1 november 2018
Allerheiligen

Lezingen: Apok. 7,2-4.9-14; Ps. 24; 1 Joh. 3,1-3; Mat. 5,1-12a (B-jaar)

 

Inleiding

De lezingen voor dit feest zijn thematisch heel mooi samengesteld. Ze vormen een soort spanningsboog, maar dan in de omgekeerde richting. Van het zgn. eschaton – ‘het uiterste’in de Apokalyps naar het concrete hier en nu in het evangelie van Matteüs. Met daar tussenin, als twee pijlers, Psalm 24 en de eerste brief van Johannes. Deze boog heeft zijn beginpunt in de onthulling van een extreme situatie in de Apokalyps – alles of niets – en reikt terug naar het concrete voor ons liggende hier en nu. Beide worden met elkaar verbonden. Dat betekent dus, dat het eschaton, dat we doorgaans buiten dit aardse of aan het einde van dit aardse projecteren, helemaal niet zo ver van ons afstaat als we geneigd zijn te denken. Het allerheiligste komt binnen het bereik van het alledaagse en alle heiligen zijn te herkennen in de gewone mensen van hier en nu, dus ook in u en in mij.
           Deze spanningsboog is in zijn thematische ontwikkeling heel mooi te volgen aan de hand van een aantal reeksen van sleutelwoorden:

  • wit wassen / rein van handen / zuiver van hart
  • dienstknechten / het geslacht dat zich richt tot God / kinderen van God
  • staan voor Gods troon / in Gods heiligdom
  • het aanschijn zoeken van God / zien van God
  • opklimmen naar de hemel / het beklimmen van de berg

Apokalyps 7,2-4.9-14
Het is aan te bevelen, zeker in de eigen voorbereiding dit hoofdstuk helemaal te lezen. Dan wordt namelijk duidelijk dat we te maken hebben met een cruciaal moment in de Apokalyps. De ik-figuur in het boek is immers, na het schrijven aan de zeven gemeenten, opgeklommen naar de hemel om daar te gaan zien wat er ‘geschieden moet‘ (Apok. 4,1-3). Dan breekt het moment aan, waarop vier engelen aan de vier hoeken der aarde de vier winden vasthouden om te voorkomen dat de aarde, de zee en de bomen schade toegebracht wordt (Apok. 7,1-3). Het is het moment, dat voorafgaat aan het openen van het zevende zegel van de boekrol, die de ik-figuur vervat ziet in de rechterhand van Degene, ‘die op de troon zit’ (vgl. Apok. 5,1; 8,1).
Dit is ook het moment, waarop de knechten van God zelf getekend worden met een zegel op hun voorhoofd (Apok. 7,3v). In feite is dít het zevende zegel!
           Honderdvierenveertig duizend ‘verzegelden’ uit alle stammen van de kinderen van Israël (Apok. 7,4-8). In hun gevolg verzamelt zich een grote schare uit alle volken, natiën en talen. Deze schare is gekleed in witte gewaden, met palmtakken in de hand (Apok. 7,9). En staande voor de troon en voor het Lam roept deze menigte uit: ‘De verlossing is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam’ (KBS vertaalt sotèria ‘verlossing’, ‘redding’ hier ten onrechte met ‘overwinning’). En vervolgens heffen al de engelen en de vier dieren een lofzang aan, samen met de reeds eerder verzamelde oudsten, die eveneens gekleed zijn in witte klederen (Apok. 7,11v; vgl. Apok. 4,4-12!). Dan volgt er een korte, quasi retorische dialoog tussen één van de oudsten en de ik-figuur (Apok. 7,13-17).
           Het lectionarium eindigt bij vers 14. Opnieuw verdient het aanbeveling de aansluitende verzen tot het einde van het hoofdstuk mee te lezen. Want in deze verzen krijgen we zicht op de herkomst van degenen, die gekleed zijn in witte gewaden. Ze komen uit de grote verdrukking en zij hebben hun gewaden gewassen en wit (!) gemaakt in het bloed van het Lam. Zo staan zij, als verlosten, voor de troon om God dag en nacht in zijn tempel te vereren. En God zelf zal zijn tent over hen uitspreiden (Apok. 7,15). Zij zullen geen honger en dorst meer lijden, de zon zal niet op hen vallen, noch de hitte, want het Lam ‘zal hen weiden en voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen’ (Apok. 7,16v). Dát is het uiteindelijke perspectief!
            We horen hier op de achtergrond het ene psalmwoord door het andere heen klinken, kunstig vervlochten met citaten uit Jesaja en Ezechiël (vgl. Ps. 121,6; Jes. 49,10; Ps. 91,5v; Ps. 23,1v; Ezech. 34,23; Jes. 25,8).
            Er zijn nog meer verwijzingen, ook naar andere delen uit de Schrift. We zien motieven die nadrukkelijk verwijzen naar het boek Exodus, naar de Uittocht uit het Land der Verdrukkingen (de woordelijke betekenis van het Hebreeuwse Mitsraïm, dat wij nogal obligaat vertalen met Egypte). De context van Verlossing bij uitstek! Ook het beeld van de tent, die God zal uitspreiden wordt aan Exodus ontleend (vgl. Ex. 33,7-11). Het meest uitgesproken is natuurlijk de verwijzing naar ‘het bloed van het Lam’. In Exodus 12 vinden we de instructie om met het bloed van het Lam de deurposten te bestrijken: ‘En het bloed zal u dienen als een teken aan de huizen, waar gij zijt, en wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij’ (Ex,12,13; voorbijgaan als woordelijke betekenis van Pesach / Pasen). Bloed bewerkt verzoening, want ‘de ziel van het vlees is in het bloed’ (vgl. Lev. 17,11; Ex. 24,8). En natuurlijk klinkt hier, in het beeld van het wit wassen ook de bekende boetepsalm door: ‘Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw’ (Ps. 51,9).
            Dan is er de thematiek van de Knechten, ontleend aan de profetieën van Jesaja. Zij zijn de nazaten van de Knecht van JHWH, het heilig zaad dat uit de tronk van Jesse verwekt is (Jes. 65! vgl. Jes. 53,10; Jes. 54,17; vgl. Jes. 4,2-6; Jes. 6,13; Jes. 53,2). In hen worden alle stammen van Israël gerechtvaardigd. Gods heil gaat op als de rijzende dageraad over álle volken en natiën (vgl. Jes. 8,23–9,6; Jes. 56,6-8! vgl. Apok. 22,16v).
            Verder is er nog de eigenaardige positie die de ik-figuur inneemt. Bedoeld in het boek Openbaring is Johannes, ‘uw(!) broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de volharding in Jezus’ (Apok. 1,9). Met dit subtiele woordje ‘uw’ worden ook wij als lezers en toehoorders deelgenoot gemaakt aan dit gebeuren. Deze Johannes krijgt de opdracht de zeven gemeenten aan te schrijven (vgl. Apok. 1,19–2,22). Hij wordt er ook getuige van, hoe het verzegelde boek zegel voor zegel door het Lam geopend wordt (Apok. 5–9). En hij wordt door één van de oudsten geïnstrueerd over de herkomst en bestemming van degenen die gekleed zijn in de witte gewaden (Apok. 7,13-17). Hij is ook degene die de opdracht krijgt het boek, wanneer het eenmaal volledig geopend is, op te eten. Met deze laatste opdracht wordt de ik-figuur stapsgewijs geplaatst in de lijn van de profeten Jesaja en Ezechiël (vgl. Jes. 8,16-18; Ezech. 2,8–3,3; Ps. 19,9; Ps. 40,8v).
            De naam van Johannes wordt alleen aan het begin van het boek genoemd. Door deze naam verder niet meer te noemen, kan de ik-figuur geleidelijk aan gaan fungeren als identificatiemodel. Dat werkt des te sterker als we Openbaring als één doorlopend geheel lezen en we ons laten meenemen in de ontwikkeling van deze ik-figuur. Dan ontstaat er ook ruimte voor vragen aan onszelf. Maken wij ons ‘de boekrol’ ook zo eigen, dat we hem ‘belichamen’? Hoe volhardend zijn wij ‘in Jezus’? Delen ook wij daadwerkelijk ‘in de verdrukking’ waar Johannes onder te lijden heeft? En mogen we, naarmate we delen in ‘de verdrukking’ ook delen in het perspectief van ‘de verlossing’?

Psalm 24
Het responsvers van de antwoordpsalm beoogt heel nadrukkelijk zulk een vorm van identificatie: ‘Dít is het geslacht dat zich richt tot U, dat staat voor úw aanschijn, Heer onze God’. Heel de inhoud van het eerste deel van Psalm 24 wordt zó betrokken op de gemeenschap die deze woorden uitspreekt en zich rechtstreeks richt tot God. Deze gemeenschap schaart zich onder degenen ‘die de berg op zullen klimmen en gaan staan in zijn heiligdom’ (Ps. 24,3). Zij bekent zich ook als ‘rein van handen en zuiver van hart’ en zet ‘zijn zinnen niet op wat kwaad is’ (Ps. 24,4). Zij rekent zich tot ‘het geslacht dat staat voor het aanschijn van Jakobs God (Ps. 24,6; zo KBS, maar liever, met NBG: wie naar God vraagt / zijn aanschijn zoekt / dat is Jakob!).
            Duidelijk is dat heel de antwoordpsalm zo ook betrokken wordt op de situatie die in Openbaring geschilderd is. Alle sleutelwoorden treffen we er in aan. We herkennen de reeksen:

  • wit wassen: rein van handen / zuiver van hart
  • dienstknechten: het geslacht dat zich richt tot God
  • staan voor Gods troon: staan in Gods heiligdom
  • het aanschijn zoeken van God / zien van God
  • opklimmen naar de hemel: het beklimmen van de berg

Met deze laatste reeks zijn we ook weer aangekomen bij de plaats waar God, volgens de profetie van Jesaja, als Verlosser (!) zijn feestmaal aan zal richten. Daar zal hij ‘voor eeuwig de dood vernietigen en de tranen van alle aangezichten afwissen’! (Jes. 28,6-12; vgl. Apok. 7,16-17; Jes. 25,8). Dan mag ook gevoeglijk de vraag gesteld worden of ook wij ‘rein van handen en zuiver van hart’ zijn en onze plaats in mogen nemen aan de Tafel van de Heer.

1 Johannes 3,1-3
Alle genoemde thema’s vinden we in deze lezing uit de eerste brief van Johannes verdicht en toegespitst. Is er in de Openbaring van Johannes sprake van knechten, hier worden ‘wij kinderen van God genoemd‘ (1 Joh 3,1v; vgl. Joh 1,12). Maar wat wij uiteindelijk zullen zijn is nog niet geopenbaard. Want dat loopt parallel met de openbaring van God zelf (1 Joh. 3,2). En in die zin ligt het nog-niet uit het boek Openbaring met recht in het verschiet.
Want dan zal blijken dat wij aan God zelf gelijk zullen zijn. Dan zullen wij immers zijn, zoals wij vanaf den beginne bedoeld zijn: ‘Geschapen naar zijn beeld en gelijkenis; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen’ (Gen. 1,27). En ieder die ‘deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is’ (1 Joh. 3,3; zo NBG, overeenkomstig het Grieks). Ook hier zien we weer het thema van de reinheid en onze eigen geschiktheid (vgl. Ps. 24,3-4 en Apok. 7,14).

Matteüs 5,1-12a 
Heel het visioen uit het boek Openbaring vinden we hier weerspiegeld aan het begin van de Bergrede. Bij het zien van de menigte gaat Jezus vóór, de berg op en nadat hij is gaan zitten komen de leerlingen bij hem (Mat. 5,1). We herkennen de woorden menigte, opklimmen en zitten en hemel / berg uit Openbaring en Psalm 24. De leerlingen kunnen gevoeglijk beschouwd worden als de representanten van de twaalf stammen van Israël, zoals wij die aantreffen in Openbaring. Alleen de entourage is minder eschatologisch, meer concreet in het hier en nu, zoals eertijds ook aan de voet van de Sinaï (Ex. 20). Want elke zaligspreking is van een verrassende eenvoud en helderheid en zeer rechtstreeks en voor de hand liggend. En natuurlijk herkennen we direct de zuiveren van hart. Zij zullen God zien, ja zelfs kinderen van God genoemd worden (vgl. 1 Joh. 3,1v; Ps. 24,6; Apok. 7,9v). Deze zuiveren van hart zijn de gelouterden, die de grote verdrukking doorstaan en zich kunnen scharen in de rij van de profeten, die vóór hen vervolgd zijn (Mat. 5,12b; jammer dat het lectionarium de passage eindigt bij vers 12a. Het gaat toch immers om Állerheiligen!?). Zij, de vervolgden, de gelouterden én de profeten dragen de verdrukking om Zijnentwille (Mat. 5,11).

Dat brengt ons weer terug bij Johannes aan het begin van zijn boek Openbaring. Was hij niet onze ‘broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus’ (Apok. 1,9)? En nodigt hij ook ons niet uit, die ontwikkeling door te maken en eveneens te delen ‘in de verdrukking’? Maar wanneer we daadwerkelijk op zijn uitnodiging ingaan betekent dit ook, dat we mogen delen in het perspectief van de verlossing. Dan behoort ook óns het Rijk der hemelen! Dan zullen ook wij getroost worden en het land bezitten en kinderen van God genoemd worden. Dan is die nieuwe hemel en die nieuwe aarde werkelijk compleet! (Mat. 5,4v.10; vgl. Apok. 7,16v; Jes. 25,8; vgl. Ap. 21,1-7; vgl. 1 Joh. 3,1-3).

 

Preekvoorbeeld

Wat maakt dat visioen uit Apokalyps of het begin van de Bergrede tot een klassieke tekst? Omdat ze zo’n 2000 jaar geleden geschreven zijn? Omdat er iets mee gedaan is? Is het verhaal van de aanbidding van het gouden kalf klassiek, omdat het zoiets als een staande uitdrukking geworden is, omdat verschillende schilders dat verhaal verbeeld hebben? Zijn gedeelten uit Deuteronomium klassiek, omdat ze de basis zijn voor de tefilin, de karakteristieke joodse gebedsriemen? Die antwoorden bevredigen niet helemaal, want ze roepen toch weer verdere vragen op. Waarom wordt iets een staande uitdrukking? Waarom is een onderwerp aantrekkelijk voor een schilder? Waarom wordt iets karakteristiek?

Omdat in die teksten diepte zit. Zo’n tekst kun je telkens opnieuw lezen en hoewel je die tekst misschien haast van buiten kent, blijf je je verwonderen over de rijkdom, over aspecten die je eerst niet gezien had of misschien wel maar waarvan je pas gaandeweg ontdekt wat ze óók nog betekenen, zoals ook muziek ‘klassiek’ kan zijn of een schilderij als de aanbidding van het Lam van de gebroeders van Eijk.

Een klassieke tekst roept dus een voortdurend proces van verwondering op. Daarom is de tekst die we vandaag als evangelie lezen een klassiek tekst: het begin van de Bergrede, de zaligsprekingen. Misschien helpt het bij dat proces van verwondering om even stil te blijven staan bij de term waarmee Jezus telkens begint, en verder te kijken dan de gangbare vertaling daarvan: ‘zalig’ (Willibrord 1975). ‘Gelukkig’ is de term die in andere vertalingen gebruikt wordt (Willibrord 1995 en NBV) of nog verder aangescherpt: ‘het echte geluk is voor…’ (Bijbel in Gewone Taal). Die laatste vertaling zet je aan het denken, want tegenover ‘echt geluk’ staat geluk dat dus niet echt is. Wat echt of niet echt geluk is vraagt om een oordeel. Niet alles wat zich aandient als geluk is echt geluk. Maakt geld gelukkig? Als je wel veel geld hebt, maar geen vrienden met wie je van dat geld kunt genieten, ben je dan echt gelukkig? Als je wel veel vrienden hebt, maar alleen mooi-weer-vrienden, ben je dan echt gelukkig? En ga zo maar door. Om vast te stellen wat echt geluk is, moet je je onderscheidingsvermogen gebruiken en moet je een keuze maken.

Wat maakt je echt gelukkig? Jezus’ antwoord daarop bestaat telkens uit twee stappen: eerst noemt hij iets en vervolgens verbindt hij dat met God, soms expliciet, soms met een eerbiedige passieve formulering (‘zullen worden’). Nu kun je denken dat het gaat om die tweede stap, om dat verband met God. Dat is ook zo, maar die eerste stap is net zo belangrijk, want die eerste stap is zoiets als de weg naar God. In een andere vertaling klinkt als refrein: ‘op de goede weg zijn…’ Jezus geeft keer op keer een soort herdefinitie van geluk om te komen tot het begrip van echt geluk. Die herdefinitie staat haaks op bepaalde ideeën en verwachtingen van mensen. Niet alles wat in zijn (en onze) maatschappij als geluk wordt gezien, wordt door Jezus als echt geluk aangemerkt. Dat zet aan tot nadenken.

Waarom noemt hij mensen die verdriet hebben, mensen die hongeren en dorsten, mensen die arm zijn echt gelukkig? Misschien omdat mensen daardoor in beweging komen, misschien omdat dat mensen zijn die niet zo opgaan in hun eigen genoegzaamheid dat ze geen oog meer hebben voor de sores van anderen, die durven toe te geven dat nog niet alles volmaakt is in hun leven, die het jammer vinden dat er allerlei losse eindjes zijn in hun omgaan met anderen, die kritisch durven zijn op hun eigen doen en laten en die hun fouten betreuren en niet wegpraten of wegwuiven.

Waarom is een tekst klassiek? Omdat er breedte zit. Veel mensen, in soms totaal verschillende omstandigheden, met soms eeuwen verschil kunnen zich in zo’n tekst herkennen. Dat is wat het visioen uit de eerste lezing doet: breedte aangeven.

In het visioen gaat het om honderdvierenveertigduizend. Twaalf is al compleet. Twaalf maal twaalf nog ‘completer’ en dan nog duizend maal. En dan ook nog een ontelbare menigte uit alle rassen en stammen en volken en talen. Inclusiever kan niet. Dus kan iedereen of moet iedereen zich kunnen herkennen in die getekenden. Getekend waarmee? Met die zaligsprekingen van de Bergrede, met het echte geluk.

 

inleiding drs. Jo Beckers
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof

 

webdesign: Artis