1 januari 2019
H. Maria, Moeder van God

Lezingen: Num. 6,22-27; Ps. 67; Gal. 4,4-7; Luc. 2,16-21

 

Inleiding

Numeri 6,22-27

Het is vandaag Nieuwjaar. Maar dat wist u al. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog besloot de Spaanse landvoogd Requesens (1528-1576) in 1575 dat het nieuwe jaar officieel op 1 januari begint. Dát wist u waarschijnlijk niet. Sedert 1721 vroeg de kerk op deze dag bovendien aandacht voor ‘de naam van Jezus’. Dit feest is intussen naar 3 januari verplaatst. Het werd blijkbaar een beetje te druk op Nieuwjaarsdag. Sinds 1967 is dit immers ook nog ‘de wereldvrededag’. Daar kwam in 1968 het feest van Maria, ‘de Moeder van God’ bij. Dit heeft liturgisch het hoofdaccent gekregen. De Duitse term Gottesgebährerin geeft de officiële kerkelijke titel van Maria, in het Grieks theotókos,in het Latijn Dei genitrix (concilie van Efeze in 431), exacter weer dan ‘Moeder van God’. In Engelstalige publicaties zie ik steeds vaker Mother of God Incarnate (‘Moeder van de Mensgeworden God’).
            Christenen plegen op Nieuwjaar te zeggen: ‘Aan Gods zegen is alles gelegen’. In de context van ‘zegenen’ gebruikt het Oude Testament de uitdrukking ‘Gods naam op iemand leggen’. ‘Zo zullen zij (de priesters) mijn naam op de Israëlieten leggen, en Ik (God) zal hen zegenen’ (Num. 6,27). Dit is een ‘synthetisch parallellisme’ waarin God en mens voorbeeldig samenwerken. Die naam van God is in het Oude Verbond ‘Jahweh’. In het Nieuwe Testament speelt de specifieke naam ‘Jezus’ een bijzondere rol.
           Met zijn blote voeten op heilige grond, onder aan de berg Sinai/Horeb (de berg van God) bij het brandende braambos, vraagt Mozes naar de naam van God. Dan nóemt God zijn naam: ‘Ik zal er zijn’ (Ex. 3,14). God tilt zichzelf uit boven de menigte goden van het veelgodendom van die tijd. In het Oude Nabije Oosten, het ontstaansmilieu van de heilige Schrift , dient een persoonsnaam niet alleen om iemand van anderen te onderscheiden. De naam drukt van de drager zijn wezen uit, zijn levenstaak en ook wel zijn aanwezigheid. De naam fungeert als een soort dubbelganger. Soms heeft de naam een geheimzinnige kracht. Dat wat géén naam heeft, bestaat niet. Een Babylonisch scheppingsverhaal zegt dat ‘hemel en aarde nog geen naam hadden’ om uit te drukken dat er nog niets bestond. Als je de naam van iemand kent, kun je invloed op die persoon uitoefenen. In Egypte houden de goden daarom hun eigenlijke naam geheim om niet lastig gevallen te worden.
           ‘Ik ben die ik ben’ staat er in de oudere, traditionele bijbelvertalingen. Deskundigen zijn er intussen achter dat je beter kunt vertalen: ‘Ik ben die er zijn zal’ (NBV). Het gaat hier niet om een absoluut ‘zijn’, een ‘zijn’ zonder meer. Dus geen esse subsistens, geen ens a se, die de scholastieke filosofie en theologie ons te geloven voorhielden. Zo iets kent de Hebreeuwse Bijbel niet. Het ‘zijn’ betekent daar altijd een ‘betrókken zijn’, een ‘relationeel zijn’. De naam van God wijst naar zijn betrokkenheid op ons mensen.
           God zegt dóór zijn naam: ‘Ik wás er ten bate van Abraham en Isaak en Jakob. Ik bén er ook voor jou Mozes en voor jouw onderdrukte volk, en Ik zál er zijn voor alle nog komende generaties van mensen’.
           De herhaling van een werkwoord, in dit geval ‘zijn’, drukt in het Hebreeuwse taaleigen grote stelligheid, zekerheid uit. Tegelijk kan die herhaling in het Hebreeuwse idioom vaagheid, een ontwijking van een duidelijk antwoord inhouden. Samenvattend betekent de naam van God: ‘Ik zal héél zeker mét je zijn, maar ik zeg niet hóe, wáár of wannéér’. ‘Jahweh’ is van ‘Ik zal er zijn’ de derde persoon: ‘Hij zal héél zeker met je zijn, maar hij zegt niet hoe, waar of wanneer’.
           Ik denk dat God in de priesterzegen van Numeri 6,27 optreedt als ‘Zon van Gerechtigheid’. Let vooral op: ‘licht van zijn gelaat’,’doen schijnen over u’, ‘zijn gelaat over u verheffen (als een dageraad)’. De vertaling ‘toewenden’ van nbv is een vrijere weergave. Ik vermoed dat hier de zogeheten ‘solaire’ kant van Jahweh ‘aan het licht komt’. Na de zonnewende op 21 december, nu de dagen langer worden, de zon meer licht gaat verspreiden, nadat we door het Kerstfeest de geboorte van Jezus, ‘de Dageraad uit de hoogte‘ (Luc. 1,78), ‘de Zon van Gerechtigheid’ (Mal. 4,2) gevierd hebben, spreekt de liturgie een zegen over ons uit met de woorden van deze aloude priesterzegen.
           De archeoloog Gabriël Barkay ontdekte in 1959 in een serie van negen grotten van een begraafplaats op de westelijke helling van het dal van de zonen van Hinnom (Ketef Hinnom), ten westen van Jeruzalem twee zilveren plaquettes uit de zevende eeuw vóór Christus, waarop gedeeltelijk de tekst uit Numeri 6,27 te zien is. Zij blijken de oudste citaten uit het Oude Testament die ooit gevonden zijn. De woorden van deze zegen deden niet alleen dienst in de eredienst, maar blijkbaar ook in het dagelijks leven.

Galaten 4,4-7
Sint Paulus vult de ruimte die Jezus ons gebracht heeft, concreet in. Paulus wijst daartoe uitdrukkelijk naar de aardse geboorte van de Heer die wij nog eens dunnetjes vieren op deze feestdag van Maria Moeder van God. Naast de goddelijke oorsprong van Jezus zet Paulus diens menselijke afkomst: ‘geboren uit een vrouw’. De Galaten en andere lezers weten natuurlijk goed dat hiermee Maria bedoeld is. Dit is wel de zuinigst denkbare formulering van een mariologie die de geschiedenis van het christendom kent. Het gevolg van dit uitdrukkelijk vermeld moederschap is dat Jezus als echte Jood onderworpen is aan de Wet. Eeuwenlang gold de stelregel: je bent een ware Jood als je moeder Joods is. Je vader kan immers altijd een oncontroleerbare heidense ‘toevalstreffer’ geweest zijn.
            Hoewel: Jacob Nathan de Leeuwe, arts en rabbijn, ziet hier kans voor een ontwikkeling. In een interview zegt hij: ‘Maar tegenwoordig kun je vaderschap óók bewijzen… Dus ben ik met medestanders bezig om dat te veranderen, maar dat kost tijd en moeite en ontmoet ook tegenstand’ (Kerk & Israël Onderweg, 19/4 (juni 2018) blz. 5). Juist wat die Joodse Wet betreft, is Jezus gezonden om ons vrij te kopen van die intussen misvormd geraakte Wet. Dat wil zeggen van datgene wat de wettische praktijk van sommige Schriftgeleerden en Farizeeën ervan gemaakt hadden. Jezus poetst die aanslibsels van de Wet weg en zet de juiste accenten. De Wet wordt zo de Wet van de vrijheid van de kinderen van God.

Zie: J.H.M. Lammers, ‘Galaten. Appel aan een weifelende gemeenschap’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 31-37

Lucas 2,16-21
God noemt vandaag opnieuw zijn naam door de naam van een kind. Een kind dat de naam ‘Jezus’ krijgt. Jezus, in het Hebreeuws Yehôšu’a, betekent ‘JHWH redt’ oftewel ‘hij zal er zijn redt’. Nog preciezer ‘hij zal er zijn geeft ruimte’, oftewel: ‘doet in de ruimte leven’, als je het Hebreeuws hier heel letterlijk weergeeft. Vergelijk: Eduxit me in latitudinem… ‘en gaf mij de ruimte’, aldus Psalm 18,20 (NBV). Deze naam is een belofte en een opdracht voor het kind Jezus dat deze naam krijgt. God maakt ons vrij, zegent en beschermt ons daartoe dóór Jezus. Zijn naam staat daar garant voor.
           De ontmoeting met het kind Jezus raakte de herders ten diepste. Zij golden destijds als het uitschot van de maatschappij. Door dit contact met Jezus keerden zij als andere mensen naar hun dagelijkse werkelijkheid terug. ‘De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd’ (Luc. 2,20). Ze maakten een nieuw begin. Ze staken hun blijdschap om de geboorte van hun Verlosser, Jezus, niet onder stoelen of banken. Ze vertelden erover aan wie het maar horen wilde. Dit uitschot van de maatschappij had echt ‘Goed Nieuws’ te melden aan de gezeten burgerij die op de herders placht neer te zien. De herders zijn op hun manier geloofsverkondigers pur sang geworden.
           Intussen: ‘bewaarde Maria al deze woorden in haar hart en bleef er over nadenken’ (Luc. 2,19). Zij vormt in haar stilzwijgen een contrastbeeld met de jubelende herders.
           Maria zégt niet wat zij denkt, wat zij voelt, ze zegt het nóg niet. Zij overwéégt wat haar overkomen is in haar hart. Zij is contemplatief, meditatief bezig.
           Dertig jaar later, als zij meer van haar zoon begrepen heeft, wordt zij actief in zijn dienst. Maria heeft intussen begrepen dat haar zoon ‘in de dingen van zijn Vader moest zijn’ (Luc. 2,49). Tijdens de bruiloft van Kana zal zij tegen de bedienden zéggen: ‘Doet alles wat Hij, Jezus, u zeggen zal’ (Joh. 2,5). Contemplatie en actie horen bij elkaar in het leven van Maria.

 

Preekvoorbeeld

‘Alles van waarde is weerloos’, dicht Lucebert. Een waar woord als we kijken naar onze kinderen. Onze kinderen zijn onze kostbaarste schatten, maar ook onze grootste zorg. Ze zijn onze toekomst, ze zetten ons leven voort en nemen op den duur het stokje over. Ze doen een beroep op onze zorg en aandacht, ze hebben onze bescherming en begeleiding nodig om te kunnen opgroeien tot volwassen mensen. En niemand kijkt niet naar ze om, als ze gevaarlijk spel spelen en het erop aan komt. Kinderen zijn van ons allemaal.
           Wanneer het mis gaat, schokt dat dan ook de hele samenleving. We rouwen massaal om kinderen die worden geschept in het verkeer of slachtoffer zijn van een huiselijk drama. En hoe groot is de publieke verontwaardiging niet als aan het licht komt dat kinderen seksueel misbruikt worden of als kindslaven te werk worden gesteld in plantages of fabrieken?
           Vandaag, op de achtste dag van Kerstmis, zoomt de liturgie in op Maria en Jozef en hun pasgeboren zoon in de voerbak. Hij is onderweg geboren, nog maar een week oud, en toch zijn er al veel hooggestemde woorden over hem uitgesproken: door Gabriël, de engel van de aankondiging, over zijn wonderlijke geboorte; door Elisabet, die haar nicht Maria bij haar komst begroet als ‘de moeder van mijn Heer'; door Zacharias, die over Johannes de Doper profeteert als ‘zijn wegbereider’; door de engelen uit den hoge die ’s nachts de herders in het veld verkondigen dat hun ‘Redder’ is geboren, ‘de Messias, de Heer’. De herders haastten zich daarop naar Betlehem om het met eigen ogen te zien. Bij het kind in de voerbak aangekomen vertelden ze alles wat hun over dit kind gezegd was. Dansend en zingend van Gods heerlijkheid keerden ze ten slotte terug naar hun schapen.
           En Maria en Jozef? Zij vormen met het kind het stille midden van het opgetogen evangelietafereel van vandaag. Over Jozef vertelt het evangelie niets, alleen dat hij daar met Maria was. Van Maria zegt de evangelist dat zij alles wat zij gehoord had in haar hart bewaarde en erover nadacht. Zij hebben niets anders te doen dan zorgzaam en liefdevol bij hun kind te waken. Te midden van alle ophef doen zij eenvoudig wat zij als gelovige joodse ouders te doen hebben: ze voltrekken aan hem de initiatieriten van het verbond tussen God en zijn volk. Het staat er in een opvallend passieve formulering, als om te onderstrepen dat alles rond dit kind ook hen verre overstijgt: ‘Acht dagen later, toen de tijd gekomen was dat Hij besneden moest worden, kreeg Hij de naam Jezus, die door de engel was genoemd voordat Hij in de moederschoot werd ontvangen.’ Deze zoon is Maria en Jozef overkomen. Zijn oorsprong en zijn zending zijn voor hen een diep geheim. Maar ze zeggen en doen ‘ja’. Ze laten hem besnijden, op de veertigste dag brengen zij hem naar Jeruzalem om hem in de tempel op te dragen aan de Heer en als hij twaalf jaar oud is, keren zij daarheen terug om te vieren dat hij een echte ‘zoon der wet’ wordt. En steeds opnieuw vragen zij zich af: ‘Wat zal er worden van dit kind?’
           Deze achtste dag van Kerstmis, de dag van Jezus’ besnijdenis en naamgeving, is voor ons ook nieuwjaarsdag, de eerste dag van het nieuwe jaar. We kijken vooruit en vragen ons af: ‘Wat zal er worden van dit jaar?’ Het is mooi dat op deze feestelijke eerste dag van het nieuwe jaar de zegen van Aäron en zijn zonen gelezen wordt, die zegen die bestaat in de glans van Gods aangezicht over ons en de vrede die in hem te vinden is. Wij vieren in deze blijde kersttijd dat God zijn gelaat naar ons keert in de geboorte van zijn Zoon en dat diens naam voor ons een zegen is: Jezus, God redt. Hij is Gods zegen over ons, niet alleen over ons in onze eigen kring, maar over ons wereldwijd. Mensen dichtbij, mensen ver weg, armen en rijken, wijzen en dwazen, vluchtelingen en ingezetenen, voor állen komt God menselijk in ons midden als onze Broeder en onze Redder. De volken, álle volken zullen Hem loven, de antwoordpsalm brengt die verbreding binnen. En hoe redt hij ons? Niet door ons alle gevaren en moeilijkheden uit handen te nemen, niet door ons het stuur uit handen te nemen. Maar wel door zijn Geest in ons hart te leggen, die ons vermurwt en beweegt om te roepen: ‘Abba, Vader!’ Wij zijn niet alleen, wij worden niet aan ons lot overgelaten, wij zijn kinderen van de ene Vader, verzameld rondom zijn Zoon, Jezus, de Heer.
           En zou het voor God, onze Vader, ook niet zo zijn: mijn kinderen zijn mijn kostbaarste schatten, maar ook mijn grootste zorg? Laten wij ons als zijn kinderen gezegend weten in de glans van zijn gelaat en laten wij vervuld van dit geheim omwille van hem omzien naar elkaar, zoals Maria en Jozef omzagen naar de Zoon die hun was toevertrouwd.
           Want alles van waarde is weerloos.

 

inleiding dr. Jan Holman svd
preekvoorbeeld zr. Angela Holleboom osc

webdesign: Artis