1 april 2018
Paaszondag

Lezingen: Hand. 10,34a.37-43; Ps. 118; Kol. 3,1-4 (1 Kor. 5,6b-8); Joh. 20,1-9

 

Inleiding

Geloof dat bevrijdt en doet leven
In de lezingen van deze Paasmorgen gaat het over geloven dat vrijmaakt en doet leven.
Je moet wel een weg afleggen om tot geloven te komen, omdat allerlei belemmeringen en obstakels dat kunnen verhinderen.
Getuigenissen van anderen en verhalen kunnen je op die weg begeleiden, maar de uiteindelijke stap zul je zelf moeten zetten om te komen van weten naar verstaan. En dat kan je alleen gegeven worden. De bijbelse verhalen duiden daarop wanneer zij spreken over een visioen.
De toespraak van Petrus tot Cornelius en zijn familie, de woorden van Paulus tot de inwoners van Kolosse en het optreden van Maria van Magdala, Petrus en Johannes in het evangelie worden ons aangereikt op deze Paasmorgen, opdat wij mogen geloven in Jezus, de Levende, om ons te doen leven in zijn Naam.

Handelingen van de Apostelen 10,34a.37-43
In de eerste lezing horen we over het optreden van Petrus in Caesarea. Daar verkondigt hij aan de heidenen het geloof in Jezus Christus. Er gaat echter wel het nodige aan vooraf, voordat het zover komt.
Een zekere Cornelius, officier in het Romeinse leger, dat in die stad een legerplaats heeft, heeft Petrus laten roepen. Van deze Cornelius, een heiden, is eerder verteld dat hij een godvrezende is. Dat wil zeggen dat hij sympathiseert met de joodse godsdienst. Hij is het volk zeer goed gezind en bewijst het veel liefdadigheid (10,1v).
Het handelen van Cornelius en van Petrus komt niet voort uit eigen initiatief. Hun ontmoeting is een vrucht van genade, van goddelijke ingeving. Zij worden beiden in hun doen en laten duidelijk geleid. Cornelius krijgt een visioen, waarin een engel hem de opdracht geeft om een zekere Simon, die ook Petrus genoemd wordt, te laten halen. Ook Petrus krijgt een visioen, dat hem voorbereidt op de komst van de dienaren van Cornelius (10,9-16).
Ook in het vervolg van het verhaal is het Gods Geest die leiding geeft aan het gebeuren. Zozeer, dat Petrus tot het inzicht komt: ‘Nu weet ik zeker dat God geen aanzien des persoons kent, maar dat iedereen, ongeacht het volk waartoe hij behoort, Hem welgevallig is als hij godvrezend is en gerechtigheid doet’ (10,34b-36).
En vervolgens verkondigt Petrus aan Cornelius en aan zijn familie en vriendenkring Jezus, gekruisigd en opgewekt op de derde dag (de eerste lezing van vandaag). Als vervolgens de heilige Geest op de toehoorders neerdaalt, geeft Petrus de opdracht om hen allen te dopen in de Naam van Jezus Christus (10,44-48).
Geleid door de Geest zetten Cornelius en Petrus stappen, waarmee zij bestaande grenzen overschrijden. Het geloof van Petrus is niet statisch, maar staat open voor een nieuw inzicht en een nieuwe verstaanshorizon.

In de Handelingen horen we meer toespraken van Petrus, waarin hij getuigenis geeft van het geloof in Jezus. In die toespraken legt hij steeds bepaalde accenten, passend bij degenen tot wie hij de toespraak richt. Zijn Pinksterpreek in 2,14-36 richt Petrus tot ‘Joden, inwoners van Jeruzalem’ (2,14) en via hen tot heel het huis van Israël (2,36). In 3,12-26 geeft Petrus onderricht aan het verzamelde Joodse volk, nadat hij bij de tempelpoort een verlamde heeft genezen. In beide toespraken spreekt hij het volk erop aan dat zij erin hebben toegestemd dat Jezus is overgeleverd en door de hand van wetteloze mensen aan het kruis is geslagen. Ook al zegt hij erbij dat zij ‘in onwetendheid hebben gehandeld, net als hun leiders’ (3,17). Beide keren klinkt de oproep om zich te bekeren: ‘Bekeer u! Ieder van u moet zich laten dopen in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden’ (2,38), én: ‘Kom daarom tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden worden uitgewist’ (3,19).
In zijn toespraak tot de godvrezende Cornelius en zijn familie heeft Petrus het niet over bekering: Hij laat hen delen in het getuigenis van de profeten, ‘dat ieder die in Hem (Jezus) gelooft, door zijn Naam vergeving van zonden verkrijgt’ (v. 43). Wie Jezus’ Naam aanneemt, zich met hem bekleedt, zal veranderen (Kol. 3,10).

Zie: dr. J.H.A. Brinkhof, ‘Petrus naar de volkeren’ (Handelingen 8,4-25; 9,32–12,23 en 15,7-21) en prof. dr. E.H. Hoet, ‘Nu weet ik zeker dat God geen aanzien des persoons kent’ (Preekvoorbeeld bij Handelingen 10, 34v) in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 74-86.91-92

Kolossenzen 3,1-4
In het voorgaande hoofdstuk heeft Paulus de actuele situatie van de gemeenschap aangeduid: zij hebben Christus aanvaard als Heer (2,6). Hij spoort hen aan om vast te houden aan hem en zich daar niet vanaf te laten brengen door een dwaalleer, die in Kolosse en omgeving werd aangehangen: ‘Ofschoon zo’n zelfgemaakte religie, met haar zelfkastijding en minachting voor het lichaam, voor wijsheid moet doorgaan, is zij van geen waarde’ (2,23).
Paulus spoort de Kolossenzen aan om vast te houden aan dat leven in verbondenheid met Christus en op basis daarvan een leven te leiden dat Christus waardig is (2,6).
In de lezing van vandaag vat Paulus de leer van het voorafgaande hoofdstuk samen: ‘Als u nu met Christus ten leven bent gewekt, zoekt dan ook wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand van God.’ En daarna werkt hij dat uit voor de dagelijkse levenspraktijk: wat zij dienen los te laten is de oude mens (3,5-9), en wat zij dienen aan te nemen is de nieuwe mens (3,10-17).

Zie H.M.J. Janssen, ‘De brief aan de Kolossenzen. Cirkelen rond het mysterie’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 38-46

Johannes 20,1-9
De evangelist Johannes schrijft in het (voorlopige) einde van zijn evangelie wat de bedoeling is van zijn evangelie: ‘opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam’ (20,30v). Geloven in Jezus, als Messias en Zoon van God, een geloof dat levengevend is: dat wil Johannes met zijn evangelie bereiken. Vaak gaat het in het vierde evangelie over geloven, het woord komt maar liefst 86 keer voor en dat is veel meer dan bij de andere drie evangelisten samen.
Geloven, en wel in Jezus Messias, Zoon van God. Al in het allereerste hoofdstuk klinkt uit de mond van de eerste leerlingen een belijdenis. Andreas gaat naar zijn broer Simon Petrus met het bericht: ‘We hebben de Messias gevonden’ en hij brengt hem vervolgens naar Jezus (1,40-42). En even later horen we Natanaël tot Jezus zeggen: ‘U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël’ (1,49). In het evangelie van deze Paasmorgen wordt van ‘de andere leerling, die van wie Jezus hield’ gezegd dat ‘hij zag en geloofde’ (v. 8).

Geloven mag dan aan de orde van de dag zijn in het Johannesevangelie, het is ook in dit evangelie alles behalve een eenvoudige en vanzelfsprekende zaak.
In het Johannesevangelie zijn misverstand, onbegrip, niet weten en blindheid aan de orde van de dag. De meningen over Jezus zijn zeer verdeeld: sommigen zien in hem een eerlijk man, anderen een misleider (7,12). De religieuze autoriteiten, hogepriesters en Farizeeën, weten geen raad met hem (7,26) en er is verdeeldheid onder de toehoorders (7,40-44).

In het Paasevangelie van vandaag horen we uit de mond van de andere leerling, die van wie Jezus veel hield, dat ‘hij zag en tot geloof kwam’ (v. 8). Maar dat geloof is voor hem geen aanleiding om het van de daken te schreeuwen.
Naast die ene vermelding van de andere leerling, die tot geloof komt, horen we in het evangelie van deze Paasmorgen twee keer over een ‘niet weten’. Wanneer Maria van Magdala ontdekt heeft, dat steen voor het graf is weggehaald. Dan gaat zij naar Petrus en de andere leerling en zegt: ‘Ze hebben de Heer uit het graf gehaald. En we weten niet waar ze hem hebben neergelegd’ (v. 2).
En op het einde van het evangelie, nadat van de andere leerling wordt gezegd dat hij tot geloof komt, klinkt het commentaar van de evangelist: ‘Ze wisten toen nog niet wat de Schrift zei: dat Hij uit de doden moest opstaan’ (v. 9). Dat geloven is nog steeds omgeven door een niet weten. En de twee leerlingen gaan dan ook gewoon naar huis (v. 10) en er is dan nog geen sprake van dat zij erop uit zouden trekken om van Jezus te getuigen.

De weg naar een werkelijk geloven in Jezus als Messias en Zoon van God is lang. Dat hangt zeker samen met het feit dat de weg van deze Messias en Zoon van God niet beantwoordt aan de menselijke verwachtingen. De heilsweg van Godswege gaat langs een onverwacht en ongemakkelijk traject: door lijden en dood heen naar de opstanding. Zo spreekt Jezus in het Johannesevangelie vaker over de werken die hij moet doen en de moeilijke weg die hij móet gaan, een weg die nodig is (3,14; 9,4; 10,16; 12,34). Dat verstaan en aanvaarden vraagt tijd.

Zie voor ‘Maria de Paasgetuige’: K. Touwen, ‘Petrus in het Johannesevangelie. Gerehabiliteerd’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en Brieven. Exegese en Preken, Vught 2017, 38-40

 

Preekvoorbeeld

In de jaren tachtig deed in Warschau, waar ik toen woonde, het verhaal de ronde over een moedige pastoor die met zijn gloedvolle preken heel veel mensen trok. Dat was nog in de communistische tijd, de mensen kwamen in drommen naar zulke predikers luisteren om weer moed te vatten. Op een Paasmorgen beklom hij de kansel. Hij hief zijn handen in een feestelijk gebaar en riep uit: ‘Christus is opgestaan!’ Toen was het even stil, hij liet zijn armen vallen en zei zacht, met hangende schouders: ‘Maar dat geloven jullie tóch niet’ – en hij draaide zich om, daalde het kanseltrapje af, en dat was het. Nooit is over zo’n korte preek zo lang nagepraat als toen.

Geloven – wat is dat eigenlijk? Wanneer geloof je dat Christus is opgestaan? Als je ervan overtuigd bent dat het echt gebeurd is? Als je de theorie aanhangt dat Jezus weer levend is geworden? Als je zegt: ik ben christen en dan hoort het er nu eenmaal bij dat je de christelijke waarheden onderschrijft? Of als je zegt: natuurlijk kan zoiets niet, maar dat is nou geloven, dat je het dan toch gewoon aanneemt?

Van het Paasevangelie volgens Johannes hebben we zojuist alleen het eerste stuk gehoord: Maria van Magdala treft het graf van Jezus leeg aan. Ze gaat onmiddellijk alarm slaan bij zijn leerlingen, ze denkt aan grafroof. De leerlingen gaan ook kijken. Ze treffen het graf aan als een opgemaakt bed in de ochtend. Van de leerling zonder naam wordt gezegd dat hij geloofde, maar tegelijk zijn ze in verwarring, het is nog lang geen tijd om te juichen. Ze weten niet wat hun overkomt. Verwarring, dat is het eerste gevoel bij Paasmorgen. Alsof er in het landschap van hun zekerheden een open plek wordt gemaakt waar straks iets nieuws kan landen.
U weet vast hoe het verhaal verder gaat. De mannen gaan weer weg, Maria van Magdala blijft bij het graf, bitter huilend omdat nu zelfs het lichaam van haar geliefde Heer haar ontnomen is. Dan – dan overkomt hij haar, de Opgestane. Hij spreekt haar toe, hij verschijnt haar. Het overdondert haar en het raakt haar tot diep in het hart.
Ze gelooft. Daar komt geen theorie of doctrine aan te pas. Maria gaat niet aan de leerlingen vertellen dat het biologische proces van doodgaan blijkbaar toch omkeerbaar is. Ze gaat vertellen dat Christus haar is verschenen. En ik neem aan dat de mannen aan haar merken dat ze niet iets verzonnen heeft, dat ze komt als aanhanger van een bepaald geloof. Ze is getuige van wat haar overkomen is.

Uit het boek Handelingen lazen we een stukje uit een preek van Petrus. Die preek hield hij toen hij te gast was bij Cornelius, de Romeinse centurio in Caesarea. Petrus was voor het eerst in zijn leven aangeschoven bij een gastmaal dat niet kosjer was, niet volgens de joodse spijswetten bereid. Volgens het verhaal in Handelingen 10 hadden de centurio en Petrus allebei een droomvisioen gehad waarin ze over elkaar droomden. Zo werden ze bij elkaar gebracht. Ook daar geldt: het overkwam hen, de hemel raakte hen aan en ze konden er niet omheen.

Het Paasevangelie zegt dat God zijn geliefde kind dwars door de dood heen vasthoudt. Het leven zit niet opgesloten in de enge omknelling van de dood, het breekt erdoorheen. Als dat alleen een constatering is, een zin uit een geloofsboek, dan kun je zeggen: ja, oké, en dus wat? De een zegt dat hij het gelooft, de ander zegt: ik geloof er niets van. Maar dan heb je het niet over geraakt-worden, over iets wat je overkomt of overdondert.

Geloven dat Christus is opgestaan betekent dat je erin meekomt, dat het je in beweging zet. Dat het je misschien eerst in verwarring brengt, maar dat het je raakt en dat het je uiteindelijk optilt. Dat kun je niet zelf laten gebeuren en het gebeurt ook niet per se op Paasmorgen, op deze zondag 1 april. Je kunt je er wel voor openstellen, bijvoorbeeld door niet krampachtig de regie over je leven en over je denken vast te houden. En door het voor mogelijk te houden dat precies daar waar jouw wereld instort, de genade van God bij je binnenkomt. Kijk naar Maria: ze kwam naar het graf, misschien met zalfolie, misschien met bloemen, een vaasje, een lichtje, een hark, een portretje – ze kwam met een plan, met iets wat ze zelf kon doen. Dat plan viel in duigen, want het lichaam was weg, ook dat nog. Maar precies in dat zwarte gat waar alles haar ontvallen is, staat Christus op en spreekt haar toe.

Ik weet zeker dat hier mensen in de kerk zijn die op hun manier ook zo’n verhaal kunnen vertellen, die op hun manier het Paaswonder hebben meegemaakt. En ik weet nog zekerder dat er mensen in de kerk zijn die een diep verlangen koesteren om zo te worden aangeraakt door de liefdevolle kracht van God. Dat is de levensbeweging van God in mensen. Laten we vooral oefenen in openheid daarvoor, want misschien is dat wel vooral wat geloof is: de open plek waar Christus kan landen in ons leven.
Hij is waarlijk opgestaan – Hij leeft!

 

inleiding drs. Theo van Adrichem ofm
preekvoorbeeld dr. Piet van Veldhuizen

 

webdesign: Artis