Het is ook een tijd waarin je wordt getest wat de ander jou waard is, de ander dichtbij en veraf. De Veertigdagentijd is dus een tijd waarin je geestelijk gehoor wordt getest. Dringt het Woord van God echt tot je door? Of zit er zoveel ruis in de communicatie dat je jezelf niet meer hoort en evenmin opvangt wat God je te zeggen heeft?
            We staan in deze Veertigdagentijd in een lange traditie. Mozes vastte veertig dagen op de berg, voor hij de Eeuwige mocht ontmoeten. Elia liep, gesterkt door het voedsel van de Engel, veertig dagen en nachten door de woestijn, zonder eten en drinken, om op de berg bij God te zijn. Vandaag horen we dat ook Jezus, nadat hij in de Jordaan gedoopt was en alvorens naar de mensen toe te gaan, veertig dagen en nachten in de woestijn doorbracht om er te bidden en te vasten.
            Ook voor Jezus was de woestijn de plaats waar hij getest werd. Toen hij na veertig dagen honger kreeg, probeerde de duivel hem ertoe te brengen zijn waardigheid als mens en als Zoon van God te grabbel te gooien. Hij zei tegen Jezus: ‘Als je een Zoon van God bent, moet het voor jou een koud kunstje zijn uit deze steen een brood te voorschijn te toveren.’ Met andere woorden: ‘Als Mozes in de woestijn water uit de rots kon slaan, laat dan eens zien dat jij als Zoon van God voor hem niet onder hoeft te doen!’
            Maar Jezus is niet Gods geliefde Zoon om te laten zien dat hij meer kan dan anderen. En hij wil in ieder geval geen wonder doen om er zelf beter van te worden. Dat zou een aanfluiting zijn van alles waar hij voor staat. Niet dat hij boven de gewone levensbehoeften verheven is. Immers, niemand kan zonder brood. Hij evenmin. Daarom zegt Jezus: ‘De mens leeft niet van brood alleen.’
            Jezus heeft dus wel degelijk iets met ons gewone brood. Sterker nog: brood breken en delen is de samenvatting van heel zijn leven. Daarom breken we ook vanmorgen het brood tot zijn gedachtenis. Maar juist de Eucharistie leert ons dat we niet leven van meel, water, gist en zout alleen. Wat zouden we zijn zonder de liefde, zorg, toewijding en opoffering van anderen? Wat zouden we zijn zonder de liefde, de zorg, de toewijding en het offer van Christus?
            ‘De mens leeft niet van brood alleen.’ Je kunt ook zeggen: ‘We leven niet om te eten, maar we eten om te leven.’ Als je deze simpele waarheid vergeet, verlies je niet alleen God, maar verlies je ook jezelf. Dit stukje evangelie heeft dus te maken met zoiets alledaags als je consumptiegedrag. Als je eerlijk naar je zelf kijkt, zie je hoe gemakkelijk je wordt meegesleept door een bijna niet te stoppen vliegwiel van geld verdienen en consumeren. Voor je het weet ga je Consumptie met een hoofdletter schrijven, je gaat ervoor op je knieën, ten koste van je waardigheid, je gezondheid en ook ten koste van anderen. Natuurlijk kan het besteedbaar inkomen een graadmeter zijn voor de kwaliteit van het leven. Maar het is zeker niet de enige, en in ieder geval niet de belangrijkste graadmeter. Een mens leeft niet van zijn besteedbaar inkomen alleen.
            Soms zijn het arme mensen die ons daaraan herinneren: dat we eten om te leven en niet andersom. Een medebroeder vertelde me over straatarme moeders in een Latijns-Amerikaanse sloppenwijk, die de eerste communie van hun kinderen voorbereidden. Ze wilden hun weinige centen bijeen leggen om stof te kopen voor bruidsjurkjes. Mijn medebroeder vond dat geen goed idee. Misschien wilde ook hij een beetje de wonderdoener spelen toen hij zei: ‘Kopen jullie maar schoolmateriaal voor jullie kinderen in plaats van bruidsjurkjes. Dan geef ik ieder van jullie namens een hulporganisatie 5 kilo rijst, genoeg voor het feest en de tijd daarna. Daar hebben jullie veel meer aan.’ Het was even stil, tot een van de vrouwen zei: ‘Dus bruidsjurkjes zijn alleen voor rijke kinderen. Wij mogen blij zijn met een bord rijst en een handvol bananen. Die bruidsjurkjes kómen er. Punt uit!’ Mijn medebroeder voelde zich eerst gepikeerd. Maar toen kreeg hij respect voor de waardigheid die deze vrouwen uitstraalden. Zij zeiden op haar manier dat een mens niet leeft van brood alleen.
            In de woestijn laat de Zoon van God zien dat hij niets anders wil dan mens te zijn op aarde, maar dan ten volle. ‘Hij die bestond in de gestalte van God’, zegt Paulus, ‘heeft zichzelf ontledigd en is aan de mensen gelijk geworden.’ Daarom weigert Jezus een steen in brood te veranderen of zich ter aarde storten om God te dwingen in te grijpen of een knieval te maken voor het kwaad om zo in één klap een stralend koninkrijk op aarde te vestigen.

Na afloop van de veertig dagen in de woestijn begint Jezus meteen met de verkondiging van het rijk Gods en leert hij waar het ware leven te vinden is. Vanmorgen zegt hij ook tegen ons: ‘Mens, leef niet van brood alleen. Probeer het leven niet te dwingen en dwing ook God niet naar jouw pijpen te dansen. Kniel niet voor geld, bezit en macht. De Heer uw God zult ge dienen en hem alleen aanbidden.’
            Niet leven van brood alleen is geen kwestie van theorie. Het is een praktische levensweg. Je leert al doende die weg te gaan. De Veertigdagentijd kent traditioneel drie middelen om ons te trainen voor het gaan van deze weg: het vasten, het bidden en de vrijgevigheid, oefeningen die ons helpen stap voor stap te ontdekken waar we uiteindelijk van leven. Laten we van deze tijd profiteren.

 

inleiding Henk Janssen ofm
preekvoorbeeld dr. J. Hulshof sm

webdesign: Artis