10 februari 2019
Vijfde zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 6,1-2a.3-8; Ps. 138; 1 Kor. 15,1(3-8.)-11; Luc. 5,1-11

 

Inleiding

In Lucas 5 en Jesaja 6 gaat het over roeping. Dat is niet moeilijk te begrijpen en laat zich ook eenvoudig toepassen. Het is daarbij wel goed om te bedenken dat in ons spraakgebruik ‘je ergens toe geroepen voelen’ een flinke vervlakking is van datgene wat in deze bijbelteksten aan de orde komt. Het gaat daarin om hoge zaken: een uitnodiging door God of Jezus zelf om in woord en daad iets van God of Jezus door te geven aan mensen om je heen. Dat is heel wat. Weet waar je je mee inlaat.

Lucas 5,1-11
Vergeleken met Marcus en Matteüs besteedt Lucas veel aandacht aan het verhaal van de roeping van Simon, Jakobus en Johannes. Het staat midden tussen verhalen over genezingen door Jezus. Er kan geen twijfel over bestaan dat de door Jezus genezen bezetene gelijk had toen hij uitriep, voordat Jezus de demon eruit joeg: ‘Ik weet wel wie jij bent, de heilige van God’ (4,34). Jezus zelf had het daarna ook nog eens duidelijk gezegd: ‘Ik moet het goede nieuws over het Koninkrijk van God brengen, want daarvoor ben ik gezonden’ (4,43). Stap voor stap betrekt hij daar nu Simon bij. Simon stond er bij de genezingen met de neus bovenop, zeker toen Jezus zijn schoonmoeder genas (4,38v). Van haar wordt vermeld dat zij nu onmiddellijk Jezus dient. Bij Simon is het op dat moment nog niet zo duidelijk of hij Jezus zal volgen. Wel betrekt Jezus hem steeds meer bij zijn werk.
            De volgende stap is dat Jezus aan Simon vraagt om zijn boot ter beschikking te stellen van de prediking. Jezus gebruikt het als een soort spreekgestoelte. Het biedt hem de gelegenheid om een beetje afstand van zijn gehoor te houden. Hij onderwijst zittend (5,3).
            De volgende stap is dat Jezus Simon aanspreekt op zijn beroep. Dat is een slimme zet, want mannen praten graag over hun werk. Simon moet wel even slikken als Jezus zich op zijn terrein begeeft en zelfs suggereert dat hij beter weet dan hij als een ervaren visser hoe hij vis moet vangen. Blijkbaar is Simon toch al gegrepen door wat hij van Jezus heeft meegemaakt, want hij gelooft Jezus op zijn woord. Toch is hij verbaasd om de uitkomst. Als de vangst ongelofelijk goed blijkt te zijn, gaat hij door de knieën. Hij is om en durft nu ook zelf de stap te zetten om Jezus te volgen. Hij verwisselt zijn bestaan als visser naar dat van ‘visser van mensen’. Het is een mooie beeldspraak, die zoals veel beeldspraak ook voor misverstand vatbaar is. Jezus geeft ermee aan dat het iets is dat ook bij een man als Simon past. Het is niet de bedoeling om de beeldspraak te betrekken op de mensen aan wie hij net als Jezus de boodschap van het Koninkrijk van God zal gaan brengen. Het zal niet zo zijn dat zij zich gevangen zullen voelen als vissen in een net.

Beter is het om aandacht te geven aan de eerste reactie van Simon. Geconfronteerd met Jezus’ macht beseft hij dat dit hem verre te boven gaat. Juist omdat het zo dichtbij komt, ziet hij hoe groot het verschil is met het leven dat hij altijd geleefd heeft. Hij schrikt ervan en zijn eerste reactie is dat hij de afstand weer wil herstellen: ‘Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Heer’, roept hij (5,8).
           Hij ziet nu ook wat eerder de bezetene begreep. Hij roept Jezus aan als ‘Heer’ en geeft aan dat hij in feite net zo ver van hem af staat als de demon in de bezetene. Net zoals eerder verteld werd dat Jezus de boze geest had doen ‘uitgaan’ (4,35), zo is het volgens Simon beter als Jezus van hem ‘uitgaat’. Daarbij is het punt van vergelijking niet dat Jezus is zoals de demon, maar de afstand tussen het menselijke en het bovenmenselijke.

Jesaja 6,1-8
In zijn reactie lijkt Simon op de profeet Jesaja. Het verhaal van zijn roeping heeft veel raakvlakken. Op het eerste gezicht lijkt Jesaja meer dan Simon geschikt voor een hogere roeping. Hij bevindt zich al in goede sferen, namelijk in de tempel. Maar als hij echt geconfronteerd wordt met God die zich openbaart, dan blijkt dat toch wel meer te zijn dan wat je doorgaans in de georganiseerde godsdienst mag verwachten.
            Jesaja krijgt een visioen waarbij zijn wereld door elkaar wordt geschud. Het is alsof hij nu meemaakt wat eerder ook Mozes bij zijn ontmoeting met God zelf meemaakte toen de berg Sinai ervan beefde, of toen God zijn aanwezigheid liet blijken door de tabernakel te vullen met zijn heerlijkheid als met een wolk (Ex. 40,34v) en dat later nog eens deed toen Salomo de tempel inwijdde (1 Kon. 8,10v). Jesaja bevond zich in diezelfde tempel, maar hij beseft wel dat wat hij nu meemaakt de gebruikelijke eredienst verre te boven gaat. De eredienst is – nog steeds – een manier van gedenken en present stellen van de kernmomenten uit de geschiedenis met God. Wat in het verleden gebeurde, werkt zo door in het heden en gebeurt als het ware opnieuw als die ontmoeting met God in woorden in herinnering wordt geroepen en in rituelen wordt uitgebeeld.
            Wat Jesaja meemaakt is meer dan een herinnering. Wat er bij Mozes en Salomo gebeurde, vindt opnieuw in alle hevigheid plaats. Hier past een mens bescheidenheid. Jesaja denkt zelfs dat hij eraan onderdoor zal gaan. Er is een engel en een aansprekend symbool van zuivering voor nodig om hem zover te krijgen dat hij het aandurft om zijn ervaring met anderen te gaan delen. Bij Jesaja is dat in eerste instantie de boodschap dat zijn volk tot hetzelfde inzicht zal moeten komen: dat ze zondig zijn en dat er verzoening nodig is. In het volgende hoofdstuk komt daar echter ook de goede boodschap bij dat God zijn volk niet in de steek zal laten. Van de naam van het kind dat geboren zal worden, zal het zijn af te lezen: Immanuël, ‘God is met ons’ (Jes. 7,14).

Wie zich deze verhalen over de roeping van Simon en Jesaja eigen wil maken, zou kunnen beginnen met het besef dat die roeping plaatsvindt waar mensen zich thuis voelen. Bij Simon was dat op zijn vissersboot en bij Jesaja in de tempel. De roeping vindt plaats in een vertrouwde omgeving en sluit aan bij de verwachtingen die men daarbij heeft. Bij Simon gebeurt het in de visvangst, bij Jesaja in de eredienst. In beide gevallen worden de stoutste verwachtingen overtroffen: ongelofelijk veel vis en een openbaring die alle woorden en rituelen daarover te boven gaat. Daaraan wordt gekoppeld dat God op zijn beurt meer verwacht van Simon en Jesaja dan zij zelf ooit van zichzelf hadden kunnen bedenken.     
           Nadenkend over de vraag of wij nu ook iets van roeping kunnen ervaren, zou je uit deze lezingen kunnen afleiden dat je het niet te ver moet zoeken. Als God ons roept zou dat heel goed kunnen gebeuren in je eigen leefwereld. Dat kan de wereld van je dagelijks werk zijn, zoals bij Simon; het kan ook je kerkelijke omgeving zijn of een andere vorm waarin jij je spiritueel thuis voelt.
           De verhalen over Simon en Jesaja vertellen ons ook dat een mens niet te gering over zichzelf moet denken, al is er soms misschien een engel of andere boodschapper van God nodig om dat duidelijk te maken. Bedenk daarbij ook dat roeping in kan houden dat je weggeroepen wordt uit een vertrouwde wereld. Simon trok zijn schip aan wal en Jesaja verliet de tempel. Soms moet je ook afstand nemen om beter te zien waar je mee bezig bent en om te bezien of je goed bezig bent.

 

1 Korintiërs 15,1(3-8.)-11
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

 

Preekvoorbeeld

1. Alle lezingen van vandaag spreken over uitverkiezing. Uitgangspunt is de overtuiging dat iedere gelovige een eigen opgave heeft. In de eerste lezing worden wij geconfronteerd met een unieke opdracht uit het Oude Testament: Jesaja’s visioen van de Heer, gezeten op de verheven troon omringd door serafijnen. Hij voelt zich verloren. Dit is karakteristiek voor iedere zending: zij begint met de ervaring van de absolute afstand, de bodemloze discrepantie tussen de persoon en de zending die hij krijgt.

2. Hetzelfde gebeurt in het evangelie bij de uitverkiezing van Simon Petrus. Het enige onderscheid is dat aan het visioen van de almacht, van de totale suprematie van Jezus een act van gehoorzaamheid vooraf gaat, die de prediking van Jezus reeds beluisterd heeft en onder de indruk van zijn verkondiging was gekomen. Tegen zijn ervaring als visser in, gehoorzaamt Petrus het absurde bevel om de netten uit te werpen. Hier herhaalt zich de ervaring van de onoverbrugbare distantie. Jesaja: ‘Wee mij, ik ben verloren’, Petrus: ‘Heer, ga weg van mij, ik ben een zondaar’.
            Geen enkele zending kan aan de ervaring van distantie – en de echte zending komt immers van God – ontkomen. Enkel in deze leegte, in deze afstand geeft God Petrus de zending mensenvisser te worden. Deze opdracht gaat gepaard met vrees: geconfronteerd met de macht van Jezus beseft hij dat dit hem ver te boven gaat. Immers, omdat dit zo nabij komt, ziet hij hoe groot het verschil is met het leven dat hij altijd geleid heeft. Hij schrikt ervan en zijn eerste reactie bestaat erin dat hij de afstand wil herstellen.
           De aanmaning ‘vrees niet’ vinden we terug in alle roepingsverhalen, ook bij dat van Maria bijvoorbeeld, die zich voor God als ‘de nederige dienstmaagd’ ervaart, vooraleer God ‘grote dingen’ aan haar heeft gedaan. De zending ‘mensenvisser’ te worden staat buiten proportie met zijn eigen ‘ik’, dat vrees geen zin meer heeft. Hier helpt enkel nog spraakloze gehoorzaamheid: ‘Zij brachten hun boten aan land, lieten alles achter en volgden hem.’

3. In de tweede lezing komt Paulus aan het woord die zichzelf een ‘misgeboorte’ noemt. Als vervolger van de kerk van Christus heeft hij alle redenen om de hiaat tussen zijn persoon en zijn opdracht ter sprake te brengen: ‘Ik ben de geringste onder de apostelen, niet waardig apostel genoemd te worden.’ Zijn zending was meer dan die van de andere apostelen een machtsdaad van God: hij wordt bij het naderen van Damascus verblind daar hij net zoals Jesaja, de hemelse Heer in de glorie aanschouwd heeft en nu als blinde de stad in geleid dient te worden. De zending resulteert niet uit een persoonlijk appel maar aan de hand van een zakelijke mededeling: ‘Ga de stad in, daar zal men u zeggen wat u te doen staat.’
            Even zakelijk is de bemiddeling van Ananias: ‘Ik wil hem tonen, hoeveel hij omwille van mijn naam lijden moet’ (Hand. 9,1-22). Dergelijke vernederingen achtervolgen Paulus op zijn ganse zendingsweg, hij wordt behandeld ‘als het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid’ (1 Kor. 4,13). En alsof dit nog niet voldoende was, werd hem ‘een doorn in het vlees gestoken: ik word gekweld door een engel van Satan om te verhinderen dat ik mijzelf zou verheffen’ (2 Kor. 12,7). Wanneer hij vaststelt dat hij meer gewerkt heeft dan alle anderen, moet hij er onmiddellijk aan toevoegen: ‘Niet ik maar de genade van God in mij.’

De teksten die ons vandaag in de liturgie worden aangereikt, hebben allemaal met roeping en zending te maken. Iedere roeping begint met de ervaring van absolute afstand. Men vindt zichzelf onwaardig. God maakt echter duidelijk dat de mens niet te gering over zichzelf moet denken, al is er soms een engel of een boodschapper van God nodig om ons dat duidelijk te maken.

 

inleiding prof. dr. Klaas Spronk
preekvoorbeeld prof. dr. Ernest Henau

webdesign: Artis