1 juli 2018
Dertiende zondag door het jaar

Lezingen: Wijsh. 1,13-15; 2,23-24; Ps. 30; 2 Kor. 8,7.9.13-15; Mar. 5,21-(24.35-)43(B-jaar)

 

Inleiding

Wijsheid 1,13-15 – De glorie van God is de levende mens
Perikopen uit het bijbelboek Wijsheid zijn in het driejaarlijkse leesrooster relatief veel opgenomen: bijna net zo veel als bijvoorbeeld uit het boek Exodus (10 x respectievelijk 13 x). Dat is opvallend, want Wijsheid is volgens de katholieke opvatting een deuterocanoniek boek. Het behoort zogezegd tot de tweede garnituur. In protestantse Bijbels wordt het als apocrief beschouwd, dat wil zeggen dat het niet is opgenomen in de canon (officiële lijst) van authentieke bijbelboeken. Toch is het niet zo verwonderlijk dat er in de liturgie regelmatig uit Wijsheid wordt gelezen. De onderwerpen die er in worden aangesneden hebben rechtstreeks van doen met vragen die ieder mens tegenkomt. Wat is rechtvaardig in het leven? Wat deugdzaam? Hoe word ik gelukkig? Wat is voorspoed? En vooral: hoe staan dergelijke vragen in relatie tot het geloof in God en de verhalen die over hem in de Bijbel te vinden zijn? Sommige stukken uit Wijsheid hebben het karakter van een midrasj, een actuele herinterpretatie van bijvoorbeeld gedeelten uit Genesis, Exodus of Jesaja.
               Dat het boek ooit werd toegeschreven aan koning Salomo, is het gevolg van het feit, dat de auteur in het tweede deel (vanaf 6,22) een ik-figuur ten tonele voert die steeds meer de trekken krijgt van de beroemde koning Salomo, hoewel diens naam zelf nergens valt. Zo lezen we in 9,7v dat deze ik-figuur de opdracht krijgt de tempel te bouwen. Voor wie geen vreemde in Jeruzalem is, laat deze vingerwijzing aan duidelijkheid niets te wensen over. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen, dat Salomo degene is, die dit boek geschreven heeft. Hij is een literair personage aan de hand waarvan de boodschap van het boek levendig over het voetlicht wordt gebracht. Wie de auteur dan wel is, weten we niet. Wel wijst alles erop, dat hij in de eerste eeuw voor onze jaartelling heeft geleefd, Jood was in de diaspora, en vermoedelijk in Alexandrië zijn pen op papier heeft gezet. En dat deed hij niet in het Hebreeuws, maar in het Grieks. Een rode draad in zijn boek is de confrontatie tussen opvattingen uit de Hellenistische cultuur van zijn dagen die hij soms overneemt en zijn eigen Joodse tradities.

De eerste lezing komt uit het begin van het boek en verbindt twee passages die qua onderwerp nauw op elkaar aansluiten (1,13vv en 2,23v).
               De eerste passage valt nu een beetje uit de lucht maar is eigenlijk redengevend met het voorgaande verbonden en begint met ‘want’ (in de lezing weggelaten). Wat voorafgaat (1,1-12) is een waarschuwing om gerechtigheid en wijsheid niet uit het oog te verliezen (dus asjeblieft geen kromme redeneringen, bedrog, laster etc.) en zo de dood in de armen te lopen, ‘want God heeft de dood niet gemaakt’. De ondergang van de levenden geeft hem geen genoegen. De heilzaamheid van heel de schepping staat bij hem immers voorop. Er zit geen vergif in. Vergelijk het zevenvoudige tof van Genesis 1. De gerechtigheid trekt uiteindelijk aan het langste eind en de onderwereld heeft het nakijken. Kerkvader Irenaeus van Lyon (tweede eeuw) heeft dezelfde gedachtegang ooit kernachtig onder woorden gebracht: Gloria enim Dei vivens homo, vita autem hominis visio Dei (de glorie van God is de levende mens, en het leven van de mens is het zien van God).
               De tweede passage (2,23v) vormt opnieuw de afsluiting van een voorafgaand exposé (1,16–2,22) waarin de auteur stil staat bij een levenshouding waarin de dood de regie neemt. Er is sprake van een verbond met de dood (1,16), het zoveel mogelijk van alles profiteren, omdat het met de dood toch gedaan is (2,6-9), het onderdrukken en uit de weg ruimen van hen die anders in het leven staan, want dat voelt als een stil verwijt (2,10-20). Maar, aldus de schrijver, zij die zo leven, dwalen. Zij snappen niet, dat God een heilig en onberispelijk leven beloont en dan volgt de passage waarin de auteur varieert op de boodschap van Genesis 1–3 (zie in het bijzonder 1,26v, 2,17 en 3,3.14.19). Deze variaties staan niet los van de Hellenistische cultuur waarin deze Joodse schrijver leefde. Zo gebruikt hij de in zijn tijd populaire term (geschapen tot) ‘onbederfelijkheid’ (in het missaal ‘onsterfelijkheid’; nbv: ‘eeuwigheid’). Ook de mens als beeld Gods krijgt hier een nadere toespitsing: icoon van Gods eigen eeuwigheid (of wezen, zo het missaal) en de slang uit Genesis 3 heet nu ronduit de duivel (vgl. Joh. 8,44 en Apok. 12,9). Uit dit alles blijkt, dat de auteur van Wijsheid toch wat anders aankijkt tegen eerdere opvattingen binnen zijn eigen Joodse traditie, waarin aan een leven na dit leven nauwelijks aandacht wordt geschonken.

2 Korintiërs 8,7.9.13-15
Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68

Marcus 5,21-(24.35-)43 – Twee verhalen ineen
n het evangelie van Marcus zijn twee wonderverhalen op bijzondere wijze met elkaar verbonden: de opwekking uit de dood van het dochtertje van de synagoge-overste Jaïrus en de genezing van een vrouw die jarenlang aan bloedvloeiing leed. Marcus vertelt ze niet gewoonweg na elkaar, maar begint met de een, voegt dan het andere verhaal in en keert vervolgens weer terug naar het eerste verhaal. Daarmee voert hij de spanning danig op, want aanvankelijk leeft het dochtertje nog, hoewel ze stervende is, maar na de genezing van de zieke vrouw verteld te hebben, is het meisje inmiddels gestorven. Op ingenieuze wijze legt Marcus allerlei verbanden tussen de twee verhalen. De zieke vrouw, die Jezus aan het slot dochter noemt, heeft net zo lang aan haar ziekte geleden als het dochtertje van Jaïrus heeft geleefd (12 jaar). Lichamelijke aanrakingen (voet, hand, kleed) zijn een terugkerend element. Maar het belangrijkste is, dat in beide zowel geloof in Jezus, als redding en leven de ankerpunten zijn.

Marcus 5,25-34: geloof in Jezus als heiland
Het beschreven gebeuren, genezen worden door het kleed van Jezus aan te raken, staat ver af van onze moderne wereld met zijn medische wetenschap. Het past meer bij de wondere wereld van mirakelwerkers uit de Grieks-Romeinse samenleving die werden vereerd om hun dunamis (wonderkracht, vgl. v. 30) of bij de middeleeuwse reliekenverering zoals die van de Heilige Rok in Triër. Het is overigens niet denkbeeldig dat Marcus gebruik heeft gemaakt van bepaalde literaire clichés uit die contemporaine verhalen over wonderdoeners. Toch is de boodschap een andere en zijn verhaal getekend door een grotere soberheid. Hier geen geheime toverformules of uitvoerige manipulaties, maar Jezus die vraagt en nuchtere leerlingen die zijn vraag nogal vreemd vinden (v. 30-31). De kern is echter de ontmoeting met Jezus (Hij ziet haar, v. 32) en het gesprek tussen hen (v. 33-34). Het centrale woord daarin is sooizein (v. 34, vgl. 28): wat redden, genezen, in leven houden betekent. Het heeft een diepere laag dan alleen lichamelijk gezond worden. Het gaat Marcus er hier uiteindelijk om dat de lezer gaat geloven in de sooter (heiland; verlosser, afgeleid van sooizein), en dat hij net als de zieke vrouw kennis zal maken met de dingen (de waarheid?) omtrent Jezus (v. 27).

Marcus 5,35-43 – proleptische paasmuziek
Tijdens dit gesprek van Jezus met de genezen vrouw is, zoals gezegd, het meisje overleden. De vader heeft er dus niet eens bij kunnen zijn en hij had Jezus nog zo gesmeekt dat zij gered zou worden (opnieuw sooizein) en zou leven (v. 23). Jezus wordt daarvan op de hoogte gebracht. Maar, zo staat er in veel handschriften, hij hoort het niet (anders in het missaal). Jezus gaat aan het doodsbericht voorbij en vraagt de vader om niet te vrezen, maar te geloven. Eenmaal binnen in diens huis, te midden van de rouwende omstanders, zegt Jezus het nog duidelijker: ‘zij is niet dood, zij slaapt’. Hij ziet het meisje, zoals God haar ziet. Dan pakt hij haar hand en zegt in het Aramees: ‘Meisje sta op.’ Prompt staat zij op, loopt rond en krijgt te eten. Met dit verhaal is de problematiek van leven en dood, waarover het ook in de eerste lezing gaat, natuurlijk niet opgelost. Het meisje zal ooit sterven, evenals de vrouw die van haar kwaal genezen werd, en net als wij allemaal. We hoeven het wonder (des Glaubens liebstes Kind) ook niet plat te slaan door een schijndood te vooronderstellen. In ieder geval ging Marcus zelf daar niet van uit. Zijn evangelie wil het geloof van Jezus dat God de dood overwint, verkondigen. Voor het eerst klinkt hier paasmuziek. Nog zachtjes, omringd door rouwklachten, spot en gelach, niemand mag het eigenlijk nog weten, maar niet meer ongedaan te maken.

Literatuur
Panc Beentjes, Wijsheid van Salomo, Boxtel 1987

 

Preekvoorbeeld

Een cirkel zonder begin of einde
Het evangelie van vandaag gaat over het moeilijkste onderwerp van het leven: de dood. De dynamiek van sterven en leven is het hart van ons christendom. We geloven dat de dood niet het laatste woord heeft. We geloven dat God ons sterven niet heeft gewild. God heeft de mensen en de wereld geschapen voor het leven. De onvermijdelijke dood brengt ons verdriet en onbegrip. Zij stelt ons vragen, meer dan dat zij een antwoord is. In het verhaal en de boodschap van Jezus wordt de dood overwonnen. Hij die gestorven is leeft. Zijn opstanding is het perspectief waarin we zijn boodschap moeten plaatsen. Na de dood is leven mogelijk, na schuld is vergeving mogelijk, na ziekte is genezing mogelijk.
               In ons verlangen naar het leven is de dood, maar ook ziekte en ouderdom, een gegeven waarmee wij moeten leven. Maar dood, ziekte of eenzaamheid hoeven niet het laatste woord te hebben. Wij mogen antwoorden. Wij proberen erop te reageren. Zo wordt het leven een dialoog. Als een cyclus waarvan we het begin en eind niet kunnen overzien. Op deze manier wil ik vandaag naar het Evangelieverhaal van Marcus kijken; als een cyclus waarin de overgang tussen de verschillende levensfasen niet altijd even duidelijk is. Maar waarin wij na elke vraag die het leven ons stelt naar een hoopvol antwoord mogen zoeken.

Man, vrouw of meisje
In het verhaal van vandaag geneest Jezus twee vrouwen. Het is bijzonder dat er maar liefs twee vrouwen een belangrijke rol spelen in een bijbelverhaal. Meestal zijn het overwegend mannen die de hoofdrol en de bijrol spelen. Wanneer we verder lezen, begrijpen we waarom de persoon in de menigte geen man kán zijn; het is een vrouw die last heeft van bloedvloeiingen.
               De eerste vrouw bloedt al twaalf jaar. De tweede vrouw is een meisje van twaalf. Twee keer het getal twaalf, dit getal zegt ons dat hier een plan van God achter zit; de tijd is vol. Of misschien is het een tijd van overgang van het ene naar het andere; het meisje wordt een vrouw. Zouden bij haar de bloedingen zijn begonnen? Een vrouw die menstrueert kan het leven doorgeven. Maar dit meisje is zelf op sterven na dood.
               Of toch niet? Zou alleen het kind zijn gestorven en de vrouw ontwaakt? En zou de bezorgde vader dat niet begrijpen en zoekt hij daarom in paniek naar hulp? En zou de afwezige moeder dat wel snappen en is zij daarom rustig aan het werk gegaan en komt zij daarom niet in het verhaal voor?

Levensverhaal of heilsgeschiedenis
Het is fijn als in een bijbelverhaal mannen én vrouwen ten tonele komen. Het lezerspubliek bestaat immers ook uit vrouwen en mannen die zoeken naar herkenningspunten uit hun eigen leven. Ik vind het jammer wanneer de rol van vrouwen overwegend wordt gestuurd door hun lichamelijke kenmerken. Het herleidt haar tot een rol als moeder, bruid of overspelige vrouw.
               Als bloedende vrouw de boeken ingaan is toch minder eervol dan als visser, timmerman of overste van de synagoge. Als bloeden je enige verdienste is, als mensen je dááraan moeten herkennen… Dat is toch een heel beperkte ‘status update’.
               Behalve dat het bloeden voor vrouwen lastig en pijnlijk kan zijn, was het in de tijd van Jezus ook taboe. Dat is op veel plekken nog steeds zo. Ik denk aan het project AFRI Pads (www.afripads.com) dat duurzaam herbruikbaar maandverband verstrekt aan meisjes in Uganda. Tijdens hun menstruatie konden meisjes zichzelf niet adequaat verzorgen en daarom dus ook niet naar school. De eenvoudige katoenen verbanden zijn een adequaat antwoord op dit isolement; de meisjes kunnen naar school en gaan daarmee mogelijk een andere toekomst tegemoet.
               In Jezus’ tijd werden vrouwen die bloedden volgens de Levitische wetten gezien als onrein. Het is dus ongebruikelijk dat een vloeiende vrouw iemand ongevraagd aanraakt. Of misschien had ze geen keus en ziet zij dit als haar enige kans op genezing. Ze moet sterk hebben geloofd in de genezende werking van de aanraking van Jezus. En terecht, want niet alleen verandert zij door de aanraking, ook Jezus ervaart de verandering. Er gebeurt iets grensoverschrijdends in dit contact tussen de zogenaamd onreine, bloedvloeiende vrouw en de redder uit Nazaret. Een schijnbare tegenstelling tussen rein en onrein vervaagt. Een sterk geloof doet wonderen. De vrouw geneest door de aanraking. De vraag of dit medisch wetenschappelijk mogelijk is, is omstreden. Maar bij het ontberen van menselijk contact ga je dood, dat weten we wel. Meer nog dan eten en drinken hebben mensen behoefte aan verbinding. Dit is wat Jezus doet met zijn aanraking; hij haalt haar uit haar isolement. De vrouw staat weer letterlijk in contact met haar omgeving. Jezus ziet haar niet als onrein, als iemand die je uit de weg moet gaan. Maar als dochter, iemand waar je zorg voor moet hebben. Niet alleen Jezus ziet haar, ook de leerlingen merken haar op. Ineens staat deze vrouw in het centrum van de aandacht.

Patiënt of kostenpost
Iedereen die wel eens ziek is geweest zal dit herkennen. Zorg en aandacht zijn van levensbelang voor herstel. Helaas is binnen onze gezondheidszorg door gebrek aan geld steeds minder tijd over om mensen deze aandacht te schenken. In debatten over de zorg en zorgkosten lijken mensen te worden herleid tot verzekeringspolis of kostenpost. Terwijl wij deze patiënten ook kunnen zien als zonen en dochters die aan onze zorg zijn toevertrouwd. De genezing die Jezus in het verhaal volbrengt wordt daarmee actueel en een opdracht voor ons allen. Wij moeten er voor waken zieken en ouderen naar de rand van onze samenleving te verplaatsen. Wij moeten niet te snel weglopen bij iemands bed, naar buiten; op zoek naar een deskundige die genezing brengt. Want dan blijft de patiënt ondertussen alleen in bed achter. Zorg moet in de eerste plaats worden geboden in het hart van onze gemeenschap. In het centrum van onze aandacht.
               Maar wij volgen niet alleen Jezus. Wij volgen ook de bloedvloeiende vrouw die ons leert dat je om zorg kunt vragen. Sterker nog, zij neemt het ongevraagd. Zij creëert een mogelijkheid om haar behoefte te vervullen, daarmee opent ze voor haarzelf de deur naar genezing. Dit is dapper, zelfbewust en krachtig. Ook Jaïrus gaat zelf op pad om de juiste zorg voor zijn dochter in huis te halen. Hij wacht niet af maar komt in actie. Helaas komt goede zorg niet altijd vanzelf naar ons toe. En Jezus lijkt door het oponthoud onderweg te laat te komen. Ook dit beeld herkennen we van de wachtlijsten in de zorg.

Ontwaken
Het meisje is niet dood en ook niet ziek, zij slaapt. Iedereen met pubers in huis weet hoe die vaak niet uit bed te branden zijn. Ze hebben die slaap ook nodig want ze zijn volop in ontwikkeling. Het leven biedt hen nog zo veel onzekerheden en keuzen. Er is zoveel te ontdekken en waar te maken. Ze moeten langzaam ontwaken in het volwassen leven. Met verantwoordelijkheden en verwachtingen. Liever blijven ze nog even soezen. Nog even spelen met de knuffels in dromenland. Ze zijn als Adam en Eva in het paradijs, spelende kinderen zonder zorgen. Morgen wacht de grote mensenwereld waarin van alles moet. We zouden niet terug willen naar deze kindertijd en dat kan ook niet. We hebben onze verantwoordelijkheden. De zorgeloosheid van een slapend kind kunnen we niet langer handhaven. Dat zou een illusie zijn. Een droom die bedrog is.

Overgang
In het Museum Aan de Stroom in Antwerpen zag ik een tentoonstelling met maskers en kleren die gebruikt werden tijdens initiatieriten. Traditioneel gebeurde dit in speciale kampen buiten de dorpen en buiten de gemeenschap. Tijdens een afzonderingsperiode droegen de ouderen hun kennis over aan de jongeren. Deze overgangsrite werd geduid als een tweede geboorte. Vanuit de rand van het dorp kwamen ze terug in het centrum als volwaardige ontwaakte dorpsgenoten. ‘De jongeren stierven een schijndood en werden als man of vrouw herboren’, las ik op het kaartje in het museum. En ik dacht aan het dochtertje van Jaïrus. Maar ik herkende ook de beweging van afzondering en weer ontwaken in het centrum van de aandacht van de bloedvloeiende vrouw.

Bloed, zweet en tranen
Een slapend kind is een prachtig beeld van zorgeloosheid en belofte. Als een boodschap uit een andere werkelijkheid. Een overgang van de ene naar de andere wereld. Geloof kan ons ook doen ontwaken uit een droom. De werkelijkheid zien zoals die is. Jezus wilde mensen wakker maken voor zijn boodschap. De komst van het Rijk van God.
               Wie denkt dat hij dan op een roze wolk belandt kan beter weer schapen gaan tellen. Want het Rijk van God is geen luilekkerland waar je achterover kan leunen. Het is de bedoeling dat we de handen uit de mouwen steken. Wakker worden! Genoeg gerust en aan het werk. En dit kost nou eenmaal bloed zweet en tranen…

 

inleiding dr. Piet Hoogeveen
preekvoorbeeld drs. Sanneke Brouwers

webdesign: Artis