10 juni 2018
Tiende zondag door het jaar

Lezingen: Gen. 3,9-15; Ps. 130; 2 Kor. 4,13–5,1; Mar. 3,20-35 (B-jaar)


Inleiding

Onze hulp is de Naam van de Schepper,
die hemel en aarde gemaakt heeft,
die ons geschapen heeft in zijn beeld,
op Hem gelijkend,
als mensen voor elkaar,
schouder aan schouder,
die ons kent bij onze naam,
en trouw blijft tot in eeuwigheid.
Gezegend zij onze Schepper!

Thoralezing: Genesis 3,1-24
De ouverture van het boek Genesis (Gen. 1,1–11,32) zou je eigenlijk stereofonisch moeten kunnen horen: de verschillende perikopen niet na elkaar, maar gelijktijdig. Het gaat in deze hoofdstukken niet over onze oergeschiedenis, maar Genesis bezingt waar het God om begonnen is en nu nog steeds om te doen is. Een belangrijk thema in deze in-beginsel-symfonie is: de mens is in het beeld van God geschapen én geneigd tot het kwade (Gen. 1,26v; 5,1v; 6,5; 8,21; 9,6). Als beeld van God kan de mens (mannen en vrouwen) op God gelijken door Gods daden te doen – verantwoordelijkheid te dragen voor het behoud van de schepping en te werken aan gerechtigheid en vrede onder de mensen – en zo zijn kwade aandrift creatief uit te baten ten goede.

In Genesis 3 – dat met Genesis 2 moet samen-klinken – gaat het niet over zondeval (het woord zonde komt er niet in voor!), erfzonde, de vrouw als verleidster en JHWH als straffende God, zoals latere uitleggers – Paulus, Augustinus – ons willen doen geloven. Genesis 3 laat zien hoe de mens als rentmeester van God met zijn verantwoordelijkheid omgaat in een wereld waarin onverklaarbaar kwaad aanwezig is.
De mens en alle dieren mogen volop leven in een tuin in Eden, een oase te midden van de woestenij. God is royaal voor zijn mens-in-meervoud. Van alle bomen, met lekkere vruchten, mag de mens volop eten. Slechts van één boom mag de mens niet eten: de boom van de kennis van goed en kwaad. Door van deze boom te eten zal de mens onherroepelijk sterven.
De mens is begrensd – schepsel – beeld van God, maar niet zelf God – schepper. De mens mag in zijn hoogmoed niet op de stoel van God gaan zitten. De mens mag zich niet zelf de maat van goed en kwaad toe-eigenen, hij blijft als schepsel verantwoording schuldig aan God, de schepper (3,5) die de maatstaf is voor de mens.

Zoals God onze hulp is (Ex. 18,4; Ps. 124,8), maakt hij voor de mens een hulp als een gelijkwaardig tegenover. De mens – mannelijk en vrouwelijk – in meervoud, schouder aan schouder, is beeld van God (1,27). Zoals God mensen nodig heeft, hebben mensen mensen nodig om met elkaar God te verbeelden en verantwoording te dragen voor heel de schepping voor het Aangezicht van God, de Barmhartige (Gen. 2).

In onze perikoop – Genesis 3,9-24 – wordt de mens door de Barmhartige ter verantwoording geroepen: Waar ben je (mee bezig)? De mens krijgt van God volop de kans om antwoord te geven en zich te verdedigen. Maar de mens schuift zijn verantwoordelijkheid af op zijn door God geschonken vrouw (en dus ook op God). De vrouw schuift haar verantwoordelijkheid af op de slang, deze verleidster! Ondanks deze wijze van omgaan met het kwaad laat de Barmhartige de mens en zijn vrouw – Adam en Eva – niet vallen. Het kwaad wordt gestraft opdat de mens (verder) kan leven. God vervloekt de slang en haar kroost. Tussen het kwaad en de vrouw met haar nageslacht zal vijandschap zijn (3,14v). De vrouw zal met pijn kinderen baren. Dit lijkt beperkt te blijven tot Eva, want over overdracht van geboortepijn wordt niet gesproken (3,16). De vervloeking van de aarde omwille van de mens geldt alleen voor de levensduur van Adam, want tot Noach zegt JHWH: ‘Nooit weer zal Ik de aarde vervloeken vanwege de mens!’ (3,21v). Gedurende zijn leven zal de man met grote inspanning voor zijn brood moeten werken. Nota bene: de dood is geen straf. De mens leeft een bepaalde tijd en sterft en wordt zo bevrijd van zijn inspanningen (3,17vv).

Met nog twee tekenen van barmhartigheid wordt ons verhaal besloten. De Barmhartige beschermt Adam en Eva met door hem zelf gemaakte kleren (3,21) – of bedekt hij hen met de Thora-rol?
Om te voorkomen dat zij zich aan het leven zelf vergrijpen – de boom van het leven – zet hij hen buiten de hof in Eden, opdat zij als bestraften én gezegenden hun opdracht op onze zuster moeder aarde kunnen blijven vervullen, van geslacht op geslacht (3,22vv; Ps. 145,8v).
De Barmhartige blijft het wagen met zijn mens, want hij kan zich afkeren van het kwaad en in vrijheid en verantwoordelijkheid beeld van God zijn én in zijn gerechtigheid doen op hem gelijken (vgl. Ez. 18,1-22).

De grote schuld van de mens zijn niet de zonden die hij begaat,
want de verleiding is machtig en zijn kracht gering!
De grote schuld van de mens is, dat hij ieder ogenblik
omkeer kan doen en het niet doet!
(Rabbi Bunam)

Lezing uit de Brieven: 2 Korintiërs 4,13-5,1
Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68.

Evangelielezing: Marcus 3,20-35
Op de berg (Ex. 19–20) stelt Jezus twaalf apostelen/afgezanten aan. Hij wil hen uitzenden om te verkondigen (1,15) en met volmacht demonen uit te drijven (3,13-19).
Onze perikoop begint in het eigen huis van Jezus (of dat van Petrus) in Kafarnaüm (1,29.21; 2,1). Een grote menigte stroomt samen, zodat Jezus en de Twaalf niet eens kans krijgen om rustig thuis te eten (3,7v.12).
Voor het eerst in het evangelie volgens Marcus komt hier de familie van Jezus uit Nazaret ter sprake (1,9). Het zijn zijn moeder Maria, zijn broers Jakobus, Joses, Judas en Simon, en zijn zussen (3,21.31-35; 6,3v). Zij willen hem met geweld meenemen (arresteren: 3,31; 6,17), omdat hij gek/buiten zinnen is (Jer. 12,6; Wijsh. 5,4). Misschien ook om hem te wijzen op zijn plicht van oudste zoon ten opzichte van zijn moeder – die wellicht weduwe is – en zijn jongere broers en zussen (3,2-21; 7,10-13).
Behalve een grote menigte en zijn familie komt er ook nog een theologencommissie: schriftgeleerden uit Jeruzalem – de stad waar Jezus vermoord zal worden (10,33v) – bij het huis van Jezus aan. Zij beschuldigen Jezus van een duivelsverbond met Beëlzebul, de vorst van de demonen (2 Kon. 1,2-17; Testament van Salomo 3,5-7).
Met een aantal parabels maakt Jezus voor de goede verstaander duidelijk dat dit niet het geval is. Bovendien zegt Jezus met de kracht van een profetenwoord: ‘wandaden en gods-lasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp’ (3,28v; 14,62vv).
Wat betekent lasteren (blasphèmeoo) tegen de heilige Geest? Volgens Rabbi Eleazar uit Modin: het verbond met Abraham verbreken en ontkennen dat de Thora van JHWH komt (Abot 3,15). In de concrete context van ons verhaal in Kafarnaüm betekent het: de kracht/ geest die in Jezus werkzaam is niet toeschrijven aan de heilige Geest (1,10), maar aan Beëlzebul, de satan, een onreine geest of het kwaad/ de slang (3,22-30; Gen. 3). Kortom: je radicaal afsluiten voor de werking van Gods Geest en zelf in je hoogmoed op de stoel van God gaan zitten: ik maak zelf wel uit…

Menen de moeder, broers en zussen van Jezus ook dat hij in de ban van een onreine geest – dus gek – is? Lasteren ook zij tegen de heilige Geest? Jezus laat zich door zijn familie niet inpalmen. Hij laat zijn blik gaan langs de mensen die in een kring om hem heen zitten. Hij relativeert de banden van het bloed (10,29v). Ieder die de wil van God doet – de weg van de Thora gaat – is mijn broer, zus en moeder (3,31-35).
De nieuwe beweging die rond Jezus ontstaat berust niet op bloedverwantschap, maar op geestverwantschap. De wil van God doen maakt hen tot broeders en zusters van elkaar, tot kinderen van God, de Vader, die niemand uitsluit (ook de moeder, zussen en broers van Jezus zijn uitgenodigd om de wil van God te doen).

Jezus gaat ons voor op de weg van een messiaanse gemeenschap, hij leert ons te onderscheiden tussen de hand van God en de hand van de duivel. Hij nodigt ons uit om de wil van God te doen, verantwoordelijkheid te dragen als beeld van God en ons steeds af te keren van het kwaad (Ps. 130; Gen. 3). In Jezus wordt opnieuw duidelijk dat God en mens elkaar nodig hebben tot zegen van elkaar en heel de schepping:
‘Zo spreekt God: Mijn Thora ligt in jullie hand, en het einde ligt in mijn hand, en beiden hebben we elkaar nodig. Zoals jullie mij nodig hebben om het einde te brengen, zo heb ik jullie nodig om mijn Thora te bewaren door te doen en zo naderbij te brengen het bouwen van mijn huis en van Jeruzalem’ (Rabbi Eleazar ha Kappar, Pesikta Rabbati, 31,1’44b).

Om voor elkaar te zijn uw oog en oor,
te zien wie niet gezien wordt, niet gehoord,
en op te vangen wie zijn thuis verloor…

om voor elkaar te zijn uw hand en voet,
te helpen wie geen helper had ontmoet:
wie dorst of hongert wordt getroost, gevoed …

om voor elkaar te zijn uw hart en mond,
om op te komen voor wie is verstomd,
voor wie gevangen zit of is gewond …

roept U ons, Christus, uw gezicht te zijn,
gerechtigheid en vrede, brood en wijn,
uw liefde, hoop, geloof – uw zonneschijn.
Halleluja!

(Delores Dufner/Gert Landman, LB 973)

Literatuur
K. Bras, Oog in oog. Christelijke mystiek in woord en beeld, Vught 2017
M. van der Graaff, Wormen en engelen, Amsterdam/Antwerpen 2017
R. Gradwohl, Uit joodse bronnen. Verklaring bij vijf Genesisteksten, ’s-Gravenhage 1988
H. Janssen OFM, ‘Ga! Om een zegen te zijn!’, in: Franciscaans Leven 1,83 (februari 2000) 12-20
H. Janssen & K. Touwen (red.), Een gezegend leven. Exegese en Preken, Vught 2013
P. Oussoren & R. Dekker, Buiten de vesting, Vught 2008, 307-322
G. Van Oyen, Marcus mee maken, Leuven/Voorburg 2006
R. Pirson, Genesis, ’s-Hertogenbosch/Leuven 2005
J. Smit, Het verhaal van Marcus, KBS 2011
H. Welzen, Tasten naar het Geheim. 62 oefeningen in Bijbelse spiritualiteit, Abdij Berne 2016


Preekvoorbeeld

U hebt dat vast ook wel eens meegemaakt in uw eigen leven: je hebt een drukke periode, ziet er misschien ook wel wat afgepeigerd, vermoeid uit, wallen onder de ogen, een bleek gezicht. Dan kijken je naaste familie en vrienden je een beetje meewarig aan en voegen je toe: Je moet goed om jezelf denken hoor! Dat is vast en zeker heel aardig bedoeld, maar je schiet er eerlijk gezegd maar weinig mee op! Vaak geef ik dan als antwoord: Het zou nóg beter zijn, als jij en ik sámen om mij zouden denken!
Zo ongeveer hetzelfde lijkt te spelen in het Evangelie van vandaag. Jezus heeft een immense populariteit gekregen. Ook als hij even rust zoekt thuis komen de mensen hem in groten getale achterna. Er is, zoals dat in het Evangelie staat, niet eens tijd om een hapje eten weg te werken! Als de familie van Jezus, zijn moeder Maria, zijn broers en zussen dat horen vinden ze dat het welletjes is geweest. Het lijkt er in hun ogen ook verdacht veel op, dat Jezus een burn out heeft opgelopen. Ze vragen zich af of hij nog wel goed bij zijn hoofd is. Hij vergeet helemaal om aan zichzelf te denken! Daarom gaan ze naar hem toe en willen hem meenemen, weg uit de chaos, tijd om bij te komen. En waar zou je dat beter kunnen doen dan bij je moeder thuis! Aan de ene kant is het fijn dat je mensen hebt op wie je altijd terug kunt vallen, maar de andere kant van het verhaal is dat die zorg ook wel heel erg verstikkend kan zijn.
Een andere groep ‘zorgzamen’ (tussen aanhalingstekens) zijn de theologen, de schriftgeleerden uit de grote stad Jeruzalem. Die groep voelt zich behoorlijk aangetast in hun gezag door het optreden van Jezus. En wat is dan een betere tactiek dan te proberen je opponent neer te halen! Niks zending van de hemelse Vader, niks wonderen in de naam van de Allerhoogste, maar: die Jezus waar jullie zo graag naar luisteren, is van de duivel bezeten. Die man met zijn mooie sprookjes van God, die van de mensen houdt en van ons verlangt dat we van onze medemens evenveel houden als van onszelf! En dat zou hij zeggen uit naam van de God die hij Vader was gaan noemen. Stel je dat eens voor: de God wiens naam je nog niet eens mocht uitspreken, je Vader noemen. Dat is haast godslasterlijk, zeggen de geleerde heren.
Doe maar gewoon, zeiden ze (en hoe vaak zeggen we hen dat niet na), dan doe je al gek genoeg! Dat is een levenshouding die ook in Nederland al lange tijd heel erg op prijs gesteld wordt: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg! Het is een houding waarmee je het verst schijnt te komen in je leven en in je loopbaan! Maar behoor je met die houding ook niet tot de grijze middenmoot? Zijn we daarom ook als christenen in dit land gaan behoren tot de groep die ‘er niet meer toe doet’? Mensen die je terug kunt vinden in gebouwen die één keer per week op zondag opengesteld worden voor een steeds kleinere groep mensen? Gewone mensen die zich gelukkig keurig aan de regeltjes houden? Kortom: mensen van wie je tenminste geen last hebt?
We hebben vandaag ook geluisterd naar een verhaal uit lang vervlogen tijden: het verhaal van de schepping. Het eerste boek uit het Oude Testament, maar in werkelijkheid pas veel later ontstaan dan de verhalen over de uittocht uit Egypte. Later dan de wetteksten uit het boek Leviticus. Het is een boek ontstaan in de periode dat het joodse volk ver buiten zijn eigen landsgrenzen in ballingschap gehouden werd. En dan voel je je wel heel klein, geloof me maar. In die tijd hebben ze veel en lang nagedacht over hoe het oorspronkelijk moest zijn geweest. Hoe waren de mensen op de wereld gekomen en, als er dan toch een goede liefhebbende God was, waarom zaten ze dan nu in de ellende? Een verhaal over God die werkelijk het allerbeste met zijn volk voorhad, die hen een paradijs had geschonken met planten om van te kunnen oogsten, met dieren, met alles wat je je maar wenste. De God die aan Adam ten slotte een gezellin, een vrouw, Eva, had geschonken, omdat al het moois van het paradijs de mens niet het ultieme geluk kon geven. Er ontbrak toen toch niks meer aan hun toekomst? Ja, dat zou je denken!
Maar er zit ook een kwaadaardige kracht in de mens. Waarom mochten ze van die ene boom in het paradijs nou niet eten? En ze lieten zich maar wát graag door de slang iets lelijks influisteren. Als ze van die ene boom zouden eten zouden ze aan God gelijk worden. En dat wíl je toch als mens! De gevolgen waren verschrikkelijk: ze werden helemaal niet aan God gelijk, maar teruggeworpen op hun schamele mensheid. Twee naakte mensen die zich schaamden voor hun naaktheid. Ze schaamden zich wellicht ook, omdat ze een gouden toekomst hadden vergooid. En waarom?
Dat kwaad is er tot op de dag van vandaag gebleven in onze wereld. Wat heeft een tiran als Adolf Hitler bereikt met zijn waanidee over het Duizendjarige Rijk? Wat wordt er bereikt met het krijgsgeweld in Libanon, in Afghanistan, in Syrië? Wat bereiken ze met hun gesjoemel in de auto-industrie? Waar gaan we naar toe met het steeds verder ingrijpen in de menselijke genen? Wat bereik je met een vete binnen de familie? Hebben we er iets aan, dat we als leden van die ene christelijke familie op elkaar afgeven?

Voor Jezus is het duidelijk dat er bij zijn volgelingen sprake moet zijn van een nieuwe, volstrekt unieke familie. Hij kijkt om zich heen en zegt: Ziehier mijn moeder en mijn broeders. Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil van God volbrengen (Mar 3,34v). Wij zijn de nieuwe familie van Jezus. Van ons wordt gevraagd om in hem te geloven! Hem te volgen in zijn manier van leven! En wie ons voor gek wil verklaren, moet dat maar doen! Altijd nog beter dan dat ze ons een duf, ingeslapen stelletje mensen vinden van wie de laatste het licht wel uit zal doen! Dat zou de doodsteek zijn voor een christendom dat er al eeuwen toe doet!


inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld Paul Verheijen

 

webdesign: Artis