7 april 2019
Vijfde zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Jes. 43,16-21; Ps. 126; Fil. 3,8-14; Joh. 8,1-11 (C-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 43,16-21: ‘Ik ga iets nieuws beginnen’
Gesterkt met het visioen van Gods nieuwe toekomst gaan wij de vijfde zondag van de lijdenstijd ‘vieren’. De Jozualezing en de apostellezing van zondag Laetare hebben ons al op het goede been gezet. Pasen komt in zicht. ‘Zit niet meer vast aan wat geweest is, ga verder’, zegt de profeet Jesaja ons deze zondag (43,19). ‘Ik ga iets nieuws met u beginnen’ zegt de Enige, ‘het is al begonnen, zie je het niet?’ Iets nieuws beginnen. Dat nieuwe heeft te maken met de weg die de Eeuwige voor ons uitzet. We worden herinnerd aan de strijdwagens en de paarden. Geen vredige dieren, maar strijdrossen die hier machteloos neerliggen. Ze horen bij de dingen van vroeger die we moeten vergeten. Er komt aan het einde van de eerste lezing een hersteld paradijs in zicht waar allerlei bijzondere dieren hun schepper zullen eren. Bronnen van levend water zullen mens en dier sterken. En zo rijst dan als middelpunt van die nieuwe schepping een herschapen volk op. ‘Mijn uitverkorenen zal ik te drinken geven, dit volk heb ik mij geformeerd en zij zullen mijn lof verder vertellen (Jes. 43,21 Statenvertaling). Dat herscheppen van het volk en ook het herstellen van het paradijs kan alleen als de menselijke relaties worden hersteld: dan is er sprake van echte vernieuwing, bevrijding van zonde en schuld in: ‘Vergeef ons onze schulden zoals wij vergeven aan onze schuldenaren.’ Daarover gaat het in het evangelie van deze zondag.

Filippenzen 3,8-14
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95.

Johannes 8,1-11: Bevrijding van de zonde
Het verhaal van Jezus en de vrouw
Vanuit gedachten van oordelen en veroordelen worden wij op een nieuw spoor gezet. ´Heeft niemand je veroordeeld? Ook ik veroordeel je niet. Ga heen en zondig niet meer!’ (Joh. 8, 11). De synoptici (Matteüs, Marcus en Lucas) hebben het verhaal van de vrijgesproken vrouw niet opgenomen. ‘Misschien omdat ze geen raad wisten met Jezus’ vrije houding tegenover echtbreuk’, wordt door kerkvader Augustinus verondersteld. Het verhaal past echter uitstekend in het Johannesevangelie en in de vierde en laatste reeks tekenen van Jezus. Wij lezen in Johannes 8–9 en 11 respectievelijk over Jezus’ overwinning op de zonde, de ziekte en de dood. De perikoop Johannes 8,1-11 wordt een ‘zwerfstuk’ genoemd in de nieuwtestamentische literatuur. De Vulgaat van Hiëronymus heeft deze tekst – met enkele andere handschriften – aan het begin van Johannes 8 staan. Het verhaal over de bevrijding van de zonde (Joh. 8,1-11) bevat een zekere spanning. Een vrouw, beschuldigd van overspel, wordt naar Jezus gevoerd. ‘In de wet heeft Mozes bevolen zulke vrouwen te stenigen, wat zegt u daarvan?’ Volgens het geldend recht van die dagen hadden de Joden helemaal niet het recht een doodvonnis uit te spreken of te voltrekken. Dat recht hadden alleen de Romeinen. Als Jezus toegeeft aan het oordeel dat van hem gevraagd wordt, gaat hij zich in een wespennest steken. Hij zou ofwel de Romeinen tarten, ofwel de fanatiekelingen van zijn dagen zouden een te milde uitspraak van Jezus kunnen uitleggen als een niet orthodox-joodse houding en slapheid tegenover de Romeinse bezetters. De valstrik was gespannen.
            Ze komen op hem af met de van overspel betichte vrouw en – betaalde? – getuigen erbij. Volgens Deuteronomium 17,7 zouden zij de eerste steen moeten gooien. Zij waren ingehuurd in een duister zaakje. Hoe krijg je anders getuigen van overspel als groep bij elkaar? ‘Wat vindt u hiervan?’ vragen ze. Jezus antwoordt met een profetische handeling. Hij schrijft op de grond. Er zijn verschillende interpretaties van. Wij hebben genoeg aan de uitleg dat Jezus zijn tegenstanders aan Jeremia 17,13 herinnert, uit een van de lezingen voor de Grote Verzoendag: ‘Wie van U (God) afwijken, zullen in de aarde geschreven worden, omdat zij de bron van levend water, de Heer verlaten hebben.’

Het loopt goed af
De vrouw is in deze perikoop het beeld van het volk, zoals bijvoorbeeld in de profeten Hosea en Jeremia. Wie deze vrouw veroordeelt, veroordeelt in haar heel het volk dat van God afwijkt. Wie geen reden had Gods erbarming in te roepen op de Grote Verzoendag, moest volgens Jezus maar beginnen met het gooien van stenen. Jezus boog en schreef in het zand, tweemaal. De Thora moest ooit ook tweemaal door God geschreven worden. Dat kwam door de hardheid van de harten en de zonde van het volk. In zekere zin herschrijft Jezus de Thora door verder te zien dan de letterlijke tekst. Hij kent de Thora van binnenuit. De tegenstanders verdwijnen een voor een. De ouderen, die een beter besef hebben van hun tekortkomingen het eerst, de meer zelfverzekerde jongeren het laatst. Jezus blijft alleen achter met de vrouw. ‘Heeft niemand u veroordeeld? Ook ik veroordeel u niet, ga heen en zondig niet meer.’ Door te zeggen ‘Wie zonder zonde is werpe de eerste steen’ (Joh. 8,7), heeft hij niet beoogd de aanklagers aan hun zonden vast te binden, maar heeft Jezus willen zeggen dat zij niet met de stenen moesten gaan gooien die zij zelf verdienden. De vergeving die aan de vrouw geschonken wordt, tekent de vergeving die de Messias voor zijn hele volk bewerkt.

Het lijden van Jezus als doortocht
Jezus zegt: ‘Ik oordeel niemand’ (Joh. 8,15) of ‘Mens, wie heeft mij tot rechter over u aangesteld?’ (Luc. 12,14). Het evangelie van vandaag is een goede inleiding op de weken waarin wij het onverdiende lijden van de Messias gaan overwegen. Hij zal, volkomen onschuldig, zelf de schuld van anderen op zich nemen en de slagen verduren die anderen verdiend hebben. Hij, die door Johannes (Joh. 1,36) was voorgesteld als het lam van God dat de zonden der wereld wegdraagt. Het lijdensverhaal van Lucas is opvallend verschillend van dat van de andere evangelisten. Het lijkt niet op een ‘verslag’ maar op een theologische verhandeling over het lijden van de Messias en wat dat voor zijn gemeente betekent. Het begin van het lijdensverhaal is op zich al uniek: ‘Vurig heb ik er naar verlangd dit paasmaal met u te eten eer ik ga lijden.’
            Het hele lijdensverhaal wordt geplaatst binnen dit verlangen van de Heer om Pasen met zijn leerlingen te vieren. Pasen betekent ‘doorgang’. Doorgang op weg naar een nieuwe toekomst. Een nieuwe toekomst waarbij de leerlingen een sleutelrol lijken te vervullen. Hij vermaakt tijdens dat paasmaal het koninkrijk aan de apostelen als hij zegt: ‘Gij zijt het, die met mij in de beproevingen volhard hebt’ (Luc. 22,28vv). Marcus was er alles aan gelegen hun falen naar voren te halen. Lucas lijkt alles met de mantel der liefde te bedekken. Zelfs Judas is in zekere zin onschuldig, want ‘de satan was in hem gevaren’ (Luc. 22,3). Er wordt ook (Luc. 22,24-38) verteld dat de leerlingen ruzie hadden, maar onmiddellijk daarna worden ze weer geprezen (v. 28) en bemoedigd (v. 32). Tijdens het avondmaal heeft Jezus dat leven al vermaakt aan zijn apostelen (Luc. 22,29). Op het kruis belooft hij het aan de misdadiger, die samen met hem gekruisigd is en op de weg naar Emmaüs openbaart hij onderweg dat zijn lijden een genadeweg is naar de heerlijkheid (Luc. 24,27; vgl. 24,7). God is, in Jezus, solidair met de mens die die genade zoekt.

Literatuur
G. Bouwman, Met Lukas op weg, blz. 116
P. Elderenbosch, Het onderricht van de Messias, blz. 81
Over de getuigen, J. Derrett, Law in the New Testament, blz. 16             

 

Preekvoorbeeld

            Blijf niet staren op wat vroeger was.
            Zie, ik ga iets nieuws beginnen.
            Het is al begonnen, merk je het niet?

Dit is een geliefd lied bij velen in onze kerk, een canon. Een mooie krachtige tekst, een eenvoudige melodie. In de eerste lezing hoorden we de bron van dit lied. De inspiratie waar de dichter uit putte: Jesaja. ‘Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: zie ge het niet?’

Dat lied rijmt ook op de laatste woorden van het evangelie. De woorden die Jezus tot de overspelige vrouw spreekt: ‘Ook ik veroordeel u niet: ga heen en zondig van nu af niet meer’. Jezus heeft voor de vrouw een nieuwe weg gebaand. Dwars door de woestijn van de harde stenen van de harde oordelen heeft hij een rivier doen stromen. Nieuw begin gemaakt. Wat een verhaal!
            Spannend van het begin tot het einde. Jezus is in de tempel. De mensen stromen samen om naar Hem te luisteren. Dan komen de schriftgeleerden met een vrouw. Ze duwen haar midden in de kring, voor het oog van de mensen en zeggen: ze is op heterdaad betrapt op overspel. De schande in het spotlicht. Meester, u kent toch onze wet? Stenigen staat er in Leviticus. Wat vindt u?
            De Schriftgeleerden dagen Jezus uit. Ze proberen hem te vangen met een strikvraag. Hem klem te zetten tussen de leer van de wet, de letter van de wet en de nieuwe wet, die van de barmhartigheid, de liefde…
            Als de wet wint, dan verliest de liefde… Als de barmhartigheid wint, dan komt Jezus in conflict met de overgeleverde traditie. Het is niet alleen een strijd van vroeger. Want het conflict van ‘hoe het hoort’, de noodzakelijke regel, het gezonde verstand en de liefde bestaat nog steeds.
            En de vrouw die staat daar maar, ze wordt gebruikt om Jezus in de val te lokken. En ook Jezus die zit daar maar, alle ogen ook op hem gericht. En wat doet hij? Hij schrijft op de grond. Augustinus zegt daarover. De oude wet is gebeiteld in stenen tafelen in harde steen, maar hij, de Gezalfde, schrijft in het zachte zand. Niet met een beitel, maar met zijn vinger. Wat schrijft hij… De oude tekst uit Leviticus… of is het zo open als het er staat…
            Het confronteert de omstanders, de Schriftgeleerden, met zichzelf, met wat zij vinden. Jezus laat hen in zekere zin met de vrouw alleen. Doordat hij zich terugtrekt, komt de vrouw meer in het centrum te staan.
Maar die confrontatie willen ze niet. Kennelijk lastig om haar in de ogen te kijken. Ze blijven bij hem aandringen op een antwoord…
            En dan spreekt Jezus die beroemde woorden: ‘Laat degene onder jullie die zonder zonde is de eerste steen werpen.’
            Die woorden zijn in het Nieuwe Testament terecht gekomen. Ze zijn voorgoed in onze harten gegrift, van hen die geloven, kerken, maar ook van hen die niet kerken. Deze woorden sloegen in…
            Jezus buigt zich weer voorover en schrijft weer op de grond. Hij laat de Schriftgeleerden, maar ook ons staan met de stenen in onze hand, de stenen van onze harde oordelen, de stenen van onze afwijzende blik, de stenen van het beroep op de wet: Het is hard, maar zo is het nu eenmaal, zo is de wet.
            De stenen ploffen in het zand… de schriftgeleerden druipen af… de een na de anderen, iedereen gaat weg en Jezus blijft achter met de vrouw alleen…
Zij die overspel pleegde, hij die zijn wet met de vinger in het zand schrijft… Heeft niemand je veroordeeld? Iedereen is weg… Het harde oordeel is er niet meer… Hij weigert te kiezen voor óf liefde óf de wet. Hij kiest voor haar en voor de nieuwe weg. Ook ik veroordeel je niet, ga heen en zondig niet meer…

Gerrit Achterberg maakte van dit evangelie het gedicht: En Jezus schreef in ’t zand

Jezus schreef met Zijn vinger in het zand.
Hij bukte Zich en schreef in ‘t zand, wij weten
niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten,
verzonken in de woorden van Zijn hand.

De schriftgeleerden, die Hem aan de tand
hadden gevoeld over een vrouw, van hete
hartstochten naar een andere man bezeten,
de schriftgeleerden stonden aan de kant.

Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet.
Ga heen en luister, luister naar het lied.

En Hij stond recht. De woorden lieten los
van hun figuur en brandden in de blos

waarmee zij heenging, als een kind zo licht.
Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.

 

inleiding Hein Jan van Ogtrop
preekvoorbeeld drs. Hans Schoorlemmer

webdesign: Artis